Zakelijke en juridische communicatie
1. Tekstsoorten................................................................................................................................................................2
1.1. Academische teksten............................................................................................................................................2
1.2. Journalistieke teksten...........................................................................................................................................3
2. Tekststructuur..............................................................................................................................................................4
2.1. Ordeningsmethoden.............................................................................................................................................4
2.2. Alinea’s................................................................................................................................................................. 5
2.3. Kernzinnen............................................................................................................................................................5
2.4. Verwijzingen.........................................................................................................................................................6
3. Schrijfstijl..................................................................................................................................................................... 7
3.1. Foutieve OF Onnodige vaktermen........................................................................................................................7
3.2. Verouderde woorden / archaïsme........................................................................................................................7
3.3. Vreemde woorden................................................................................................................................................9
3.4. Onpersoonlijke stijl.............................................................................................................................................10
3.5. Lege woorden.....................................................................................................................................................10
3.6. Passiefconstructies.............................................................................................................................................10
3.7. Overbodige en dubbele ontkenningen...............................................................................................................10
3.8. Naamwoordstijl..................................................................................................................................................10
3.9. Te lange aanloop en hoofdzaak in bijzin.............................................................................................................10
3.10. TangconstructieS...............................................................................................................................................10
3.11. Zware voorzetseluitdrukkingen.........................................................................................................................10
3.12. Pleonasme en tautologiE..................................................................................................................................11
3.13. Voorzetselketen................................................................................................................................................11
3.14. Lange zinnen.....................................................................................................................................................11
4. Tekstanalyse...............................................................................................................................................................12
4.1. Inleiding..............................................................................................................................................................12
4.2. Informatieve en indicatieve teksten....................................................................................................................12
4.3. Samenvatten.......................................................................................................................................................12
5. Gesprekstechnieken..................................................................................................................................................13
5.1. basisgespreksvaardigheden................................................................................................................................13
5.2. zakelijk telefoneren.............................................................................................................................................16
5.3. adviesgesprek.....................................................................................................................................................18
5.4. mediation...........................................................................................................................................................20
6. Woordenschat...........................................................................................................................................................23
6.1. lexicale fouten....................................................................................................................................................23
Gastcollege................................................................................................................................................................ 26
,1. TEKSTSOORTEN
1.1. ACADEMISCHE TEKSTEN
Onderzoeksrapport
o Inleiding: Opzet, doel en methodologie
o Kern: Resultaten en analyse van het onderzoek
o Slot: Conclusies uit de resultaten en aanbevelingen
Een schriftelijke publicatie die de resultaten van een origineel wetenschappelijk onderzoek rapporteert
Kern: Vertrekt vanuit een heldere onderzoeksvraag (vaak onderverdeeld in deelvragen)
Doelgroep: Academici, beleidsmakers of managers
Adviesrapport
o Inleiding: Schetsen van de context
o Analyse: Evaluatie van de huidige toestand (opties, risico’s en voordelen)
o Aanbevelingen: Ondersteund door argumenten en bewijsmateriaal
Een document dat specifieke aanbevelingen doet op basis van een grondige analyse van een probleem, situatie
of vraagstuk
Doel: De lezer voorzien van bruikbare inzichten en een goed onderbouwd pad voor actie bieden
Context: Wordt gebruikt in zowel academische als beleidsomgevingen
Essay (verhandeling)
o Heldere opbouw bestaande uit een inleiding, body (met onderbouwde paragrafen) en een conclusie
Een zakelijke tekst waarin een auteur zijn eigen visie op een specifiek onderwerp presenteert
Kenmerken:
o De schrijver organiseert gedachten logisch rond een bepaalde stelling
o Onderbouwing vindt plaats via argumenten en weerleggingen
o Nodigt de lezer uit tot nadenken en discussie
Wetenschappelijk artikel
o Onderzoeksvraag Uitwerking in de hoofdtekst Beknopte conclusie
Een verkorte versie van een diepgaand onderzoeksrapport, thesis of scriptie
Publicatie: Verschijnt in vaktijdschriften voor vakgenoten
Stijl & Inhoud:
o Bevat technische termen (jargon) en minder context
o Formeel, nauwkeurig en objectief (nooit naar de eigen persoon verwijzen)
o Strikte bronvermelding is essentieel
Populairwetenschappelijk artikel
Doel: Niet-vakgenoten informeren over de stand van onderzoek of recente ontwikkelingen
Publicatie: Te vinden in tijdschriften, krantenbijlages of informatieve websites
Stijl:
o Eenvoudig, helder en minder formeel
o Verhalend geschreven met herkenbare voorbeelden
o Meer ruimte voor subjectiviteit dan in wetenschappelijke teksten
Casestudy
o Inleiding tot de casus en beschrijving van de context
o Toegepaste methodologie en verzamelde gegevens
o Gedetailleerde analyse met interpretaties
Een diepgaande analyse van één specifieke situatie, gebeurtenis of organisatie
Methode: Omvat gedetailleerde observaties, interviews en documentatie
2
, Doel: Inzicht bieden in complexe verschijnselen, lessen trekken, patronen identificeren of beleidsaanbevelingen
doen
1.2. JOURNALISTIEKE TEKSTEN
Nieuwsbericht
Doel: Een actueel nieuwsfeit feitelijk, duidelijk en nauwkeurig mededelen
Kern: Beantwoordt Wie, Wat, Waar, Wanneer, Waarom, Waartoe en Hoe
Structuur: De omgekeerde piramide (of oprolbaarheid)
o Kop: Feitelijk, helder en beknopt
o Lead: De eerste (vaak vette) alinea met de essentie
o Vervolg: Details en ondersteunende feiten (het minst belangrijke onderaan)
Nieuwsanalyse (duidingsartikel)
Doel: De betekenis van een actueel feit duiden door het in een breder perspectief te plaatsen
Kern: Kijkt naar de geschiedenis, de situatie in het buitenland of de toekomstige gevolgen
Stijl: Pakkende kop en aanstekelijke lead. Het leest meer als een verhaal en eindigt vaak met een prikkelende
conclusie of voorspelling
Schrijver: journalisten die zeer vertrouwd zijn met het onderwerp
Objectiviteit: De journalist geeft feiten om de lezer zelf een mening te laten vormen, zonder de eigen mening
direct te uiten
Achtergrondartikel
Doel: Dieper ingaan op de achtergronden en oorzaken van een nieuwsfeit
Kern: De auteur is vaak een specialist die vooraf bepaalde vragen wil beantwoorden. Er is altijd een verband met
de actuele gebeurtenissen
Structuur: De lead laat zien welke kennis het artikel toevoegt; de aanleiding (het nieuwsfeit) wordt vaak pas in de
tweede alinea kort benoemd
Opiniestuk
Doel: De mening van een deskundige of publiek persoon weergeven om het publieke debat of de besluitvorming
te beïnvloeden
Kern: Een helder standpunt dat krachtig wordt beargumenteerd
Kenmerken:
o Zelden in de ik-vorm geschreven (ondanks de persoonlijke mening)
o Kop is vaak een citaat of een korte weergave van het standpunt
Variatie: De lezersbrief, waarin een onbekende lezer reageert op de actualiteit
Commentaar
Doel: De visie van de krant zelf weergeven over een belangrijk nieuwsfeit
Kern: Meestal geschreven door de hoofdredacteur
Stijl: Betogend, maar minder bedoeld om te overtuigen dan een opiniestuk; het moet vooral aanvaardbaar zijn
voor de gemiddelde lezer van de betreffende krant
Kop: Kort, niet-feitelijk en soms sloganesk
Inhoud: Verwijst kort naar het nieuws, maar geeft weinig feiten
Opbouw:
o Optie 1: Start direct met een standpunt, gevolgd door argumenten
o Optie 2: Somt argumenten voor en tegen op en eindigt met een conclusie
Interviewartikel
Doel: Kan drie verschillende doelen hebben (vaak een combinatie van twee):
o Portret: Karaktertrekken van de persoon naar boven halen
o Informatief: Specifieke informatie verkrijgen via de juiste vragen
o Kritisch: De opinie van de persoon analyseren (door schijnbaar in discussie te gaan)
3
1. Tekstsoorten................................................................................................................................................................2
1.1. Academische teksten............................................................................................................................................2
1.2. Journalistieke teksten...........................................................................................................................................3
2. Tekststructuur..............................................................................................................................................................4
2.1. Ordeningsmethoden.............................................................................................................................................4
2.2. Alinea’s................................................................................................................................................................. 5
2.3. Kernzinnen............................................................................................................................................................5
2.4. Verwijzingen.........................................................................................................................................................6
3. Schrijfstijl..................................................................................................................................................................... 7
3.1. Foutieve OF Onnodige vaktermen........................................................................................................................7
3.2. Verouderde woorden / archaïsme........................................................................................................................7
3.3. Vreemde woorden................................................................................................................................................9
3.4. Onpersoonlijke stijl.............................................................................................................................................10
3.5. Lege woorden.....................................................................................................................................................10
3.6. Passiefconstructies.............................................................................................................................................10
3.7. Overbodige en dubbele ontkenningen...............................................................................................................10
3.8. Naamwoordstijl..................................................................................................................................................10
3.9. Te lange aanloop en hoofdzaak in bijzin.............................................................................................................10
3.10. TangconstructieS...............................................................................................................................................10
3.11. Zware voorzetseluitdrukkingen.........................................................................................................................10
3.12. Pleonasme en tautologiE..................................................................................................................................11
3.13. Voorzetselketen................................................................................................................................................11
3.14. Lange zinnen.....................................................................................................................................................11
4. Tekstanalyse...............................................................................................................................................................12
4.1. Inleiding..............................................................................................................................................................12
4.2. Informatieve en indicatieve teksten....................................................................................................................12
4.3. Samenvatten.......................................................................................................................................................12
5. Gesprekstechnieken..................................................................................................................................................13
5.1. basisgespreksvaardigheden................................................................................................................................13
5.2. zakelijk telefoneren.............................................................................................................................................16
5.3. adviesgesprek.....................................................................................................................................................18
5.4. mediation...........................................................................................................................................................20
6. Woordenschat...........................................................................................................................................................23
6.1. lexicale fouten....................................................................................................................................................23
Gastcollege................................................................................................................................................................ 26
,1. TEKSTSOORTEN
1.1. ACADEMISCHE TEKSTEN
Onderzoeksrapport
o Inleiding: Opzet, doel en methodologie
o Kern: Resultaten en analyse van het onderzoek
o Slot: Conclusies uit de resultaten en aanbevelingen
Een schriftelijke publicatie die de resultaten van een origineel wetenschappelijk onderzoek rapporteert
Kern: Vertrekt vanuit een heldere onderzoeksvraag (vaak onderverdeeld in deelvragen)
Doelgroep: Academici, beleidsmakers of managers
Adviesrapport
o Inleiding: Schetsen van de context
o Analyse: Evaluatie van de huidige toestand (opties, risico’s en voordelen)
o Aanbevelingen: Ondersteund door argumenten en bewijsmateriaal
Een document dat specifieke aanbevelingen doet op basis van een grondige analyse van een probleem, situatie
of vraagstuk
Doel: De lezer voorzien van bruikbare inzichten en een goed onderbouwd pad voor actie bieden
Context: Wordt gebruikt in zowel academische als beleidsomgevingen
Essay (verhandeling)
o Heldere opbouw bestaande uit een inleiding, body (met onderbouwde paragrafen) en een conclusie
Een zakelijke tekst waarin een auteur zijn eigen visie op een specifiek onderwerp presenteert
Kenmerken:
o De schrijver organiseert gedachten logisch rond een bepaalde stelling
o Onderbouwing vindt plaats via argumenten en weerleggingen
o Nodigt de lezer uit tot nadenken en discussie
Wetenschappelijk artikel
o Onderzoeksvraag Uitwerking in de hoofdtekst Beknopte conclusie
Een verkorte versie van een diepgaand onderzoeksrapport, thesis of scriptie
Publicatie: Verschijnt in vaktijdschriften voor vakgenoten
Stijl & Inhoud:
o Bevat technische termen (jargon) en minder context
o Formeel, nauwkeurig en objectief (nooit naar de eigen persoon verwijzen)
o Strikte bronvermelding is essentieel
Populairwetenschappelijk artikel
Doel: Niet-vakgenoten informeren over de stand van onderzoek of recente ontwikkelingen
Publicatie: Te vinden in tijdschriften, krantenbijlages of informatieve websites
Stijl:
o Eenvoudig, helder en minder formeel
o Verhalend geschreven met herkenbare voorbeelden
o Meer ruimte voor subjectiviteit dan in wetenschappelijke teksten
Casestudy
o Inleiding tot de casus en beschrijving van de context
o Toegepaste methodologie en verzamelde gegevens
o Gedetailleerde analyse met interpretaties
Een diepgaande analyse van één specifieke situatie, gebeurtenis of organisatie
Methode: Omvat gedetailleerde observaties, interviews en documentatie
2
, Doel: Inzicht bieden in complexe verschijnselen, lessen trekken, patronen identificeren of beleidsaanbevelingen
doen
1.2. JOURNALISTIEKE TEKSTEN
Nieuwsbericht
Doel: Een actueel nieuwsfeit feitelijk, duidelijk en nauwkeurig mededelen
Kern: Beantwoordt Wie, Wat, Waar, Wanneer, Waarom, Waartoe en Hoe
Structuur: De omgekeerde piramide (of oprolbaarheid)
o Kop: Feitelijk, helder en beknopt
o Lead: De eerste (vaak vette) alinea met de essentie
o Vervolg: Details en ondersteunende feiten (het minst belangrijke onderaan)
Nieuwsanalyse (duidingsartikel)
Doel: De betekenis van een actueel feit duiden door het in een breder perspectief te plaatsen
Kern: Kijkt naar de geschiedenis, de situatie in het buitenland of de toekomstige gevolgen
Stijl: Pakkende kop en aanstekelijke lead. Het leest meer als een verhaal en eindigt vaak met een prikkelende
conclusie of voorspelling
Schrijver: journalisten die zeer vertrouwd zijn met het onderwerp
Objectiviteit: De journalist geeft feiten om de lezer zelf een mening te laten vormen, zonder de eigen mening
direct te uiten
Achtergrondartikel
Doel: Dieper ingaan op de achtergronden en oorzaken van een nieuwsfeit
Kern: De auteur is vaak een specialist die vooraf bepaalde vragen wil beantwoorden. Er is altijd een verband met
de actuele gebeurtenissen
Structuur: De lead laat zien welke kennis het artikel toevoegt; de aanleiding (het nieuwsfeit) wordt vaak pas in de
tweede alinea kort benoemd
Opiniestuk
Doel: De mening van een deskundige of publiek persoon weergeven om het publieke debat of de besluitvorming
te beïnvloeden
Kern: Een helder standpunt dat krachtig wordt beargumenteerd
Kenmerken:
o Zelden in de ik-vorm geschreven (ondanks de persoonlijke mening)
o Kop is vaak een citaat of een korte weergave van het standpunt
Variatie: De lezersbrief, waarin een onbekende lezer reageert op de actualiteit
Commentaar
Doel: De visie van de krant zelf weergeven over een belangrijk nieuwsfeit
Kern: Meestal geschreven door de hoofdredacteur
Stijl: Betogend, maar minder bedoeld om te overtuigen dan een opiniestuk; het moet vooral aanvaardbaar zijn
voor de gemiddelde lezer van de betreffende krant
Kop: Kort, niet-feitelijk en soms sloganesk
Inhoud: Verwijst kort naar het nieuws, maar geeft weinig feiten
Opbouw:
o Optie 1: Start direct met een standpunt, gevolgd door argumenten
o Optie 2: Somt argumenten voor en tegen op en eindigt met een conclusie
Interviewartikel
Doel: Kan drie verschillende doelen hebben (vaak een combinatie van twee):
o Portret: Karaktertrekken van de persoon naar boven halen
o Informatief: Specifieke informatie verkrijgen via de juiste vragen
o Kritisch: De opinie van de persoon analyseren (door schijnbaar in discussie te gaan)
3