• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 62 pages
Resume

Samenvatting Examenvragen Recht en deontologie | Hogeschool PXL | 2025/26

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 62 pages

Dit document bevat 30 examenvragen voor het vak Recht en deontologie uit Toegepaste psychologie aan Hogeschool PXL. De vragen behandelen kernthema's zoals wat recht is, de vier kernelementen van rechtsregels, tendensen in het strafrecht, de trias politica, verschillende soorten rechtbanken (burgerlijk, strafrecht, jeugdrechtbank), sancties, en familierecht met focus op jeugdhulp en bemiddeling. Ideaal voor examenvoorbereiding - helpt je de meest voorkomende onderdelen uit de cursus te oefenen en goed voorbereid aan het examen te beginnen.

Aperçu du contenu

Recht
Inhoud
HC1 D1.....................................................................................................................................2
HC1 D2.....................................................................................................................................7
HC2.........................................................................................................................................14
WC2........................................................................................................................................19
HC3.........................................................................................................................................20
HC4.........................................................................................................................................28
HC5 D1 ouderlijk gezag...................................................................................................37
HC5 D2..................................................................................................................................45




30 examenvragen voor recht!
Krantenartikel op examen




1

, HC1 D1 Wat is recht?
Het recht is er van de wieg tot aan het graf. Recht is overal, het mengt zich in
alle aspecten van ons leven, ook al blijft het meestal verborgen.

1. Recht is een geheel van gedragsregels

2. Opgesteld door de overheid

3. & afdwingbaar door de overheid

4. Om de samenleving te ordenen en vitale belangen te beschermen



4 kernelementen:

Recht is een geheel van gedragsregels
= Een rechtsregel is een gedragsregel (omschreven als plicht(en))

Recht regelt gedrag
Gedrag = uitwendig waarneembaar
 Hierin ligt het verschil met de moraal/ethiek en religie
 Huidige tendensen in het strafrecht?




o
o Tendensen strafrecht:
o Principe
 Reactief = gericht op gepleegd en gekend misdrijf (nadat de feiten
gelpleegd zijn)
o Uitzonderlijk
 Proactief = gericht op gepleegd maar nog niet aan het
licht gebrachte misdrijven (vermoeden) bv mocromaffia,
fransmannen, albanezen  toename bepaalde
bevolkingsgroep > bevolkingsonderzoek starten om
inlichting te verschaffen drugsbendes aan licht brengen 
2

, kan leiden tot huizoeking
o Quid preventief?
 Daders van “een nog te plegen” misdrijf vatten


- Opgesteld door de overheid
o Politieke macht (trias politica van Montesquieu):
 Wetgevende macht (WM): het maken van de regels
 Uitvoerende macht (UM): de uitvoering van de regels
 Rechterlijke macht (RM): de beoordeling van overtredingen en
geschillen



o Recht is voor de mens gemaakt en veranderd voortdurend
 Evolueert mee met de tijdsgeest, cultuur, opvattingen
en politieke stromingen in de samenleving (bv
slavernij, homohuwelijk,overspel was strafbaar)

- Afdwingbaar door de overheid  Door middel van sancties:
 Een sanctie is een reactie van de overheid op het niet
naleven van de rechtsregel

 De overheid probeert het menselijk gedrag in eerste
instantie te regelen door middel van burgerrechtelijke
sancties.
 Voor bepaalde gedragingen, die zo ernstig zijn, of
daar waar burgerrechtelijke sancties geen soelaas
meer bieden, worden strafrechtelijke sancties
toegepast.




3

, Burgerlijke rechtbanken Strafrechtelijke rechtbanken

o Hof van Assisen
 Geen permanent hof, wordt zaak per zaak samengesteld
 Enige rechtbank met een jury
 Kan als enige rechtbank een levenslange gevangenisstraf opleggen
 Er is geen hoger beroep mogelijk tegen de beslissing
 Bevoegd voor zeer ernstige misdrijven bv. moord, terrorisme, …
o Strafuitvoeringsrechtbank
 Afdeling van de Rechtbank van 1ste aanleg
 Is een speciale rechtbank: spreekt geen straffen uit,
maar neemt beslissingen in het kader van straffen,
uitgesproken door andere rechtbanken
 Toezicht en controle op de uitvoering van vrijheidsstraffen
 Er is geen beroep mogelijk tegen de
beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank
o Hof van Cassatie
 Burgerlijke kamer en strafrechtelijke kamer
 Spreekt zich niet uit over de grond van de zaak
 Maar enkel over de juridisch technische kant van een
uitspraak van een rechtbank
 In zaken waarin geen hoger beroep meer mogelijk is
 Hof kan de bestreden uitspraak vernietigen en verwijzen naar
een andere rechter
 Brengt eenheid in de rechtspraak
 Kijken de procedure na (als het fout is  hof van assisen)




4

Table des matières

  1. 01 HC1 D1 Wat is recht? 2
  2. 02 strafrechtelijke sancties 8
  3. 03 HC2 15
  4. 04 WC2 20
  5. 05 HC3 21
  6. 06 HC4 35
    1. Grote evolutie in behandeling geestesziekte: 35
    2. Tot 1850: geestesziekte = delinquent 35
    3. 1850: invoering krankzinnigenwet 35
    4. 2 mogelijkheden: 35
    5. Opsluiting in krankzinnigengesticht 35
    6. Isolatie van geesteszieke in woning 35
    7. Doel = isoleren van geesteszieke en het beschermen van de maatschappij 35
    8. Wet ter bescherming van de persoon van de geesteszieke (1990) 36
    9. Vrijwillige behandeling en opname 36
    10. Maar ook nog gedwongen opname 36
    11. Artikel 5 E.V.R.M. : De gezondheidstoestand van een persoon kan een uitzondering op het basisrecht van de bewegingsvrijheid rechtvaardigen 36
    12. Basisrechten dienen gerespecteerd 36
    13. Op 1 januari 2025 trad de wet van 16 mei 2024 houdende diverse bepalingen betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke in werking. 36
    14. Basisprincipes WPG: 36
    15. Toepassingsvoorwaarden 36
    16. Psychiatrische aandoening: 36
    17. Beoordeling aan de hand van het concrete geval en het medisch ‘ziekte’ beeld 36
    18. In praktijk vaak discussie verslavingsproblematiek 36
    19. Ernstig gevaar voor zichzelf of anderen: 36
    20. Ernstig gevaar voor eigen gezondheid en veiligheid 36
    21. Of de persoon vormt een bedreiging voor het leven of de integriteit van een derde 36
    22. Geen andere behandeling mogelijk is 36
    23. Procedure 37
    24. De gewone procedure tot gedwongen opname 37
    25. Initiatief door belanghebbende 37
    26. Eenzijdig verzoekschrift tot observatie 37
    27.  + omstandig medisch attest, niet ouder dan 15 dagen 37
    28. Neer te leggen bij de rechtbank 37
    29. Er wordt ambtshalve een advocaat aangesteld om de geesteszieke bij te staan en te verdedigen 37
    30. Rechter moet de geneesziekte zelf horen met bijstand van advocaat 37
    31. Later volgt er een zitting in raadkamer waarna de rechter beslist binnen de 10 dagen na het verzoekschrift 37
    32. Indien de betrokkene dit wenst, is het mogelijk om binnen 15 dagen en met de hulp van een advocaat beroep aan te tekenen tegen de beslissing 37
    33. De spoedprocedure = acute situatie 37
    34. Politie verwittigt Procureur des Konings 37
    35. In spoedeisende gevallen onmiddellijke opname van geesteszieke in psychiatrische instelling 37
    36. Opdracht aan arts om omstandig medisch verslag op te stellen 37
    37. Binnen termijn van 24 uur: verzoekschrift indienen bij Vrederechter met oog op verloop gewone procedure 37
    38. De observatie 38
    39. Verder verblijf 38
    40. Vonnis 38
    41. Invrijheidsstelling 38
    42. Verder verblijf 38
    43. Periode van verder verblijf bedraagt max. 2 jaar 38
    44. Kan telkens verlengd worden met 2 jaar volgens procedure van verder verblijf, er is dus telkens de beslissing van een rechter nodig 38
    45. + rechtswaarborgen voor patiënt 38
    46. Einde 38
    47. Gedwongen opname eindigt na voorziene periode van verder verblijf 38
    48. Aanvraag tot herziening door de patiënt 38
    49. Beslissing geneesheer-diensthoofd 38
    50. Tot nazorg: niet meer in instelling maar moet zich aan afspraken houden 38
    51. Niet langer dan 1 jaar en de termijn van het verblijf in geen geval overschrijden 38
    52. Regelmatig op consultatie bij de psychiater van het 38
    53. ziekenhuis of als hij of zij hiermee akkoord gaat, kan dit ook bij een andere psychiater 38
    54. Einde 38
    55. Geen tussenkomst van de rechter 38
    56. Mogelijkheid van verzet door oorspronkelijke verzoeker 38
    57. Rechten van de persoon met een psychiatrische aandoening: 39
    58. Behoud van alle fundamentele rechten 39
    59. Klachtenrecht, recht op goede behandeling 39
    60. Recht op bevordering lichamelijke en geestelijke gezondheid 39
    61. Recht op bescherming briefwisseling 39
    62. Met uitzondering uiteraard van het recht om zich brij te bewegen 39
    63. De wet patiëntenrechten is van toepassing Persoon met een psychiatrisch aandoening: 39
    64. Rechtsbekwaamheid blijft onaangetast 39
    65. Ook geen rechtstreekse gevolgen voor de handelingsbekwaamheid 39
    66. Niet in staat goederen te beheren/beslissingen over de persoon te nemen? 39
    67. Afzonderlijke procedure is nodig: aanstelling bewindvoerder Handelingsbekwaamheid: 39
    68. Rechtsbekwaamheid  handelingsbekwaamheid 39
    69. Bv. een minderjarige van twaalf jaar oud is rechtsbekwaam maar is niet handelingsbekwaam. Hij heeft bijvoorbeeld het recht om contracten te sluiten of procedures voor de rechtbank te voeren, maar hij kan dit recht niet zelf en zelfstandig uitoefenen omdat minderjarigen bij wet handelingsonbekwaam zijn gemaakt. 39
    70. Handelingsbekwaamheid  wilsbekwaamheid 39
    71. Een handelingsbekwaam persoon kan toch wilsonbekwaam zijn door een bepaald voorval zoals bijvoorbeeld ongeval, verslaving, dementie… 39
    72. Zolang er geen gerechtelijke beslissing is genomen tot 39
    73. handelingsonbekwaamheid, blijft de persoon in kwestie handelingsbekwaam. 39
    74. Bv. Bart is CEO van een bedrijf. Op weg naar huis heeft hij een zwaar ongeval. Hij wordt in coma binnengebracht op de spoedafdeling. Bart is handelingsbekwaam, maar niet wilsbekwaam. 40
    75. Handelingsonbekwaamheid = uitzondering 40
    76. Ter bescherming van de persoon en derden 40
    77. Enkel voor rechtshandelingen = een bewuste handeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan. Om geldig te zijn moet de RH voldoen aan 4 geldigheidsvereisten 40
    78. Toestemming 40
    79. Handelingsbekwaamheid 40
    80. Geoorloofd voorwerp 40
    81. Geoorloofde oorzaak 40
    82. Is dus een geldigheidsvereiste voor het stellen van geldige rechtshandelingen – RH door HOB kan vernietigd worden 40
    83. Iedereen is handelingsbekwaam 40
    84. Tenzij hij/zij HOB werd verklaard 40
    85. Hetzij door de Wet  minderjarigen 40
    86. Hetzij door de beslissing van een Rechter  meerderjarige onbekwame 40
    87. De omvang van de HOB 40
    88. Geldt de HOB voor alle of voor bepaalde rechtshandelingen? 40
    89. Gradaties van de HOB 40
    90. Kan de persoon nog zelf en zelfstandig optreden of niet 40
    91. NIET ZELF NOCH ZELFSTANDIG 40
    92. Volledig → vertegenwoordiging is noodzakelijk 40
    93. Beschermde persoon kan niet zelf noch zelfstandig optreden. Iemand anders treedt op namens de beschermde 40
    94. ZELF MAAR (NIET) volledig ZELFSTANDIG 40
    95. Beperkt → verschillende gradaties 40
    96. Bijstand: beschermde persoon treedt zelf op maar niet zelfstandig, iemand verleent bijstand 40
    97. Voorafgaandelijke toestemming: beschermde persoon treedt zelf en zelfstandig op, maar moet eerst, alvorens te handelen, 42
    98. toestemming vragen en krijgen 42
    99. Verzet: beschermde persoon treedt zelf en zelfstandig op, moet geen voorafgaandelijk toestemming vragen, maar indien de handeling hem/haar benadeelt kan er achteraf verzet tegen de handeling worden gedaan 42
    100. De meerderjarige onbekwamen 42
    101. Over wie gaat het? 42
    102. Geesteszwakke – geestelijk onvermogen 42
    103. Aangeboren of kort na geboorte 42
    104. Ongeneeslijk 42
    105. Geesteszieke – geestelijk vermogen 42
    106. Eerst normaal later verstoord 42
    107. Behandeling is mogelijk 42
    108. Coma 42
    109. Alle andere mogelijke omstandigheden waardoor een persoon niet in staat is om zelf en zelfstandig op te treden wegens psychische of fysieke 42
    110. beperkingen 42
    111. Zolang de rechter deze personen niet handelingsonbekwaam heeft verklaard, zijn zij handelingsbekwaam! 42
    112. De wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid werd op 14 juni 2013 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en trad op 1 september 2014 in werking. 42
    113. Voorheen verschillende beschermingsstatuten 44
    114. Verlengde minderjarigheid 44
    115. Gerechtelijke onbekwaamverklaring 44
    116. Bijstand door een gerechtelijk raadsman 44
    117. Verkwisters 44
    118. Voorlopige bewind 44
    119. Sinds 1 juni 2014 nog slechts 1 statuut, nl. het bewind door een bewindvoerder die de beschermende bijstaat of vertegenwoordigt 44
    120. Intussen in het BW aangepast Ruim toepassingsgebied 44
    121. Elke meerderjarige 44
    122. Geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk 44
    123. Niet in staat om 44
    124. Goederen te beheren 44
    125. Beslissingen over de persoon te nemen 44
    126. Omwille van de fysieke of mentale gezondheidstoestand 44
    127. Waarbij een buitengerechtelijke bescherming niet (meer) voldoet Krachtlijnen – een bewind op maat 44
    128. Uitgangspunt voor de nieuwe wet was de Europese regelgeving en mensenrechtenverdragen 44
    129. Subsidiariteitsbeginsel – minst ingrijpende maatregel eerst 44
    130. Buitengerechtelijke bescherming (zorgvolmacht) – Art. 489-490/2 BW 44
    131. Rechtelijke bescherming met aandacht voor menselijke waardigheid + emancipatie 44
    132. Zelfstandigheid en zelfredzaamheid staan centraal! 44
    133. Vandaar bepaalt de wet ook rangorde in gradatie: 44
    134. In eerste orde: beperkte HOB via BIJSTAND: zelf optreden, maar niet zelfstandig 44
    135. In tweede orde volledige HOB via VERTEGENWOORDIGING 44
    136. De wet verplicht de rechter een bescherming op maat tot stand te brengen! 44
    137. Een lijst van (gewichtige) rechtshandelingen zowel betreffende de persoon als betreffende de goederen van de beschermde persoon werd opgenomen in de wet 44
    138. Deze lijst vormt als het ware een leidraad voor de rechter, want hij moet minstens voor deze rechtshandelingen oordelen of de te beschermen persoon (nog) bekwaam is of niet. (Art. 492/1 §1 BW) 44
    139. Ingeval de vrederechter een beschermingsmaatregel met betrekking tot zowel de persoon als met betrekking tot de goederen beveelt, bepaalt hij in twee 45
    140. onderscheiden delen van zijn beslissing de handelingen met betrekking tot de persoon en de handelingen met betrekking tot de goederen waarvoor de 45
    141. beschermde persoon onbekwaam is 45
    142. De rechter bepaalt ook per handeling de gradatie van de bescherming: 45
    143. In de regel gaat het om een beperkte HOB via bijstand 45
    144. In ondergeschikte orde is er sprake van vertegenwoordiging De persoon van de bewindvoerder? 45
    145. Familie of derden 45
    146. Familiale bewindvoerders heeft de voorkeur 45
    147. Derden zijn meestal advocaten, anderen kan ook 45
    148. Combinatie is mogelijk 45
    149. Zelf de keuze maken 45
    150. Weigering is mogelijk 45
    151. Vergoeding 45
    152. Facultatief 45
    153. Maximaal 3% v/h Y van de beschermende partij Taken van de bewindvoerder: 45
    154. Beslissingen nemen over de persoon van de beschermende persoon en beheer van de goederen conform beschikking en onder controle van de Vrederechter 45
    155. Voor bepaalde handelingen moet de bewindvoerder eerst de machtiging van de rechter bekomen: verkoop onroerend goed, instellen gerechtelijke procedures, aangaan van een lening, verwerpen of aanvaarden van een nalatenschap 45
    156. De vertrouwenspersoon (Art. 500/1 BW) 45
    157. Vormt een brugfiguur tussen beschermende persoon en (professionele) bewindvoerder 45
    158. Aangesteld op verzoek van beschermde persoon, een derde, parket of ambtshalve door de Vrederechter 45
    159. Géén beslissingsbevoegdheid, énkel marginale controlebevoegdheid 45
    160. Verslagen ontvangen i.v.m bewindvoering 45
    161. Informatie inwinnen bij de bewindvoerder 45
    162. Standpunt van de beschermde persoon meedelen aan de vrederechter 45
    163. Vervanging vragen van de bewindvoerder als nodig 45
    164. De procedure 46
    165. Gevolgen van de bewindvoering: 46
    166. De door de rechter opgelegde regels moeten gevolgd worden 46
    167. De beschermde persoon is beperkt of volledig handelingsonbekwaam 46
    168. Handelingen gesteld in strijd met bewindvoering zijn 46
    169. Relatief nietig 46
    170. Rechtens (Art. 493 BW) Het einde van de bewindvoering: 46
    171. Overlijden 46
    172. Geen erfgenamen: bewindvoerder blijft nog twee maanden een mandaat behouden om begrafenis en afwikkeling te regelen 46
    173. Opheffing maatregel door de vrederechter 46
    174. Op verzoek van beschermde persoon, parket, bewindvoerder, vertrouwenspersoon, elke belanghebbende… 46
    175. Minderjarigen: 46
    176. Bijzonder beschermingsinstituut 46
    177. Zij zijn handelingsonbekwaam 46
    178. Zij staan onder gezag 46
    179. Ouderlijk gezag 46
    180. Voogdijgezag 46
    181. Voogdijgezag: 46
    182. Een minderjarige die geen 2 ouders (meer) heeft of ouders verkeren in de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen 46
    183. Vertegenwoordiging door voogd 47
    184. Wettelijk bepaalde bevoegdheden 47
    185. Aangesteld en onder controle van de Vrederechter 47
    186. Het ouderlijk gezag: 48
    187. < 1965: absolute vaderlijke macht  1965: ouderlijke macht  1995: ouderlijk gezag 48
    188. Van vaderlijke macht  ouderlijke macht (midden jaren ’60 – 1965) 48
    189. Van ouderlijke macht naar ouderlijk gezag (1995) Beperkingen en controle op het ouderlijk gezag: 48
    190. Doelsgebonden 48
    191. Ouders krijgen de bevoegdheden van het ouderlijk gezag om hen in staat te stellen hun kind op te voeden naar volwassenheid 48
    192. Legitimeert tussenkomst van de overheid ingeval de ouders hun bevoegdheden niet behoorlijk aanwenden 48
    193. Het kind zelf heeft ook rechten die met het voortschrijden in jaren op zelfstandige wijze uitgeoefend kunnen worden, m.a.w. het ouderlijk gezag treedt terug naarmate de minderjarige ontwikkelt 48
    194. Ouders moeten deze rechten eerbieden 48
    195. Uitoefening ervan – onderscheid of de rechten al dan niet vasthangen aan een wilsuiting (bijv. vrijheid van godsdienst, uitoefening 48
    196. patiëntenrechten…) 48
    197. Wie staat er onder het ouderlijk gezag? 48
    198. Minderjarige persoon van het mannelijk of vrouwelijk geslacht die de volle leeftijd van 18 nog niet bereikt heeft 48
    199. Rechtsbekwaam: bezit alle rechten bv. het recht om te kopen, lenen, huren, recht op een naam, recht op een mening, privacy, … 48
    200. Handelingsonbekwaam: kan de rechten niet zelf en zelfstandig uitoefenen 48
    201. Staat onder gezag: 48
    202. Ouderlijk gezag (één of beide ouders) 48
    203. Voogdijgedrag (geen ouders) Wat houdt het OG in? 48
    204. Gezag over de persoon 48
    205. Recht op persoonlijk contact 48
    206. Gezag over de persoon 48
    207. Recht op bewaring 48
    208. Recht van zorg/opvoeding 48
    209. Beslissingsrecht fundamentele opties 48
    210. Recht van toezicht 49
    211. Bevoegdheden ivm staat van de persoon 49
    212. Gezag over de goederen 50
    213. Beheer C vertegenwoordiging 50
    214. Vruchtgenot 50
    215. Gezag over de persoon, recht op persoonlijk contact 50
    216. Het recht op persoonlijk contact houdt in dat elke ouder steeds het recht heeft om op regelmatige wijze persoonlijk contact te hebben met zijn kind. 50
    217. Het recht op persoonlijk contact wordt concreet verwezenlijkt in functie van de uitoefening van het zgn. “recht van bewaring”. 50
    218. Het recht van (materiële) bewaring is een onderdeel van het gezag over de persoon van de minderjarige (zie verder) 50
    219. Recht van elke ouder 50
    220. Recht van het kind? 50
    221. Gezag over de persoon, recht van zorg/opvoeding 50
    222. Het recht van zorg is het recht de dagelijkse opvoeding van het kind waar te 50
    223. nemen: bijvoorbeeld om het kind lichamelijke zorgen toe te dienen, te beslissen over zijn verplaatsingen en verblijf, toezicht uit te oefenen op het kind op de contacten met derden, PC, GSM, lectuur, ontspanning… 50
    224. MAAR… 50
    225. Het ouderlijk gezag is doelsgebonden 50
    226. Gezag over de persoon, recht tot fundamentele beslissingen 51
    227. Dit recht heeft te maken met de belangrijke keuzes in het leven van hun kind. Het gaat om de keuze van godsdienst, filosofie, ideologie, taal, school en 51
    228. onderwijstype, lidmaatschap van verenigingen, medische keuzes (nemen van contraceptie, ondergaan van operaties, enz…) 51
    229. MAAR… 51
    230. Het ouderlijk gezag is doelsgebonden 51
    231. Gezag over de persoon, recht van toezicht op de opvoeding 51
    232. Het recht van toezicht komt toe aan de ouder die het gezag over de persoon en het beheer over de goederen van het kind niet uitoefent, dus in de gevallen van exclusieve gezagsuitoefening door de andere ouder. (zie verder) 51
    233. Deze ouder heeft het recht om toe te zien op de wijze waarop de andere ouder de opvoeding en het beheer waarneemt. Dit recht van toezicht omvat een dubbel 51
    234. aspect: enerzijds kan deze ouder rechtstreeks toezien op de opvoeding van het kind, en anderzijds kan hij toezicht uitoefenen op de andere ouder. Opdat het 51
    235. toezicht geen dode letter blijft, heeft deze ouder het recht om alle nuttige informatie in te winnen zowel bij de andere ouder als bij derden (school, bank, overheid, ziekenhuis, enz…). 51
    236. Bevoegdheden m.b.t. de staat van de persoon van de minderjarige 51
    237. Naam 51
    238. Verzoeken tot verandering van naam 51
    239. Toestemming tot huwelijk 51
    240. Toestemming tot adoptie, 51
    241. Instemming van de moeder in de erkenning van haar buitenhuwelijks kind 51
    242. Beheer van de goederen C vertegenwoordiging: 51
    243. Het recht van beheer over de goederen betekent dat de ouders gerechtigd zijn om alle daden van technisch beheer te stellen. Beheer betekent niet genot of 51
    244. beschikking (=vervreemding), maar is het louter organiseren en afhandelen van het beheer van de goederen, zoals het verrichten van daden van bewaring, 51
    245. inkomsten innen en kwijting geven, het onroerend patrimonium verhuren, enz…). De ouders zijn wettelijk gezien aansprakelijk voor het beheer van de goederen (art. 379, 1ste lid BW). 51
    246. Ouders kunnen weliswaar ook goederen vervreemden, maar deze handelingen gebeuren niet in het kader van het beheer van de goederen, maar als 52
    247. vertegenwoordiger van de minderjarige. Daden van beheer stellen ouders in eigen naam, in hun hoedanigheid van titularis van het recht van beheer van die goederen. 52
    248. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van ouders betekent dat deze in naam en voor rekening van hun kind allerlei rechtshandelingen stellen, omdat de minderjarige handelingsonbekwaam is. Het gaat om het stellen van alle 53
    249. mogelijke handelingen, maar ook de vertegenwoordiging voor rechtbank. 53
    250. Wie heeft het ouderlijk gezag? 53
    251. Elke ouder is titularis van het ouderlijk gezag 53
    252. Ouder = diegene ten aanzien van wie er een afstemmingsband is gevestigd conform de regels van het afstemmingsrecht = juridisch ouderschap 53
    253. Afstamming: (afstammingsrecht) 53
    254. Biologisch ouderschap 53
    255. Vrouwelijke en mannelijke component 53
    256. Wetten van de natuur – DNA 53
    257. Juridisch ouderschap 53
    258. Gevestigd volgend de wet 53
    259. Kan overeenkomen met biologisch ouderschap, maar is niet noodzakelijk zo 53
    260. Maximaal 2 afstammingsbanden 53
    261. 1 moederlijke en 1 vaderlijke afstamming 53
    262. 2 moederlijke afstammingen 53
    263. 2 vaderlijke afstammingen Moederlijke afstamming: 53
    264. De vrouw die bevalt van het kind is juridisch de moeder van het kind, ook al is zij biologisch niet verwant met het kind (eiceldonatie, draagmoederschap, …) 53
    265. De naam van de vrouw die van het kind bevalt wordt verplicht opgenomen in de geboorteakte 53
    266. Oud BW 312 > het kind heeft als moder de persoon die als dusdanig in de geboorteakte vermeld is 53
    267. Tweede afstamming: 54
    268. Heterohuwelijk: vaderschapsregel 54
    269. De wet duidt de vader aan. Wanneer een gehuwde vrouw een kind baart, wordt haar echtgenoot vermoed de vader van het kind te zijn. Man moet niets doen om de afstamming te vestigen 54
    270. Wettelijk vermoeden van vaderschap 54
    271. Kan betwist worden: de wet bepaald wie kan betwisten, binnen welke termijn en hoe 54
    272. Holibi-huwelijk: 54
    273. Huwelijk 2 vrouwen: 54
    274. Meemoederschapsregel: sinds de wet van 14 mei 2014, in werking getreden op 1/1/2015 meemoeder. (oud) BW Art. 325/2. Er geldt een wettelijk vermoeden van meemoederschap. Dit kan betwist worden: de wet bepaalt door wie, binnen welke termijn en hoe 54
    275. Huwelijk: 2 mannen Buiten het huwelijk afstamming? 54
    276. Door vrijwillige erkenning (man/vrouw) 54
    277. Biologisch ouderschap is niet vereist 54
    278. Kan op elk ogenblik 54
    279. Akte van erkenning (ABS of notaris, niet in testament) 54
    280. Gedwongen erkenning – gerechtelijk onderzoek naar vaderschap if meemoederschap 54
    281. Door adoptie 54
    282. Ontzetting uit het ouderlijk gezag: 55
    283. Elke ouder is titularis van het ouderlijk gezag, tenzij de ouder uit het ouderlijk gezag wordt ontzet 55
    284. Ontzetting = strafrechtelijke jeugdbeschermingsmaatregel 55
    285. Ouder is veroordeeld tot een criminele of correctionele straf 55
    286. Ouder brengt de gezondheid, veiligheid of zedelijkheid van het kind in gevaar 55
    287. Ouder huwt met een persoon die reeds ontzet is uit ouderlijk gezag over eigen kinderen 55
    288. Provoogd: degene die bij de ontzetting zal aangesteld worden omdat er geen ouder meer is om het ouderlijk gezag uit te oefenen 55
    289. Wie heeft dus niet het ouderlijk gezag? 55
    290. Louter biologische ouder ten aanzien van wie de afstammingsband niet juridisch is vastgesteld. 55
    291. Stiefouder (huwelijkspartner van de ouder) 55
    292. Wettelijk samenwonende of feitelijk samenwonende partner van de ouder 55
    293. Grootouders of andere familieleden Hoe wordt het ouderlijk gezag uitgeoefend? 55
    294. Gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag 55
    295. Toekenning van de uitoefening van het ouderlijk gezag aan één van de beide ouders 55
    296. Gezagsregeling  verblijfsregeling  omgangsregeling 56
    297. Als er maar een ouder is, oefent deze ouder het ouderlijk gezag alleen uit en verblijft het kind in principe bij die ouder. 56
    298. Als er geen ouder is (volle wees) komt de minderjarige onder voogdij te staan. De aanstelling van de voogd gebeurt door de Vrederechter. 56
    299. Wanneer één van beide ouders wordt ontzet uit de rechten van het ouderlijk gezag door de Jeugdrechtbank, komt het ouderlijk gezag integraal toe aan de andere ouder die het dan ook alleen uitoefent. 56
    300. Indien beide of de enige ouder ontzet wordt uit het ouderlijk gezag wordt er een provoogd aangeduid. 56
    301. Link met samenlevingsvormen: 56
    302. Ouders zijn niet gehuwd 56
    303. Wettelijk samenwonend + al dan niet samenlevingscontract 56
    304. Verklaring bij ambtenaar van de burgerlijke stand 56
    305. Feitelijk samenwonend + al dan niet een samenlevingscontract 56
    306. Ouders zijn gehuwd 56
    307. Primair huwelijksstelsel – wederzijdse rechten en plichten 56
    308. Secundair huwelijksstelsel – huwelijksvermogensrecht 57
    309. Relatieproblemen – uit elkaar gaan: 58
    310. Wat met de kinderen (relatieproblemen, uit elkaar gaan)? 58
    311. Gezag en verblijf: 58
    312. Gezagsregeling: in principe gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag 58
    313. Tweeverblijfsregeling: alternerend of hoofd/secundair verblijf 58
    314. <-> Uitzonderlijk exclusieve uitoefening van het gezag door één ouder, de andere ouder behoudt het recht op omgang (omgangsregeling), informatie en toezicht (+ verhaal) 58
    315. Bijdragen in de kosten van onderhoud en de opvoeding 58
  7. 07 HC5 D2 58
    1. Conflictueus ouderschap 58
    2. Vechtscheiding 58
    3. Ex-partners zijn niet alleen elkaars belangen uit het oog verloren, maar ook die van hun kinderen 58
    4. Niet alleen gepaard met negatieve gevoelens naar ex-partner, maar ook met acties met de bedoeling de andere partner of de band die deze ouder met de kinderen heeft schade toe te brengen 58
    5. Oudervervreemding C ouderverstoting 58
    6. Ernstige vorm van loyaliteitsconflict 58
    7. Kind wijst ouder af of verbreekt contact, zonder betekenisvolle argumenten 58
    8. Onder invloed van de andere ouder 58
    9. o = Parental Alienation Syndrome (P AS) 58
    10. Contactbreuk 58
    11. Na een echtscheiding is het contact tussen kind en één van de ouders verbroken 58
    12. Eerder voorkomend in moeilijke gezins- en echtscheidingscontexten 58
    13. Gelaagd en complex probleem 58
    14. Verontrustende situatie (VOS) 59
    15. Vroeger problematische opvoedingssituatie 59
    16. Situaties die door een hulpverlener, een cliënt of een derde als verontrustend ingeschat worden omdat 59
    17. Ze de ontwikkelingskansen van een minderjarige bedreigen 59
    18. Ze de psychische, fysieke of seksuele integriteit van een minderjarige of van één of meerdere gezinsleden aantasten 59
    19. Een combinatie van beiden omvatten 59
    20. Én waarbij het kind, de jongere en/of het gezin het niet eens zijn met het inschakelen van hulpverlening en hulpverlening weigeren 59
    21. Maatschappelijke Noodzaak (MaNo) 59
    22. Hulp inschakelen wordt geweigerd, maar wordt echter maatschappelijk noodzakelijk geacht 59
    23. Overheid grijpt in 59
    24. Via gemandateerde voorzieningen met interventierecht Integrale Jeugdhulp – IJH: 59
    25. 4 basisprincipes 59
    26. Integraal = sector overschrijdend 59
    27. Modulering 59
    28. RTJ versus NRTJ 59
    29. Trajectbegeleiding 59
    30. Basisprincipe 1: integrale jeugdhulp – sectoroverschrijdend: 60
    31. 6 sectoren 60
    32. Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW) 60
    33. Centra Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) 60
    34. Kind en Gezin (KCG) 60
    35. Centrum leerlingenbegeleiding (CLB) 60
    36. Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) 60
    37. Jongerenwelzijn (voorheen bijzondere jeugdbijstand) Basisprincipe 2: integrale jeugdhulp – modulering 60
    38. Modulering 60
    39. Binnen alle sectoren wordt gewerkt met modules 60
    40. Voor de voorzieningen BJB 60
    41. Diagnostiek in het kader van bijzondere jeugdbijstand 60
    42. Begeleiding (dagbegeleiding en contextbegeleiding) 60
    43. Verblijf 60
    44. Pleegzorg 60
    45. Basisprincipe 3: integrale jeugdhulp RTJ – NRTJ 60
    46. RTJ vs NRTJ: 60
    47. Zo groot mogelijke zelfstandigheid van de cliënt en het gezin 60
    48. Gezinsgericht werken 60
    49. Gezin is de hoeksteen van de samenleving 60
    50. Hulpverlening richt zich tot minderjarigen én ouders 60
    51. Subsidiariteitsprincipe 60
    52. Bij gelijkblijvend effect moet de voorkeur gegeven worden aan de minst ingrijpende vorm van hulpverlening 60
    53. Zo kort en weinig als mogelijk ingrijpend 60
    54. Basisprincipe 4: integrale jeugdhulp – trajectbegeleiding 61
    55. Trajectbegeleiding 61
    56. Minderjarige ondersteunen in het hele te volgen traject gedurende VOS 61
    57. Case-onderzoek en case-management 61
    58. Vast aanspreekpersoon Gemandateerde voorzieningen 61
    59. Mandaat om vanuit maatschappelijke noodzaak (MaNo) aanklampende hulp te bieden in een VOS 61
    60. Vrijwillig aanvaarde en onderhandelde hulpverlening 61
    61. Aanmelding via hulpverlener uit integrale jeugdhulp of het Parket 61
    62. Via M-doc 61
    63. Buitengerechtelijke context 61
    64. Interventierecht: VOS rechtstreeks overgemaakt worden aan het Parket Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ) 61
    65. Onderzoeken of de overheid moet tussenkomen 61
    66. No neen 61
    67. Zo ja: aanklampende hulp of verwijzing naar het Parket indien nodig 61
    68. Per bestuurlijk arrondissement 61
    69. Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) 61
    70. Hulpverlening bij kindermishandeling, seksueel misbruik en/of verwaarlozing 61
    71. Provinciaal georganiseerd Famly Justice Center (FJC) = Veilig Huis 61
    72. Expertisecentrum rond intrafamiliaal geweld 61
    73. Voor gezinnen waarbij ernstige conflicten leiden tot geweld, met focus op veiligheid en welzijn van de kinderen 61
    74. Aanmelding door professionele diensten 61
    75. Activiteiten: 61
    76. Ondersteuning bieden 61
    77. In kaart brengen welke diensten met het gezin aan de slag zijn 61
    78. Samen met alle betrokkenen bekijken wat de moeilijkheden zijn en wat er nodig is 61
    79. Overleg organiseren met alle betrokken diensten om aanpak af te stemmen 61
    80. Dossier opvolgen zolang nodig is 61
    81. Jeugdrechtbank: 62
    82. Bevoegdheden: 62
    83. Jeugddelict – een door een minderjarige gepleegd als misdrijf omschreven feit 62
    84. VOS – MaNo – verontrustende situaties m.b.t. de veiligheid van een minderjarige 62
    85. Procedure bestaande uit 2 fasen 62
    86. Voorlopige fase (maatschappelijk onderzoek, voorlopige maatregelen) 62
    87. Definitieve fase (beslissing ten gronde, vonnis) Jeugdrechtbank – maatregelen VOS 62
    88. Conclusie – partnerschap >< ouderschap 62
    89. Breuk partnerschap – impact op ouderschap > leidt tot vechtscheidingen 62
    90. > Hoogoplopende conflicten over de uitoefening ouderlijk gezag – verblijfsregelingen – omgangsregelingen – boycot van de regelingen – oudervervreemding en verstoting …. 62
    91. > Verontrustende situaties (VOS) met inschakeling Integrale Jeugdhulp > gemandateerde voorzieningen OCJ en VK. 62
    92. > Familierechtbank en Jeugdrechtbank – caseload stijgt, ernst van de conflicten neem toe – grenzen van het recht bereikt? 62
    93. Op zoek naar alternatieven 62
    94. Bemiddeling 62
    95. Hulpverlening op maat – Zie ter info Aanbod bij scheiding (Limburg) 62
    96. Nieuwe methodieken 62

Infos sur le Document

Publié le
1 mai 2026
Nombre de pages
62
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€7,66

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
0
Abonnés
0
Éléments
1
Dernière vente
-



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions