Muzische vorming 2
1. Concepten
= Vanuit een idee of een doelstelling, formuleer je een basisidee voor jezelf om tot een muzische
activiteit te komen = een concept = een visueel beeld van de essentie van jouw activiteit.
Waarom gebruiken we een concept?
- Het biedt inspiratie en houvast voor het bedenken van zinvolle activiteiten
- Het zet bepaalde doelstellingen vast van waaruit je wil vertrekken en welke leeractiviteit je er aan
koppelt. Deze concrete doelen kan je nadien omzetten naar leerplandoelen.
- Het ondersteunt de begeleiding en geeft een focus zodat je weet waar de essentie ligt.
- Het bepaalt de nabespreking waarbij je met de kleuters in gesprek gaat en kan peilen of jouw doelen
bereikt zijn.
1.1 Combinatie in de domeinen
1.1.1 Beeld: lijn (bouwsteen) – tekenen (werkvorm)
Een afdruk maken met een blad sla op een blad papier. Met wit pandakrijt tekenen de kleuters
wormpjes die kronkelen in de sla.
1.1.2 Muziek: klankkleur (bouwsteen) – muziekspel (werkvorm)
Eén kleuter gaat achter de poppenkast zitten met drie instrumenten. De afbeeldingen van deze
instrumenten liggen in de kring voor de groep kleuters. De kleuter achter het decor maakt geluid met
een instrument, de rest van de groep kleuters moet aanduiden welk instrument ze horen.
1.1.3 Drama: structuur (bouwsteen) – tableau vivant (werkvorm)
De leerkracht vertelt een verhaal en haalt er een scène uit die een paar kleuters gaan omzetten in een
stilstaand beeld. De andere kleuters moeten raden welke prent uit het boek wordt voorgesteld.
1.1.4 Dans: tijd (bouwsteen) – dansimprovisatie (werkvorm)
De leerkracht zet een muziekstuk op met duidelijke trage en snelle stukken. Bij de snelle stukken
moeten de kleuters lopen alsof ze op warme zand lopen; bij de trage stukken moeten ze rustig
“zwemmen”.
1.1.5 Media: ordening (bouwsteen) – fotoverhaal (werkvorm)
Foto’s van de klaspop in verschillende situaties worden geordend en de kleuters verzinnen er een
verhaal bij.
1
, 1.2 Het concept en zijn begrippen
1.2.1 Domein
= Welk muzisch domein: beeld, muziek, drama, dans of media
1.2.2 Onderwerp
= Waarrond je werkt (bvb een thema in de klas)
1.2.3 Werkvorm
= Welke techniek je gebruikt (bvb: muziekspel, dansexpressie, klankverhaal, …)
1.2.4 Bouwsteen
= Aan welk basisbegrip je werkt (bvb ruimte-ruimtelaag, kader, kleur, lijn, …)
1.2.5 Concreet doel
= Concrete doelstelling die je met de kleuters wil bereiken. Je start met “De kleuters kunnen…”. Bvb:
De kleuters kunnen in het dansverhaal (werkvorm) als vlinders in de verschillende ruimtelagen
(bouwsteen) van de zaal bewegen op de muziek.
1.3 Voorbeelden van concepten
2
, 1.4 Concepten samenstellen
Er zijn verschillende mogelijkheden om tot een concept te komen:
1. Starten met de werkvorm
2. Starten met de bouwsteen
3. Starten met de doelstelling
4. Starten vanuit een thema
3
1. Concepten
= Vanuit een idee of een doelstelling, formuleer je een basisidee voor jezelf om tot een muzische
activiteit te komen = een concept = een visueel beeld van de essentie van jouw activiteit.
Waarom gebruiken we een concept?
- Het biedt inspiratie en houvast voor het bedenken van zinvolle activiteiten
- Het zet bepaalde doelstellingen vast van waaruit je wil vertrekken en welke leeractiviteit je er aan
koppelt. Deze concrete doelen kan je nadien omzetten naar leerplandoelen.
- Het ondersteunt de begeleiding en geeft een focus zodat je weet waar de essentie ligt.
- Het bepaalt de nabespreking waarbij je met de kleuters in gesprek gaat en kan peilen of jouw doelen
bereikt zijn.
1.1 Combinatie in de domeinen
1.1.1 Beeld: lijn (bouwsteen) – tekenen (werkvorm)
Een afdruk maken met een blad sla op een blad papier. Met wit pandakrijt tekenen de kleuters
wormpjes die kronkelen in de sla.
1.1.2 Muziek: klankkleur (bouwsteen) – muziekspel (werkvorm)
Eén kleuter gaat achter de poppenkast zitten met drie instrumenten. De afbeeldingen van deze
instrumenten liggen in de kring voor de groep kleuters. De kleuter achter het decor maakt geluid met
een instrument, de rest van de groep kleuters moet aanduiden welk instrument ze horen.
1.1.3 Drama: structuur (bouwsteen) – tableau vivant (werkvorm)
De leerkracht vertelt een verhaal en haalt er een scène uit die een paar kleuters gaan omzetten in een
stilstaand beeld. De andere kleuters moeten raden welke prent uit het boek wordt voorgesteld.
1.1.4 Dans: tijd (bouwsteen) – dansimprovisatie (werkvorm)
De leerkracht zet een muziekstuk op met duidelijke trage en snelle stukken. Bij de snelle stukken
moeten de kleuters lopen alsof ze op warme zand lopen; bij de trage stukken moeten ze rustig
“zwemmen”.
1.1.5 Media: ordening (bouwsteen) – fotoverhaal (werkvorm)
Foto’s van de klaspop in verschillende situaties worden geordend en de kleuters verzinnen er een
verhaal bij.
1
, 1.2 Het concept en zijn begrippen
1.2.1 Domein
= Welk muzisch domein: beeld, muziek, drama, dans of media
1.2.2 Onderwerp
= Waarrond je werkt (bvb een thema in de klas)
1.2.3 Werkvorm
= Welke techniek je gebruikt (bvb: muziekspel, dansexpressie, klankverhaal, …)
1.2.4 Bouwsteen
= Aan welk basisbegrip je werkt (bvb ruimte-ruimtelaag, kader, kleur, lijn, …)
1.2.5 Concreet doel
= Concrete doelstelling die je met de kleuters wil bereiken. Je start met “De kleuters kunnen…”. Bvb:
De kleuters kunnen in het dansverhaal (werkvorm) als vlinders in de verschillende ruimtelagen
(bouwsteen) van de zaal bewegen op de muziek.
1.3 Voorbeelden van concepten
2
, 1.4 Concepten samenstellen
Er zijn verschillende mogelijkheden om tot een concept te komen:
1. Starten met de werkvorm
2. Starten met de bouwsteen
3. Starten met de doelstelling
4. Starten vanuit een thema
3