• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 188 pages
Examen

Organisatie psychologie oefententamen 600 + vragen plus antwoorden

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 188 pages

Alles wat je moet weten voor het tentamen bij NTI. Cijfer: 7

Aperçu du contenu

Aandacht voor details


Binnen een organisatie wordt sterk gelet op precisie, analyse en foutloos werken. Dit
cultuurkenmerk heet:



A. Prestatiegerichtheid

B. Aandacht voor details

C. Stabiliteitsgerichtheid



Antwoord: B




Aandelenprogramma’s voor werknemers


Het doel van aandelenprogramma’s voor werknemers is primair:



A. Intrinsieke motivatie verhogen

B. Eigenaarschap en lange termijn betrokkenheid stimuleren

C. Procedurele rechtvaardigheid verbeteren



Antwoord: B




Achtstappenplan van Kotter

,Volgens Kotter is een noodzakelijke eerste stap bij organisatieverandering:



A. Structuur aanpassen

B. Urgentiebesef creëren

C. Beloningssystemen veranderen



Antwoord: B




Actief luisteren


Actief luisteren betekent vooral:



A. Oordelen en direct advies geven

B. Parafraseren en de spreker stimuleren verder te praten

C. Stil blijven zonder reactie



Antwoord: B




Actieonderzoek


Actieonderzoek kenmerkt zich door:



A. Theoretische analyse zonder interventie

B. Systematisch gegevens verzamelen én direct verandering toepassen

C. Alleen observatie zonder ingrijpen

, Antwoord: B




Activatieniveaus


Activatieniveau verwijst naar:



A. De intensiteit waarmee iemand werkt

B. De mate waarin emotie leidt tot actie

C. De hiërarchische positie



Antwoord: B




Activerend affect


Activerend affect is:



A. Een emotie die tot handelen aanzet

B. Een stabiele persoonlijkheidstrek

C. Een cognitief oordeel



Antwoord: A




Activerende stemming

, Een activerende stemming:



A. Leidt tot passiviteit

B. Zet aan tot gedrag of actie

C. Is altijd negatief



Antwoord: B




Adjourning


In het vijffasenmodel van groepsontwikkeling is ‘adjourning’:



A. De conflictfase

B. De prestatiefase

C. De ontbindingsfase



Antwoord: C




Afdelingsvorming


Afdelingsvorming betekent:



A. Informele groepen vormen

B. Taken en mensen structureren in formele eenheden

Table des matières

  1. 01 Aandacht voor details 1
  2. 02 Aandelenprogramma’s voor werknemers 1
  3. 03 Achtstappenplan van Kotter 1
  4. 04 Actief luisteren 2
  5. 05 Actieonderzoek 2
  6. 06 Activatieniveaus 3
  7. 07 Activerend affect 3
  8. 08 Activerende stemming 3
  9. 09 Adjourning 4
  10. 10 Afdelingsvorming 4
  11. 11 Arbiter 5
  12. 12 Assertiviteit 5
  13. 13 Attitude 6
  14. 14 Attributie 6
  15. 15 Attributietheorie 6
  16. 16 Attributietheorie van leiderschap 7
  17. 17 Authentiek leiderschap 7
  18. 18 Automatisch verwerken 8
  19. 19 Autonomie 8
  20. 20 Basisemoties 8
  21. 21 Basisstemmingen 9
  22. 22 Behaviorisme 9
  23. 23 Bewust verwerken 10
  24. 24 Big Five-model 10
  25. 25 Billijkheidstheorie 11
  26. 26 Biografische kenmerken 11
  27. 27 Bonussen 12
  28. 28 Boundary spanners 12
  29. 29 Boundary spanning (overbrugging) 13
  30. 30 Brainstormen 13
  31. 31 Breuklijnen 13
  32. 32 Bureaucratie 14
  33. 33 Centralisatie 14
  34. 34 Champion 15
  35. 35 Change agent 15
  36. 36 Charismatisch leiderschap 15
  37. 37 Cirkelstructuur 16
  38. 38 Coalitie 16
  39. 39 Code Tabaksblat 17
  40. 40 Cognitieve component (attitude) 17
  41. 41 Cognitieve dissonantie 17
  42. 42 Collectivisme 18
  43. 43 Communicatie 18
  44. 44 Conflict 19
  45. 45 Conformisme 19
  46. 46 Continuïteitsbinding 20
  47. 47 Controlebereik (span of control) 20
  48. 48 Corporate governance 20
  49. 49 Cultuur 21
  50. 50 Decentralisatie 21
  51. 51 Defensief gedrag 22
  52. 52 Delegeren 22
  53. 53 Dienend leiderschap 22
  54. 54 Dienstjaren 23
  55. 55 Diepte-acteren 23
  56. 56 Directief leiderschap 24
  57. 57 Discriminatie 24
  58. 58 Disfunctioneel conflict 24
  59. 59 Distributief onderhandelen 25
  60. 60 Distributieve rechtvaardigheid 25
  61. 61 Diversiteit 26
  62. 62 Diversiteit aan de oppervlakte 26
  63. 63 Diversiteit in de diepte 26
  64. 64 Divisiestructuur 27
  65. 65 Doelstellingstheorie 27
  66. 66 Decentralisatie 28
  67. 67 Defensief gedrag 28
  68. 68 Delegeren 28
  69. 69 Dienend leiderschap 29
  70. 70 Dienstjaren 29
  71. 71 Diepte-acteren 30
  72. 72 Directief leiderschap 30
  73. 73 Discriminatie 31
  74. 74 Disfunctioneel conflict 31
  75. 75 Distributief onderhandelen 31
  76. 76 Distributieve rechtvaardigheid 32
  77. 77 Diversiteit 32
  78. 78 Diversiteit aan de oppervlakte 33
  79. 79 Diversiteit in de diepte 33
  80. 80 Divisiestructuur 33
  81. 81 Doelstellingstheorie 34
  82. 82 Doeltreffendheid van het team 34
  83. 83 Dominante cultuur 35
  84. 84 Driebehoeftentheorie 35
  85. 85 Driecomponentenmodel van creativiteit 35
  86. 86 Driestappenmodel van Lewin 36
  87. 87 Drijvende krachten 36
  88. 88 Druk 37
  89. 89 Duistere drietal 37
  90. 90 Duobaan 37
  91. 91 Duurzaamheid 38
  92. 92 Dyadisch conflict 38
  93. 93 Dynamisch interactieproces 39
  94. 94 Dynamische omgeving 39
  95. 95 Eenheid van bevel 39
  96. 96 Eenvoudige structuur 40
  97. 97 Effectiviteit 40
  98. 98 Eindwaarden 41
  99. 99 Eisen 41
  100. 100 Eisen-middelenmodel 42
  101. 101 Emoties 42
  102. 102 Emotionele arbeid 42
  103. 103 Emotionele belasting 43
  104. 104 Emotionele besmetting 43
  105. 105 Emotionele dissonantie 44
  106. 106 ? Emotionele intelligentie (EQ) 44
  107. 107 ? Emotionele zelfregulatie 45
  108. 108 ? Empathie 45
  109. 109 ? Escalerende inzet 46
  110. 110 ? Ethisch klimaat 46
  111. 111 ? Evidence-based management 47
  112. 112 ? Enquêtefeedback 47
  113. 113 ? Erfelijkheid 48
  114. 114 ? Erfelijkheidsbenadering 48
  115. 115 ? Erkenningsprogramma 49
  116. 116 ? Escalerende inzet 49
  117. 117 ? Ethische dilemma’s 50
  118. 118 ? Ethisch klimaat (EK) 50
  119. 119 ? Evidence-based management 51
  120. 120 ? Externe oorzaak 51
  121. 121 ? Extractie 52
  122. 122 ? Expertise- of deskundigheidsmacht 52
  123. 123 • ? Feedback 53
  124. 124 • ? Feedbackkanalen openen 53
  125. 125 • ? Feminiteit 53
  126. 126 • ? Fit tussen individu en organisatie 53
  127. 127 • ? Flexibele arbeidsvoorwaarden 54
  128. 128 • ? Flexitijd 54
  129. 129 • ? Formalisatie 54
  130. 130 • ? Formele groep 55
  131. 131 • ? Formele kanalen 55
  132. 132 • ? Formele macht 55
  133. 133 • ? Forming 55
  134. 134 • ? Functiebeperking 55
  135. 135 • ? Functiewaardering 56
  136. 136 • ? Functioneel conflict 56
  137. 137 • ? Functionele structuur 56
  138. 138 • ? Fundamentele attributiefout 57
  139. 139 • ? Fundamentele gedragswetenschap 57
  140. 140 • ? Fusie 57
  141. 141 • ? Fysiologische behoeften 57
  142. 142 ? Feedback 58
  143. 143 ? Feedbackkanalen openen 58
  144. 144 ? Feminiteit 59
  145. 145 ? Fit tussen individu en organisatie 59
  146. 146 ? Flexibele arbeidsvoorwaarden 60
  147. 147 ? Flexitijd 60
  148. 148 ? Formalisatie 61
  149. 149 ? Formele groep 61
  150. 150 ? Formele kanalen 62
  151. 151 ? Formele macht 62
  152. 152 ? Forming 62
  153. 153 ? Functiebeperking 63
  154. 154 ? Functiewaardering 63
  155. 155 ? Functioneel conflict 64
  156. 156 ? Functionele structuur 64
  157. 157 ? Fundamentele attributiefout 65
  158. 158 ? Fundamentele gedragswetenschap 65
  159. 159 ? Fusie 66
  160. 160 ? Fysiologische behoeften 66
  161. 161 ? Gedrag in organisaties (GIO) 67
  162. 162 ? Gedragscomponent 67
  163. 163 ? Gedragstheorieën van leiderschap 68
  164. 164 ? Geïdealiseerde invloed 68
  165. 165 ? Geïndividualiseerde consideratie 69
  166. 166 ? Gemeenschappelijk doel 69
  167. 167 ? Geneigdheid om te vertrouwen 70
  168. 168 ? Geplande verandering 70
  169. 169 ? Gerichtheid op mensen 71
  170. 170 ? Instrueren 71
  171. 171 ? Instrumentele waarden 72
  172. 172 ? Integratief onderhandelen 72
  173. 173 ? Integriteit 73
  174. 174 ? Intellectuele stimulans 73
  175. 175 ? Intellectuele vermogens 74
  176. 176 ? Intenties 74
  177. 177 ? Interacterende groepen 74
  178. 178 ? Interactionele rechtvaardigheid 75
  179. 179 ? Intergroepsontwikkeling 75
  180. 180 ? Intergroepsconflict 76
  181. 181 ? Intragroepsconflict 76
  182. 182 ? Interne afstemming (beloningsbeleid) 77
  183. 183 ? Interne oorzaak 77
  184. 184 ? Interpersoonlijke eisen 78
  185. 185 ? Interpersoonlijke rechtvaardigheid 78
  186. 186 ? Interrolconflict 79
  187. 187 ? Intrapreneurship 79
  188. 188 ? Intuïtieve besluitvorming 80
  189. 189 ? Intuïtieve kennis 80
  190. 190 Jargon 81
  191. 191 ? Job-characteristicsmodel 81
  192. 192 ? Job embeddedness 82
  193. 193 ? Kanaalrijkdom 82
  194. 194 ? Keten 83
  195. 195 ? Klantrelaties inbouwen 83
  196. 196 ? Klanttevredenheid 83
  197. 197 ? Klokkenluider 84
  198. 198 ? Kortetermijngerichtheid 84
  199. 199 ? Kostenminimalisering 85
  200. 200 ? Laagcontextcultuur 85
  201. 201 ? Laissez-faire leiderschap 85
  202. 202 ? Langetermijngerichtheid 86
  203. 203 ? Laterale communicatie 86
  204. 204 ? Leader-member-exchange theorie (LMX) 87
  205. 205 ? Legitiem politiek gedrag 87
  206. 206 ? Legitieme macht 88
  207. 207 ? Legitimiteit (machtstactiek) 88
  208. 208 ? Least-preferred-coworker (LPC)-vragenlijst 88
  209. 209 ? Leider 89
  210. 210 ? Leider-groepslidrelaties 89
  211. 211 ? Leiderschap 90
  212. 212 ? Leiderschapsmatrix 90
  213. 213 ? Lerende organisatie 90
  214. 214 ? Lijn trekken 91
  215. 215 ? Locus of control 91
  216. 216 ? Longitudinaal onderzoek 92
  217. 217 ? Loyaliteitsreactie 92
  218. 218 ? Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) 93
  219. 219 ? Macht 93
  220. 220 ? Machtsafstand 93
  221. 221 ? Machtscultuur 94
  222. 222 ? Machtstactieken 94
  223. 223 ? Management 95
  224. 224 ? Management by exception (actief) 95
  225. 225 ? Management by exception (passief) 96
  226. 226 ? Management by objectives (MBO) 96
  227. 227 ? Masculiniteit 96
  228. 228 ? Matrixstructuur 97
  229. 229 ? Mechanisch model 97
  230. 230 ? Medestanders 98
  231. 231 ? Medezeggenschap 98
  232. 232 ? Mediator 98
  233. 233 ? Meeliften 99
  234. 234 ? Mentale modellen 99
  235. 235 ? Mentor 100
  236. 236 ? Middelen 100
  237. 237 ? Model van Fiedler 101
  238. 238 ? Moderatorvariabelen 101
  239. 239 ? Mondelinge communicatie 101
  240. 240 ? Morele emoties 102
  241. 241 ? Morele identiteit 102
  242. 242 ? Motivatie 103
  243. 243 ? Motivating Potential Score (MPS) 103
  244. 244 ? Motivatoren 103
  245. 245 ? Multi-teamsystemen 104
  246. 246 ? Myers-Briggs Type Indicator (MBTI) 104
  247. 247 ? Mythe van rationaliteit 105
  248. 248 ? Machiavellisme 105
  249. 249 ? Macht 106
  250. 250 ? Machtsafstand 106
  251. 251 ? Machtscultuur 106
  252. 252 ? Machtstactieken 107
  253. 253 ? Management 107
  254. 254 ? Management by exception (actief) 108
  255. 255 ? Management by exception (passief) 108
  256. 256 ? Management by objectives (MBO) 109
  257. 257 ? Masculiniteit 109
  258. 258 ? Matrixstructuur 109
  259. 259 ? Mechanisch model 110
  260. 260 ? Medestanders 110
  261. 261 ? Medezeggenschap 111
  262. 262 ? Mediator 111
  263. 263 ? Meeliften (social loafing) 111
  264. 264 ? Mentale modellen 112
  265. 265 ? Mentor 112
  266. 266 ? Middelen 113
  267. 267 ? Model van Fiedler 113
  268. 268 ? Moderatorvariabelen 114
  269. 269 ? Mondelinge communicatie 114
  270. 270 ? Morele emoties 114
  271. 271 ? Morele identiteit 115
  272. 272 ? Motivatie 115
  273. 273 ? Motivating potential score (MPS) 116
  274. 274 ? Motivatoren (Herzberg) 116
  275. 275 ? Multi-teamsystemen 116
  276. 276 ? Myers-Briggs Type Indicator (MBTI) 117
  277. 277 ? Mythe van rationaliteit 117
  278. 278 ? Narcisme 118
  279. 279 ? Operante conditioneringstheorie 118
  280. 280 ? Oppervlakte-acteren 119
  281. 281 ? Opwaartse communicatie 119
  282. 282 ? Organisatie 119
  283. 283 ? Organisatiebinding 120
  284. 284 ? Organisatiecultuur 120
  285. 285 ? Organisatiedemografische theorie 121
  286. 286 ? Organisatieklimaat 121
  287. 287 ? Organisatieontwikkeling (OO) 121
  288. 288 ? Organisatierechtvaardigheid 122
  289. 289 ? Organisatiestructuur 122
  290. 290 ? Organisch model 123
  291. 291 ? Overleven van de organisatie 123
  292. 292 ? Overtuigen 124
  293. 293 ? Pad-doeltheorie 124
  294. 294 ? Paradoxtheorie 124
  295. 295 ? Participeren 125
  296. 296 ? Passief affect 125
  297. 297 ? Passieve stemming 126
  298. 298 ? Perceptie 126
  299. 299 ? Performing 126
  300. 300 ? Natuurlijke werkeenheden 127
  301. 301 ? Neerwaartse communicatie 127
  302. 302 ? Negatief affect 128
  303. 303 ? Negatief zelfbeeld 128
  304. 304 ? Neutralisatoren 129
  305. 305 ? Nominale groepstechniek 129
  306. 306 ? Non-verbale communicatie 129
  307. 307 ? Normen 130
  308. 308 ? Norming 130
  309. 309 ? Omgeving 131
  310. 310 ? Omgevingsbenadering 131
  311. 311 ? Omgevingscapaciteit 131
  312. 312 ? Omgevingscomplexiteit 132
  313. 313 ? Omgevingsveranderlijkheid 132
  314. 314 ? Onderbroken-evenwichtmodel 133
  315. 315 ? Onderhandelen 133
  316. 316 ? Ondernemingsraad (OR) 134
  317. 317 ? Ondersteunend leiderschap 134
  318. 318 ? Ongewenst gedrag op het werk 134
  319. 319 ? Ongewenst werkgedrag 135
  320. 320 ? Ontkenning van toeval 135
  321. 321 ? Onzekerheidsvermijding 136
  322. 322 REINFORCEMENT-THEORIE 136
  323. 323 Een medewerker krijgt direct een bonus na goed presteren waardoor hij dit gedrag herhaalt. 136
  324. 324 A. Sociale leertheorie 136
  325. 325 B. Reinforcement-theorie 136
  326. 326 C. Doelstellingstheorie 136
  327. 327 Antwoord: B 136
  328. 328 RELATIECONFLICT 136
  329. 329 Teamleden botsen persoonlijk en hebben irritaties over karaktereigenschappen. 136
  330. 330 A. Taakconflict 136
  331. 331 B. Procesconflict 136
  332. 332 C. Relatieconflict 137
  333. 333 Antwoord: C 137
  334. 334 RELATIEGERICHTE LEIDERSCHAPSSTIJL 137
  335. 335 Een leidinggevende toont veel aandacht voor welzijn van medewerkers. 137
  336. 336 A. Productiegerichte stijl 137
  337. 337 B. Relatiegerichte stijl 137
  338. 338 C. Autocratische stijl 137
  339. 339 Antwoord: B 137
  340. 340 RELATIONEEL TAAKONTWERP 137
  341. 341 Een verpleegkundige ziet direct het effect van haar werk op patiënten. 137
  342. 342 A. Taakverrijking 137
  343. 343 B. Relationeel taakontwerp 137
  344. 344 C. Functieroulatie 137
  345. 345 Antwoord: B 137
  346. 346 REORGANISATIE 137
  347. 347 Een organisatie voegt afdelingen samen en schrapt managementlagen. 137
  348. 348 A. Herstructurering 137
  349. 349 B. Reorganisatie 137
  350. 350 C. Re-engineering 137
  351. 351 Antwoord: B 137
  352. 352 RISICOMIJDING 137
  353. 353 Een manager kiest een veilige optie met lagere opbrengst. 138
  354. 354 A. Risicobereidheid 138
  355. 355 B. Risicomijding 138
  356. 356 C. Promotiefocus 138
  357. 357 Antwoord: B 138
  358. 358 RITUEEL 138
  359. 359 Elke maandag start het team met een vaste weekopening. 138
  360. 360 A. Norm 138
  361. 361 B. Ritueel 138
  362. 362 C. Procedure 138
  363. 363 Antwoord: B 138
  364. 364 ROL 138
  365. 365 Een manager wordt geacht beslissingen te nemen en leiding te geven. 138
  366. 366 A. Status 138
  367. 367 B. Rol 138
  368. 368 C. Macht 138
  369. 369 Antwoord: B 138
  370. 370 ROLCONFLICT 138
  371. 371 Een medewerker krijgt tegenstrijdige verwachtingen van twee leidinggevenden. 138
  372. 372 A. Rolambiguïteit 138
  373. 373 B. Rolconflict 138
  374. 374 C. Statusincongruentie 138
  375. 375 Antwoord: B 139
  376. 376 ROLCULTUUR 139
  377. 377 Gedrag wordt sterk bepaald door regels en procedures. 139
  378. 378 A. Taakcultuur 139
  379. 379 B. Rolcultuur 139
  380. 380 C. Persooncultuur 139
  381. 381 Antwoord: B 139
  382. 382 ROLEISEN 139
  383. 383 De druk die ontstaat door verwachtingen verbonden aan een functie. 139
  384. 384 A. Rolperceptie 139
  385. 385 B. Roleisen 139
  386. 386 C. Rolconflict 139
  387. 387 Antwoord: B 139
  388. 388 ROLPERCEPTIE 139
  389. 389 Hoe iemand denkt dat hij zich moet gedragen in zijn functie. 139
  390. 390 A. Rolperceptie 139
  391. 391 B. Rolverwachting 139
  392. 392 C. Status 139
  393. 393 Antwoord: A 139
  394. 394 ROLVERWACHTINGEN 139
  395. 395 Wat anderen verwachten van iemands gedrag. 139
  396. 396 A. Rolperceptie 140
  397. 397 B. Rolverwachtingen 140
  398. 398 C. Norm 140
  399. 399 Antwoord: B 140
  400. 400 RUIL 140
  401. 401 Een manager belooft promotie in ruil voor steun. 140
  402. 402 A. Rationele overreding 140
  403. 403 B. Ruil 140
  404. 404 C. Druk 140
  405. 405 Antwoord: B 140
  406. 406 SCHRIFTELIJKE COMMUNICATIE 140
  407. 407 Een beleidswijziging wordt via e-mail gecommuniceerd. 140
  408. 408 A. Mondelinge communicatie 140
  409. 409 B. Schriftelijke communicatie 140
  410. 410 C. Non-verbale communicatie 140
  411. 411 Antwoord: B 140
  412. 412 SEKSUELE INTIMIDATIE OP HET WERK 140
  413. 413 Ongewenste seksuele opmerkingen richting collega. 140
  414. 414 A. Discriminatie 140
  415. 415 B. Seksuele intimidatie 140
  416. 416 C. Stereotypering 140
  417. 417 Antwoord: B 140
  418. 418 SELECTIEFASE 141
  419. 419 Kandidaten worden beoordeeld in sollicitatiegesprekken. 141
  420. 420 A. Socialisatiefase 141
  421. 421 B. Selectiefase 141
  422. 422 C. Oriëntatiefase 141
  423. 423 Antwoord: B 141
  424. 424 SELECTIEVE PERCEPTIE 141
  425. 425 Iemand ziet vooral informatie die past bij zijn overtuigingen. 141
  426. 426 A. Confirmatiebias 141
  427. 427 B. Selectieve perceptie 141
  428. 428 C. Halo-effect 141
  429. 429 Antwoord: B 141
  430. 430 SELF-EFFICACYTHEORIE 141
  431. 431 Motivatie hangt af van het geloof dat men de taak aankan. 141
  432. 432 A. Zelfwaardering 141
  433. 433 B. Self-efficacytheorie 141
  434. 434 C. Prestatiebehoefte 141
  435. 435 Antwoord: B 141
  436. 436 SELF-MONITORING 141
  437. 437 Iemand past zijn gedrag sterk aan per situatie. 141
  438. 438 A. Self-monitoring 141
  439. 439 B. Authenticiteit 142
  440. 440 C. Stereotypering 142
  441. 441 Antwoord: A 142
  442. 442 SENSITIVITEITSTRAINING 142
  443. 443 Groepstraining gericht op gedragsverandering via interactie. 142
  444. 444 A. Coaching 142
  445. 445 B. Sensitiviteitstraining 142
  446. 446 C. Teambuilding 142
  447. 447 Antwoord: B 142
  448. 448 TEAMCOHESIE 142
  449. 449 Teamleden voelen zich sterk verbonden en loyaal. 142
  450. 450 A. Teamidentiteit 142
  451. 451 B. Teamcohesie 142
  452. 452 C. Teamstructuur 142
  453. 453 Antwoord: B 142
  454. 454 TEAMEFFECTIVITEIT 142
  455. 455 Een team produceert betere resultaten dan andere teams. 142
  456. 456 A. Teamcohesie 142
  457. 457 B. Teameffectiviteit 142
  458. 458 C. Proceswinst 142
  459. 459 Antwoord: B 142
  460. 460 TEAMIDENTITEIT 143
  461. 461 Gevoel van verbondenheid met het eigen team. 143
  462. 462 A. Teamcohesie 143
  463. 463 B. Teamidentiteit 143
  464. 464 C. Sociale identiteit 143
  465. 465 Antwoord: B 143
  466. 466 TEAMSELECTIE 143
  467. 467 Het kiezen van teamleden die passen bij taak en doel. 143
  468. 468 A. Teamontwikkeling 143
  469. 469 B. Teamselectie 143
  470. 470 C. Socialisatie 143
  471. 471 Antwoord: B 143
  472. 472 TEAMSTRUCTUUR 143
  473. 473 Verticale grenzen verdwijnen en teams krijgen meer verantwoordelijkheid. 143
  474. 474 A. Matrixstructuur 143
  475. 475 B. Teamstructuur 143
  476. 476 C. Functionele structuur 143
  477. 477 Antwoord: B 143
  478. 478 TECHNOLOGIE 143
  479. 479 De manier waarop input wordt omgezet in output. 143
  480. 480 A. Strategie 143
  481. 481 B. Technologie 143
  482. 482 C. Structuur 144
  483. 483 Antwoord: B 144
  484. 484 TELEWERKEN 144
  485. 485 Werknemers werken minimaal twee dagen per week op afstand. 144
  486. 486 A. Flexwerk 144
  487. 487 B. Telewerken 144
  488. 488 C. Hybride werken 144
  489. 489 Antwoord: B 144
  490. 490 TEVREDENHEID MET HET LEVEN 144
  491. 491 Mate waarin werk en privé aansluiten bij persoonlijke behoeften. 144
  492. 492 A. Werktevredenheid 144
  493. 493 B. Levensvoldoening 144
  494. 494 C. Tevredenheid met het leven 144
  495. 495 Antwoord: C 144
  496. 496 THEORIE VAN CHARISMATISCH LEIDERSCHAP 144
  497. 497 Leiders krijgen invloed door buitengewone kwaliteiten. 144
  498. 498 A. Transformationeel leiderschap 144
  499. 499 B. Theorie van charismatisch leiderschap 144
  500. 500 C. Situationeel leiderschap 144
  501. 501 Antwoord: B 144
  502. 502 THEORIE VAN PARTICIPATIEF LEIDERSCHAP 144
  503. 503 Medewerkers krijgen inspraak in besluitvorming. 145
  504. 504 A. Autocratisch leiderschap 145
  505. 505 B. Participatief leiderschap 145
  506. 506 C. Directief leiderschap 145
  507. 507 Antwoord: B 145
  508. 508 THEORIE VAN STATUSKENMERKEN 145
  509. 509 Status komt voort uit macht, bijdrage of kenmerken. 145
  510. 510 A. Roltheorie 145
  511. 511 B. Statuskenmerktheorie 145
  512. 512 C. Sociale identiteit 145
  513. 513 Antwoord: B 145
  514. 514 THEORIE VAN SITUATIONEEL LEIDERSCHAP 145
  515. 515 Effectieve stijl hangt af van situatie en medewerker. 145
  516. 516 A. Universele leiderschapstheorie 145
  517. 517 B. Theorie van situationeel leiderschap 145
  518. 518 C. Gedragstheorie 145
  519. 519 Antwoord: B 145
  520. 520 THEORIE X 145
  521. 521 Leiders verwachten dat werknemers lui zijn. 145
  522. 522 A. Theorie X 145
  523. 523 B. Theorie Y 145
  524. 524 C. Theorie Z 145
  525. 525 Antwoord: A 146
  526. 526 THEORIE Y 146
  527. 527 Leiders verwachten dat werknemers gemotiveerd zijn. 146
  528. 528 A. Theorie X 146
  529. 529 B. Theorie Y 146
  530. 530 C. Theorie Z 146
  531. 531 Antwoord: B 146
  532. 532 TIMEMANAGEMENT 146
  533. 533 Technieken om werk binnen beschikbare tijd te plannen. 146
  534. 534 A. Werkstructurering 146
  535. 535 B. Timemanagement 146
  536. 536 C. Taakverdeling 146
  537. 537 Antwoord: B 146
  538. 538 TOEGEPASTE WETENSCHAP 146
  539. 539 Wetenschappelijke kennis toepassen in praktijksituaties. 146
  540. 540 A. Fundamentele wetenschap 146
  541. 541 B. Toegepaste wetenschap 146
  542. 542 C. Theorieontwikkeling 146
  543. 543 Antwoord: B 146
  544. 544 TRAINING IN TEAMVAARDIGHEDEN 146
  545. 545 Oefenen van samenwerking en communicatie in teams. 146
  546. 546 A. Teambuilding 147
  547. 547 B. Training in teamvaardigheden 147
  548. 548 C. Coaching 147
  549. 549 Antwoord: B 147
  550. 550 TRANSACTIONEEL LEIDERSCHAP 147
  551. 551 Leidinggeven via beloning en taakverduidelijking. 147
  552. 552 A. Transformationeel leiderschap 147
  553. 553 B. Transactioneel leiderschap 147
  554. 554 C. Charismatisch leiderschap 147
  555. 555 Antwoord: B 147
  556. 556 TRANSFORMATIONEEL LEIDERSCHAP 147
  557. 557 Leiders inspireren medewerkers boven eigen belang uit te stijgen. 147
  558. 558 A. Transactioneel leiderschap 147
  559. 559 B. Transformationeel leiderschap 147
  560. 560 C. Directief leiderschap 147
  561. 561 Antwoord: B 147
  562. 562 TREKKERS 147
  563. 563 Projectleiders die verantwoordelijk zijn voor verandertrajecten. 147
  564. 564 A. Sponsors 147
  565. 565 B. Trekkers 147
  566. 566 C. Regisseurs 147
  567. 567 Antwoord: B 147
  568. 568 TWEEFACTORENTHEORIE 148
  569. 569 Werktevredenheid komt door intrinsieke factoren, ontevredenheid door extrinsieke. 148
  570. 570 A. Maslow 148
  571. 571 B. Tweefactorentheorie 148
  572. 572 C. Expectancytheorie 148
  573. 573 Antwoord: B 148
  574. 574 1. Stress 148
  575. 575 Stress is: 148
  576. 576 A. Een stabiele persoonlijkheidstrek 148
  577. 577 B. Een dynamische situatie met eisen of kansen die belangrijk en onzeker zijn 148
  578. 578 C. Altijd negatief 148
  579. 579 Antwoord: B 148
  580. 580 2. Structuurinitiatief 148
  581. 581 Structuurinitiatief betekent dat een leider: 148
  582. 582 A. Veel aandacht heeft voor relaties 148
  583. 583 B. Taken en rollen duidelijk definieert en structureert 148
  584. 584 C. Geen controle uitoefent 148
  585. 585 Antwoord: B 148
  586. 586 3. Stukloon 148
  587. 587 Stukloon is: 148
  588. 588 A. Een vast maandsalaris 148
  589. 589 B. Beloning per geproduceerde eenheid 148
  590. 590 C. Een teambonus 149
  591. 591 Antwoord: B 149
  592. 592 4. Subcultuur 149
  593. 593 Een subcultuur is: 149
  594. 594 A. De dominante cultuur 149
  595. 595 B. Een tegenbeweging 149
  596. 596 C. Specifieke waarden en opvattingen van een groep binnen de organisatie 149
  597. 597 Antwoord: C 149
  598. 598 5. Symbolen 149
  599. 599 Symbolen in organisaties geven informatie over: 149
  600. 600 A. Alleen winstcijfers 149
  601. 601 B. Sfeer, machtsverhoudingen en waarden 149
  602. 602 C. Functiebeschrijvingen 149
  603. 603 Antwoord: B 149
  604. 604 6. Synergie van een team 149
  605. 605 Synergie betekent dat: 149
  606. 606 A. Teamleden individueel beter presteren 149
  607. 607 B. De groepsprestatie groter is dan de som van individuele bijdragen 149
  608. 608 C. Conflicten afnemen 149
  609. 609 Antwoord: B 149
  610. 610 7. Systematisch onderzoek 149
  611. 611 Systematisch onderzoek is: 150
  612. 612 A. Intuïtief beslissen 150
  613. 613 B. Gestructureerd en transparant onderzoeken van verbanden 150
  614. 614 C. Alleen enquêtes afnemen 150
  615. 615 Antwoord: B 150
  616. 616 8. Taakbelang 150
  617. 617 Taakbelang verwijst naar: 150
  618. 618 A. Salarisniveau 150
  619. 619 B. De invloed van het werk op anderen 150
  620. 620 C. De moeilijkheidsgraad 150
  621. 621 Antwoord: B 150
  622. 622 9. Taakconflict 150
  623. 623 Taakconflict gaat over: 150
  624. 624 A. Persoonlijke spanningen 150
  625. 625 B. De inhoud en doelen van het werk 150
  626. 626 C. Organisatiestructuur 150
  627. 627 Antwoord: B 150
  628. 628 10. Taakcultuur 150
  629. 629 In een taakcultuur staat centraal: 150
  630. 630 A. Regels 150
  631. 631 B. Hiërarchie 150
  632. 632 C. Het gezamenlijk realiseren van een doel 150
  633. 633 Antwoord: C 151
  634. 634 11. Taakeisen 151
  635. 635 Taakeisen hebben betrekking op: 151
  636. 636 A. De persoonlijkheid van medewerkers 151
  637. 637 B. Ontwerp en inhoud van het werk 151
  638. 638 C. De organisatiestructuur 151
  639. 639 Antwoord: B 151
  640. 640 12. Taakgerichte leiderschapsstijl 151
  641. 641 Deze stijl legt nadruk op: 151
  642. 642 A. Relaties 151
  643. 643 B. Structuur en productiviteit 151
  644. 644 C. Participatie 151
  645. 645 Antwoord: B 151
  646. 646 13. Taakgroep 151
  647. 647 Een taakgroep is: 151
  648. 648 A. Een informele vriendengroep 151
  649. 649 B. Een formele groep met een specifieke opdracht 151
  650. 650 C. Een subcultuur 151
  651. 651 Antwoord: B 151
  652. 652 14. Taakidentiteit 151
  653. 653 Taakidentiteit betekent: 151
  654. 654 A. Werken in team 152
  655. 655 B. Een volledig en herkenbaar stuk werk afronden 152
  656. 656 C. Autonomie 152
  657. 657 Antwoord: B 152
  658. 658 15. Taakkenmerkenmodel 152
  659. 659 Volgens dit model wordt werk motiverender door o.a.: 152
  660. 660 A. Controle 152
  661. 661 B. Vijf kernkenmerken zoals autonomie en feedback 152
  662. 662 C. Salarisverhoging 152
  663. 663 Antwoord: B 152
  664. 664 16. Taakroulatie 152
  665. 665 Taakroulatie is: 152
  666. 666 A. Taken uitbreiden 152
  667. 667 B. Taken periodiek wisselen 152
  668. 668 C. Taken combineren 152
  669. 669 Antwoord: B 152
  670. 670 17. Taakspecialisatie 152
  671. 671 Taakspecialisatie betekent: 152
  672. 672 A. Brede inzetbaarheid 152
  673. 673 B. Werk opdelen in kleine deeltaken 152
  674. 674 C. Meer autonomie 152
  675. 675 Antwoord: B 152
  676. 676 18. Taakstructuur 153
  677. 677 Taakstructuur verwijst naar: 153
  678. 678 A. De mate van structurering van taken 153
  679. 679 B. Cultuur 153
  680. 680 C. Salaris 153
  681. 681 Antwoord: A 153
  682. 682 19. Taakverbreding (taakverruiming) 153
  683. 683 Dit houdt in: 153
  684. 684 A. Meer hiërarchie 153
  685. 685 B. Meer variatie door extra taken toe te voegen 153
  686. 686 C. Meer controle 153
  687. 687 Antwoord: B 153
  688. 688 20. Taakverrijking 153
  689. 689 Taakverrijking betekent: 153
  690. 690 A. Meer salaris 153
  691. 691 B. Meer diepgang, verantwoordelijkheid en autonomie 153
  692. 692 C. Minder taken 153
  693. 693 Antwoord: B 153
  694. 694 21. Taal en jargon 153
  695. 695 Taal en jargon zorgen voor: 153
  696. 696 A. Verwarring 153
  697. 697 B. Onderscheid tussen in- en outgroup 154
  698. 698 C. Minder communicatie 154
  699. 699 Antwoord: B 154
  700. 700 22. Taken combineren 154
  701. 701 Taken combineren betekent: 154
  702. 702 A. Taken schrappen 154
  703. 703 B. Kleine taken samenvoegen tot grotere modules 154
  704. 704 C. Taken rouleren 154
  705. 705 Antwoord: B 154
  706. 706 23. Team 154
  707. 707 Een team is: 154
  708. 708 A. Elke groep mensen 154
  709. 709 B. Een groep die samenwerkt aan een gemeenschappelijk doel 154
  710. 710 C. Een afdeling 154
  711. 711 Antwoord: B 154
  712. 712 24. Teambeloning 154
  713. 713 Teambeloning stimuleert: 154
  714. 714 A. Individuele competitie 154
  715. 715 B. Gewenst teamgedrag via gezamenlijke beloning 154
  716. 716 C. Hiërarchie 154
  717. 717 Antwoord: B 154
  718. 718 25. Teambuilding 155
  719. 719 Teambuilding is gericht op: 155
  720. 720 A. Controle 155
  721. 721 B. Vertrouwen en samenwerking versterken 155
  722. 722 C. Individuele prestaties 155
  723. 723 Antwoord: B 155
  724. 724 26. Visie 155
  725. 725 Visie is: 155
  726. 726 A. Een jaarplanning 155
  727. 727 B. Een ambitieus toekomstbeeld van de organisatie 155
  728. 728 C. Een missieverklaring 155
  729. 729 Antwoord: B 155
  730. 730 27. Voorbeeldig werkgedrag 155
  731. 731 Voorbeeldig werkgedrag is: 155
  732. 732 A. Gedrag buiten de formele taak dat bijdraagt aan effectiviteit 155
  733. 733 B. Alleen taakuitvoering 155
  734. 734 C. Afwijkend gedrag 155
  735. 735 Antwoord: A 155
  736. 736 28. Vriendengroep 155
  737. 737 Een vriendengroep ontstaat op basis van: 155
  738. 738 A. Formele structuur 155
  739. 739 B. Gemeenschappelijke kenmerken en vriendschap 155
  740. 740 C. Taakverdeling 156
  741. 741 Antwoord: B 156
  742. 742 29. Waarden 156
  743. 743 Waarden zijn: 156
  744. 744 A. Tijdelijke voorkeuren 156
  745. 745 B. Duurzame overtuigingen over wat belangrijk is 156
  746. 746 C. Regels 156
  747. 747 Antwoord: B 156
  748. 748 30. Waardensysteem 156
  749. 749 Een waardensysteem is: 156
  750. 750 A. Salarissysteem 156
  751. 751 B. Rangorde van persoonlijke waarden 156
  752. 752 C. Organigram 156
  753. 753 Antwoord: B 156
  754. 754 31. Waargenomen steun van de organisatie (WSO) 156
  755. 755 WSO betekent: 156
  756. 756 A. De mate waarin medewerkers steun van collega’s ervaren 156
  757. 757 B. De mate waarin medewerkers denken dat de organisatie om hen geeft 156
  758. 758 C. De mate van controle 156
  759. 759 Antwoord: B 156
  760. 760 32. Webcareteam 156
  761. 761 Een webcareteam: 157
  762. 762 A. Beheert interne communicatie 157
  763. 763 B. Reageert online op vragen en klachten 157
  764. 764 C. Doet HR-taken 157
  765. 765 Antwoord: B 157
  766. 766 33. Weerstand 157
  767. 767 Weerstand is: 157
  768. 768 A. Altijd negatief 157
  769. 769 B. Kracht die verandering blokkeert 157
  770. 770 C. Motivatie 157
  771. 771 Antwoord: B 157
  772. 772 34. Weerstandpunt (BAZO) 157
  773. 773 BAZO is: 157
  774. 774 A. Beste alternatief zonder overeenkomst 157
  775. 775 B. Minimale salarisgrens 157
  776. 776 C. Eindbod 157
  777. 777 Antwoord: A 157
  778. 778 35. Werkbetrokkenheid 157
  779. 779 Werkbetrokkenheid betekent: 157
  780. 780 A. Alleen tevredenheid 157
  781. 781 B. Identificatie met werk en inzet tonen 157
  782. 782 C. Werkdruk 157
  783. 783 Antwoord: B 158
  784. 784 36. Werkgroep 158
  785. 785 Een werkgroep: 158
  786. 786 A. Heeft een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor eindresultaat 158
  787. 787 B. Wisselt informatie uit zonder gezamenlijke prestatieverantwoordelijkheid 158
  788. 788 C. Is informeel 158
  789. 789 Antwoord: B 158
  790. 790 37. Werknemergerichte leiders 158
  791. 791 Deze leiders focussen op: 158
  792. 792 A. Structuur 158
  793. 793 B. Productie 158
  794. 794 C. Interpersoonlijke relaties 158
  795. 795 Antwoord: C 158
  796. 796 38. Werknemersbetrokkenheid 158
  797. 797 Dit betekent: 158
  798. 798 A. Alleen meebeslissen 158
  799. 799 B. Actieve participatie van werknemers in organisatieprocessen 158
  800. 800 C. Loyaliteit 158
  801. 801 Antwoord: B 158
  802. 802 39. Werknemerscommissaris 158
  803. 803 Een werknemerscommissaris: 158
  804. 804 A. Vertegenwoordigt aandeelhouders 159
  805. 805 B. Vertegenwoordigt werknemers in de Raad van Commissarissen 159
  806. 806 C. Is HR-manager 159
  807. 807 Antwoord: B 159
  808. 808 40. Werkomstandigheden 159
  809. 809 Werkomstandigheden omvatten: 159
  810. 810 A. Alleen fysieke omgeving 159
  811. 811 B. Fysieke, sociale en psychologische factoren 159
  812. 812 C. Alleen salaris 159
  813. 813 Antwoord: B 159
  814. 814 41. Werkstructurering 159
  815. 815 Werkstructurering verwijst naar: 159
  816. 816 A. Organiseren van taken en werkzaamheden 159
  817. 817 B. Organisatiecultuur 159
  818. 818 C. Beloningssystemen 159
  819. 819 Antwoord: A 159
  820. 820 42. Werktevredenheid 159
  821. 821 Werktevredenheid is: 159
  822. 822 A. Objectieve prestatie 159
  823. 823 B. Attitude tegenover werk en organisatie 159
  824. 824 C. Werkdruk 159
  825. 825 Antwoord: B 159
  826. 826 43. Wervingsfase 160
  827. 827 De wervingsfase is: 160
  828. 828 A. Selecteren 160
  829. 829 B. Kandidaten aantrekken 160
  830. 830 C. Contract tekenen 160
  831. 831 Antwoord: B 160
  832. 832 44. Wiel 160
  833. 833 Het wiel is: 160
  834. 834 A. Een cultuurtype 160
  835. 835 B. Communicatienetwerk met centrale leider 160
  836. 836 C. Een teamstructuur zonder leider 160
  837. 837 Antwoord: B 160
  838. 838 45. Wijsheid achteraf 160
  839. 839 Wijsheid achteraf is: 160
  840. 840 A. Realistische voorspelling 160
  841. 841 B. De neiging te denken dat je iets vooraf al wist 160
  842. 842 C. Selectieve perceptie 160
  843. 843 Antwoord: B 160
  844. 844 46. Wij-groep (ingroep) 160
  845. 845 De wij-groep is: 160
  846. 846 A. Alle medewerkers 160
  847. 847 B. De groep waartoe men zichzelf rekent 161
  848. 848 C. Het management 161
  849. 849 Antwoord: B 161
  850. 850 1. Wat wordt bedoeld met Uitdagingsstress? 161
  851. 851 A. Stress door conflicten met collega’s 161
  852. 852 B. Stress door nieuwe of grote uitdagingen in het werk 161
  853. 853 C. Stress door gebrek aan werk 161
  854. 854 Antwoord: B 161
  855. 855 2. Wat houdt Utilitarisme in? 161
  856. 856 A. Het maximaliseren van winst 161
  857. 857 B. Het meeste nut voor zo veel mogelijk mensen 161
  858. 858 C. Gelijkheid in beloning 161
  859. 859 Antwoord: B 161
  860. 860 3. Wat is een Variabel beloningssysteem? 161
  861. 861 A. Salaris dat jaarlijks vast stijgt 161
  862. 862 B. Beloning afhankelijk van prestaties 161
  863. 863 C. Alleen groepsbeloning 161
  864. 864 Antwoord: B 161
  865. 865 4. Wat betekent Variatie in vaardigheden? 161
  866. 866 A. Werken met meerdere collega’s 161
  867. 867 B. Het werk vraagt verschillende vaardigheden 161
  868. 868 C. Taakroulatie 161
  869. 869 Antwoord: B 162
  870. 870 5. Wat zijn Veranderingsinstrumenten? 162
  871. 871 A. Beloningssystemen 162
  872. 872 B. Interventies om weerstand tegen verandering te verminderen 162
  873. 873 C. Selectieprocedures 162
  874. 874 Antwoord: B 162
  875. 875 6. Wat is Verandervemogen? 162
  876. 876 A. Financiële ruimte voor verandering 162
  877. 877 B. Het vermogen van een organisatie om actief veranderingen door te voeren 162
  878. 878 C. Macht van leidinggevenden 162
  879. 879 Antwoord: B 162
  880. 880 7. Wat betekent Verankeren (fixatie op eerste indruk)? 162
  881. 881 A. Altijd positief denken 162
  882. 882 B. Nieuwe informatie negeren na eerste oordeel 162
  883. 883 C. Snel beslissen 162
  884. 884 Antwoord: B 162
  885. 885 8. Wat is Verdelende rechtvaardigheid? 162
  886. 886 A. Eerlijkheid van procedures 162
  887. 887 B. Eerlijkheid van uitkomsten zoals salaris 162
  888. 888 C. Eerlijk leiderschap 162
  889. 889 Antwoord: B 162
  890. 890 9. Wat zijn Verhalen over helden? 163
  891. 891 A. Officiële missieverklaringen 163
  892. 892 B. Anekdotes die cultuurwaarden versterken 163
  893. 893 C. Trainingsprogramma’s 163
  894. 894 Antwoord: B 163
  895. 895 10. Wat is Verloop? 163
  896. 896 A. Wisseling van functies 163
  897. 897 B. Het (ongewenst) vertrekken van medewerkers 163
  898. 898 C. Interne promotie 163
  899. 899 Antwoord: B 163
  900. 900 11. Wat betekent Vermogen? 163
  901. 901 A. Salarisniveau 163
  902. 902 B. Capaciteit om taken uit te voeren 163
  903. 903 C. Motivatie 163
  904. 904 Antwoord: B 163
  905. 905 12. Wat is Vertekening uit eigenbelang? 163
  906. 906 A. Anderen de schuld geven 163
  907. 907 B. Successen aan jezelf toeschrijven, mislukkingen aan externe factoren 163
  908. 908 C. Bescheidenheid 163
  909. 909 Antwoord: B 163
  910. 910 13. Wat betekent Verticaal uitbreiden? 164
  911. 911 A. Meer taken toevoegen 164
  912. 912 B. Meer verantwoordelijkheden en bevoegdheden geven 164
  913. 913 C. Teamuitbreiding 164
  914. 914 Antwoord: B 164
  915. 915 14. Wat is Vertrouwen? 164
  916. 916 A. Gehoorzaamheid 164
  917. 917 B. De bereidheid zich kwetsbaar op te stellen 164
  918. 918 C. Controle 164
  919. 919 Antwoord: B 164
  920. 920 15. Wat zijn Vervangende factoren? 164
  921. 921 A. Extra managers 164
  922. 922 B. Factoren die leiderschap deels overbodig maken 164
  923. 923 C. Bonussen 164
  924. 924 Antwoord: B 164
  925. 925 16. Wat is een Verwaarlozingsreactie? 164
  926. 926 A. Actief protest 164
  927. 927 B. Passieve en destructieve reactie op onvrede 164
  928. 928 C. Enthousiasme 164
  929. 929 Antwoord: B 164
  930. 930 17. Wat stelt de Verwachtingstheorie? 164
  931. 931 A. Motivatie komt door beloning alleen 165
  932. 932 B. Motivatie hangt af van verwachting van succes en beloning 165
  933. 933 C. Motivatie is aangeboren 165
  934. 934 Antwoord: B 165
  935. 935 18. Wat is Verzuim? 165
  936. 936 A. Vrijwillige overuren 165
  937. 937 B. Ongeplande afwezigheid tijdens werktijd 165
  938. 938 C. Vakantie 165
  939. 939 Antwoord: B 165
  940. 940 19. Wat is het Vijf fasenmodel? 165
  941. 941 A. Selectiemodel 165
  942. 942 B. Model van groepsontwikkeling in vijf fasen 165
  943. 943 C. Motivatiemodel 165
  944. 944 Antwoord: B 165
  945. 945 20. Wat is een Virtuele organisatie? 165
  946. 946 A. Thuiswerkorganisatie 165
  947. 947 B. Kleine kernorganisatie die functies uitbesteedt 165
  948. 948 C. Tijdelijke organisatie 165
  949. 949 Antwoord: B 165
  950. 950 21. Wat zijn Virtuele teams? 165
  951. 951 A. Internationale teams 165
  952. 952 B. Teams die via technologie samenwerken 166
  953. 953 C. Zelfsturende teams 166
  954. 954 Antwoord: B 166
  955. 955 22. Wat is Winstdeling? 166
  956. 956 A. Individuele bonus 166
  957. 957 B. Extra uitkering bij winst voor medewerkers 166
  958. 958 C. Vast salaris 166
  959. 959 Antwoord: B 166
  960. 960 23. Wat zijn Yogyakarta-beginselen? 166
  961. 961 A. Arbeidswetten 166
  962. 962 B. Beginselen over mensenrechten m.b.t. seksuele geaardheid en genderidentiteit 166
  963. 963 C. Leiderschapsregels 166
  964. 964 Antwoord: B 166
  965. 965 24. Wat is Zelfbeeld? 166
  966. 966 A. Hoe anderen je zien 166
  967. 967 B. Hoe iemand over zichzelf denkt 166
  968. 968 C. Persoonlijkheidstest 166
  969. 969 Antwoord: B 166
  970. 970 25. Wat stelt de Zelfbepalingstheorie? 166
  971. 971 A. Mensen werken alleen voor geld 166
  972. 972 B. Mensen willen autonomie ervaren 166
  973. 973 C. Motivatie is extern 167
  974. 974 Antwoord: B 167
  975. 975 26. Wat is Zelfconcordantie? 167
  976. 976 A. Zelfvertrouwen 167
  977. 977 B. Doelen die aansluiten bij persoonlijke waarden 167
  978. 978 C. Zelfcontrole 167
  979. 979 Antwoord: B 167
  980. 980 27. Wat is Zelfoverschatting? 167
  981. 981 A. Realistische inschatting 167
  982. 982 B. Te optimistisch oordeel over eigen capaciteiten 167
  983. 983 C. Bescheidenheid 167
  984. 984 Antwoord: B 167
  985. 985 28. Wat is Zelfregulering? 167
  986. 986 A. Overheidscontrole 167
  987. 987 B. Sectoren die zichzelf reguleren 167
  988. 988 C. Individuele discipline 167
  989. 989 Antwoord: B 167
  990. 990 29. Wat zijn Zelfsturende teams? 167
  991. 991 A. Teams zonder doelen 167
  992. 992 B. Teams met veel eigen verantwoordelijkheid 167
  993. 993 C. Tijdelijke teams 167
  994. 994 Antwoord: B 168
  995. 995 30. Wat is een Zelfsturende teamstructuur? 168
  996. 996 A. Matrixstructuur 168
  997. 997 B. Organisatie met zelfsturende teams zonder managers 168
  998. 998 C. Hiërarchische structuur 168
  999. 999 Antwoord: B 168
  1000. 1000 31. Wat is een Zero-sumbenadering? 168
  1001. 1001 A. Iedereen wint 168
  1002. 1002 B. Winst van de één gaat ten koste van de ander 168
  1003. 1003 C. Gelijke verdeling 168
  1004. 1004 Antwoord: B 168
  1005. 1005 32. Wat is Zinvol werk? 168
  1006. 1006 A. Goed betaald werk 168
  1007. 1007 B. Werk met taakvariatie, taakidentiteit en taakbelang 168
  1008. 1008 C. Kort werk 168
  1009. 1009 Antwoord: B 168
  1010. 1010 33. Wat is een Zwakke organisatiecultuur? 168
  1011. 1011 A. Lage winst 168
  1012. 1012 B. Grote verschillen tussen kernwaarden en gedrag 168
  1013. 1013 C. Veel regels 168
  1014. 1014 Antwoord: B 168
  1015. 1015 34. Wat is de Zij-groep (outgroup)? 169
  1016. 1016 A. Eigen groep 169
  1017. 1017 B. Groep buiten de eigen ingroep 169
  1018. 1018 C. Managementteam 169
  1019. 1019 Antwoord: B 169
  1020. 1020 Meerkeuzevragen (A-B-C) 169
    1. 1. Emoties 169
    2. 2. Motivatie 169
    3. 3. Besluitvorming 170
    4. 4. Macht 170
    5. 5. Leiderschap 170
    6. 6. Cultuur 170
    7. 7. Groepen 171
    8. 8. Conflict 171
    9. 9. Diversiteit 171
    10. 10. Rechtvaardigheid 172
    11. 11. Stress 172
    12. 12. Motivatie 172
    13. 13. Besluitvorming 173
    14. 14. Organisatie 173
    15. 15. Leiderschap 173
    16. 16. Macht 174
    17. 17. Emoties 174
    18. 18. Cultuur 174
    19. 19. Teams 175
    20. 20. Rechtvaardigheid 175
    21. 21. Motivatie 175
    22. 22. Stress 176
    23. 23. Besluitvorming 176
    24. 24. Macht 176
    25. 25. Organisatie 177
    26. 26. Leiderschap 177
    27. 27. Groepen 177
    28. 28. Diversiteit 178
    29. 29. Emoties 178
    30. 30. Conflict 178
    31. 31. Motivatie 178
    32. 32. Stress 179
    33. 33. Besluitvorming 179
    34. 34. Macht 179
    35. 35. Cultuur 180
    36. 36. Teams 180
    37. 37. Emoties 180
    38. 38. Organisatie 181
    39. 39. Conflict 181
    40. 40. Rechtvaardigheid 181
    41. 41. Motivatie 182
    42. 42. Stress 182
    43. 43. Leiderschap 182
    44. 44. Macht 183
    45. 45. Groepen 183
    46. 46. Cultuur 183
    47. 47. Organisatie 184
    48. 48. Emoties 184
    49. 49. Diversiteit 184
    50. 50. Besluitvorming 185
    51. 51. Motivatie 185
    52. 52. Stress 185
    53. 53. Leiderschap 185
    54. 54. Macht 186
    55. 55. Organisatie 186
    56. 56. Groepen 186
    57. 57. Cultuur 187
    58. 58. Emoties 187
    59. 59. Besluitvorming 187
    60. 60. Rechtvaardigheid 188

Livre connecté
 image
Stephen P. Robbins, Timothy A. Judge Gedrag in Organisaties
Éditeur: mei 2020 ISBN: 9789043037204 Édition: 14

Infos sur le Document

Cours
Publié le
19 février 2026
Fichier mis à jour le
20 février 2026
Nombre de pages
188
Écrit en
2025/2026
Type
Examen
Contient
Questions et réponses
€6,06

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
farienz
2,5
(2)
Vendu
21
Abonnés
0
Éléments
3
Dernière vente
6 mois de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions