kostprijsberekening
D7 t.e.m. D13
Hoe gebruiken?
Leer eerst de begrippen en verbanden. Leer daarna de formules en oefen de berekeningen stap voor stap.
De formuleringen en formules hieronder volgen de aangeleverde les-PPT's.
D7 – Directe en indirecte kosten
De vraag is of een kost rechtstreeks aan een bepaald kostenobject kan worden toegewezen.
Directe kosten Indirecte kosten
Rechtstreeks toewijsbaar aan een Niet rechtstreeks toewijsbaar aan één
product/kostenobject. product/kostenobject.
Er is een duidelijk oorzakelijk verband. Er is geen rechtstreeks oorzakelijk verband.
Voorbeeld: direct materiaal. Voorbeeld: huur van de fabriek.
Voorbeeld: directe arbeidskosten. Voorbeeld: indirecte arbeid of algemene
machinekosten.
D8 – Totale kostprijs
FORMULE: Totale kostprijs = totale directe kosten + totale indirecte kosten
Directe kosten zijn vaak al per eenheid gegeven. Indirecte kosten zijn vaak totale kosten en moeten via
een verdeelsleutel aan producten worden toegewezen.
Voorbeeld uit de PPT: directe materiaal- en arbeidskosten voor een gsm-hoesje bedragen samen €3,60. De
indirecte kosten worden over 165.000 geproduceerde stuks verdeeld en bedragen €0,36 per stuk. De
totale kostprijs wordt dan €3,96 per hoesje.
Verkoopprijs bij winstmarge op verkoopprijs
Als de winstmarge als percentage van de verkoopprijs wordt gegeven, is de kostprijs het resterende
percentage van de verkoopprijs. Bij een winstmarge van 66% is de kostprijs 34% van de verkoopprijs.
FORMULE: Verkoopprijs = kostprijs / (1 − winstmarge)
D9 – Actual, standard en normal costing
Methode Basis
Actual costing Werkelijke directe kosten en werkelijke indirecte kosten.
Standard costing Vooraf bepaalde standaarden voor hoeveelheden en prijzen;
geraamde toekomstige kosten.
Normal costing Werkelijke directe kosten + geraamde indirecte productiekosten,
toegewezen met een verdeelbasis.
Actual costing
Samenvatting Bedrijfseconomie – gebaseerd op de aangeleverde PPT's Pagina 1