-
01
Aandacht voor details
1
-
02
Aandelenprogramma’s voor werknemers
1
-
03
Achtstappenplan van Kotter
1
-
04
Actief luisteren
2
-
05
Actieonderzoek
2
-
06
Activatieniveaus
3
-
07
Activerend affect
3
-
08
Activerende stemming
3
-
09
Adjourning
4
-
10
Afdelingsvorming
4
-
11
Arbiter
5
-
12
Assertiviteit
5
-
13
Attitude
6
-
14
Attributie
6
-
15
Attributietheorie
6
-
16
Attributietheorie van leiderschap
7
-
17
Authentiek leiderschap
7
-
18
Automatisch verwerken
8
-
19
Autonomie
8
-
20
Basisemoties
8
-
21
Basisstemmingen
9
-
22
Behaviorisme
9
-
23
Bewust verwerken
10
-
24
Big Five-model
10
-
25
Billijkheidstheorie
11
-
26
Biografische kenmerken
11
-
27
Bonussen
12
-
28
Boundary spanners
12
-
29
Boundary spanning (overbrugging)
13
-
30
Brainstormen
13
-
31
Breuklijnen
13
-
32
Bureaucratie
14
-
33
Centralisatie
14
-
34
Champion
15
-
35
Change agent
15
-
36
Charismatisch leiderschap
15
-
37
Cirkelstructuur
16
-
38
Coalitie
16
-
39
Code Tabaksblat
17
-
40
Cognitieve component (attitude)
17
-
41
Cognitieve dissonantie
17
-
42
Collectivisme
18
-
43
Communicatie
18
-
44
Conflict
19
-
45
Conformisme
19
-
46
Continuïteitsbinding
20
-
47
Controlebereik (span of control)
20
-
48
Corporate governance
20
-
49
Cultuur
21
-
50
Decentralisatie
21
-
51
Defensief gedrag
22
-
52
Delegeren
22
-
53
Dienend leiderschap
22
-
54
Dienstjaren
23
-
55
Diepte-acteren
23
-
56
Directief leiderschap
24
-
57
Discriminatie
24
-
58
Disfunctioneel conflict
24
-
59
Distributief onderhandelen
25
-
60
Distributieve rechtvaardigheid
25
-
61
Diversiteit
26
-
62
Diversiteit aan de oppervlakte
26
-
63
Diversiteit in de diepte
26
-
64
Divisiestructuur
27
-
65
Doelstellingstheorie
27
-
66
Decentralisatie
28
-
67
Defensief gedrag
28
-
68
Delegeren
28
-
69
Dienend leiderschap
29
-
70
Dienstjaren
29
-
71
Diepte-acteren
30
-
72
Directief leiderschap
30
-
73
Discriminatie
31
-
74
Disfunctioneel conflict
31
-
75
Distributief onderhandelen
31
-
76
Distributieve rechtvaardigheid
32
-
77
Diversiteit
32
-
78
Diversiteit aan de oppervlakte
33
-
79
Diversiteit in de diepte
33
-
80
Divisiestructuur
33
-
81
Doelstellingstheorie
34
-
82
Doeltreffendheid van het team
34
-
83
Dominante cultuur
35
-
84
Driebehoeftentheorie
35
-
85
Driecomponentenmodel van creativiteit
35
-
86
Driestappenmodel van Lewin
36
-
87
Drijvende krachten
36
-
88
Druk
37
-
89
Duistere drietal
37
-
90
Duobaan
37
-
91
Duurzaamheid
38
-
92
Dyadisch conflict
38
-
93
Dynamisch interactieproces
39
-
94
Dynamische omgeving
39
-
95
Eenheid van bevel
39
-
96
Eenvoudige structuur
40
-
97
Effectiviteit
40
-
98
Eindwaarden
41
-
99
Eisen
41
-
100
Eisen-middelenmodel
42
-
101
Emoties
42
-
102
Emotionele arbeid
42
-
103
Emotionele belasting
43
-
104
Emotionele besmetting
43
-
105
Emotionele dissonantie
44
-
106
? Emotionele intelligentie (EQ)
44
-
107
? Emotionele zelfregulatie
45
-
108
? Empathie
45
-
109
? Escalerende inzet
46
-
110
? Ethisch klimaat
46
-
111
? Evidence-based management
47
-
112
? Enquêtefeedback
47
-
113
? Erfelijkheid
48
-
114
? Erfelijkheidsbenadering
48
-
115
? Erkenningsprogramma
49
-
116
? Escalerende inzet
49
-
117
? Ethische dilemma’s
50
-
118
? Ethisch klimaat (EK)
50
-
119
? Evidence-based management
51
-
120
? Externe oorzaak
51
-
121
? Extractie
52
-
122
? Expertise- of deskundigheidsmacht
52
-
123
• ? Feedback
53
-
124
• ? Feedbackkanalen openen
53
-
125
• ? Feminiteit
53
-
126
• ? Fit tussen individu en organisatie
53
-
127
• ? Flexibele arbeidsvoorwaarden
54
-
128
• ? Flexitijd
54
-
129
• ? Formalisatie
54
-
130
• ? Formele groep
55
-
131
• ? Formele kanalen
55
-
132
• ? Formele macht
55
-
133
• ? Forming
55
-
134
• ? Functiebeperking
55
-
135
• ? Functiewaardering
56
-
136
• ? Functioneel conflict
56
-
137
• ? Functionele structuur
56
-
138
• ? Fundamentele attributiefout
57
-
139
• ? Fundamentele gedragswetenschap
57
-
140
• ? Fusie
57
-
141
• ? Fysiologische behoeften
57
-
142
? Feedback
58
-
143
? Feedbackkanalen openen
58
-
144
? Feminiteit
59
-
145
? Fit tussen individu en organisatie
59
-
146
? Flexibele arbeidsvoorwaarden
60
-
147
? Flexitijd
60
-
148
? Formalisatie
61
-
149
? Formele groep
61
-
150
? Formele kanalen
62
-
151
? Formele macht
62
-
152
? Forming
62
-
153
? Functiebeperking
63
-
154
? Functiewaardering
63
-
155
? Functioneel conflict
64
-
156
? Functionele structuur
64
-
157
? Fundamentele attributiefout
65
-
158
? Fundamentele gedragswetenschap
65
-
159
? Fusie
66
-
160
? Fysiologische behoeften
66
-
161
? Gedrag in organisaties (GIO)
67
-
162
? Gedragscomponent
67
-
163
? Gedragstheorieën van leiderschap
68
-
164
? Geïdealiseerde invloed
68
-
165
? Geïndividualiseerde consideratie
69
-
166
? Gemeenschappelijk doel
69
-
167
? Geneigdheid om te vertrouwen
70
-
168
? Geplande verandering
70
-
169
? Gerichtheid op mensen
71
-
170
? Instrueren
71
-
171
? Instrumentele waarden
72
-
172
? Integratief onderhandelen
72
-
173
? Integriteit
73
-
174
? Intellectuele stimulans
73
-
175
? Intellectuele vermogens
74
-
176
? Intenties
74
-
177
? Interacterende groepen
74
-
178
? Interactionele rechtvaardigheid
75
-
179
? Intergroepsontwikkeling
75
-
180
? Intergroepsconflict
76
-
181
? Intragroepsconflict
76
-
182
? Interne afstemming (beloningsbeleid)
77
-
183
? Interne oorzaak
77
-
184
? Interpersoonlijke eisen
78
-
185
? Interpersoonlijke rechtvaardigheid
78
-
186
? Interrolconflict
79
-
187
? Intrapreneurship
79
-
188
? Intuïtieve besluitvorming
80
-
189
? Intuïtieve kennis
80
-
190
Jargon
81
-
191
? Job-characteristicsmodel
81
-
192
? Job embeddedness
82
-
193
? Kanaalrijkdom
82
-
194
? Keten
83
-
195
? Klantrelaties inbouwen
83
-
196
? Klanttevredenheid
83
-
197
? Klokkenluider
84
-
198
? Kortetermijngerichtheid
84
-
199
? Kostenminimalisering
85
-
200
? Laagcontextcultuur
85
-
201
? Laissez-faire leiderschap
85
-
202
? Langetermijngerichtheid
86
-
203
? Laterale communicatie
86
-
204
? Leader-member-exchange theorie (LMX)
87
-
205
? Legitiem politiek gedrag
87
-
206
? Legitieme macht
88
-
207
? Legitimiteit (machtstactiek)
88
-
208
? Least-preferred-coworker (LPC)-vragenlijst
88
-
209
? Leider
89
-
210
? Leider-groepslidrelaties
89
-
211
? Leiderschap
90
-
212
? Leiderschapsmatrix
90
-
213
? Lerende organisatie
90
-
214
? Lijn trekken
91
-
215
? Locus of control
91
-
216
? Longitudinaal onderzoek
92
-
217
? Loyaliteitsreactie
92
-
218
? Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)
93
-
219
? Macht
93
-
220
? Machtsafstand
93
-
221
? Machtscultuur
94
-
222
? Machtstactieken
94
-
223
? Management
95
-
224
? Management by exception (actief)
95
-
225
? Management by exception (passief)
96
-
226
? Management by objectives (MBO)
96
-
227
? Masculiniteit
96
-
228
? Matrixstructuur
97
-
229
? Mechanisch model
97
-
230
? Medestanders
98
-
231
? Medezeggenschap
98
-
232
? Mediator
98
-
233
? Meeliften
99
-
234
? Mentale modellen
99
-
235
? Mentor
100
-
236
? Middelen
100
-
237
? Model van Fiedler
101
-
238
? Moderatorvariabelen
101
-
239
? Mondelinge communicatie
101
-
240
? Morele emoties
102
-
241
? Morele identiteit
102
-
242
? Motivatie
103
-
243
? Motivating Potential Score (MPS)
103
-
244
? Motivatoren
103
-
245
? Multi-teamsystemen
104
-
246
? Myers-Briggs Type Indicator (MBTI)
104
-
247
? Mythe van rationaliteit
105
-
248
? Machiavellisme
105
-
249
? Macht
106
-
250
? Machtsafstand
106
-
251
? Machtscultuur
106
-
252
? Machtstactieken
107
-
253
? Management
107
-
254
? Management by exception (actief)
108
-
255
? Management by exception (passief)
108
-
256
? Management by objectives (MBO)
109
-
257
? Masculiniteit
109
-
258
? Matrixstructuur
109
-
259
? Mechanisch model
110
-
260
? Medestanders
110
-
261
? Medezeggenschap
111
-
262
? Mediator
111
-
263
? Meeliften (social loafing)
111
-
264
? Mentale modellen
112
-
265
? Mentor
112
-
266
? Middelen
113
-
267
? Model van Fiedler
113
-
268
? Moderatorvariabelen
114
-
269
? Mondelinge communicatie
114
-
270
? Morele emoties
114
-
271
? Morele identiteit
115
-
272
? Motivatie
115
-
273
? Motivating potential score (MPS)
116
-
274
? Motivatoren (Herzberg)
116
-
275
? Multi-teamsystemen
116
-
276
? Myers-Briggs Type Indicator (MBTI)
117
-
277
? Mythe van rationaliteit
117
-
278
? Narcisme
118
-
279
? Operante conditioneringstheorie
118
-
280
? Oppervlakte-acteren
119
-
281
? Opwaartse communicatie
119
-
282
? Organisatie
119
-
283
? Organisatiebinding
120
-
284
? Organisatiecultuur
120
-
285
? Organisatiedemografische theorie
121
-
286
? Organisatieklimaat
121
-
287
? Organisatieontwikkeling (OO)
121
-
288
? Organisatierechtvaardigheid
122
-
289
? Organisatiestructuur
122
-
290
? Organisch model
123
-
291
? Overleven van de organisatie
123
-
292
? Overtuigen
124
-
293
? Pad-doeltheorie
124
-
294
? Paradoxtheorie
124
-
295
? Participeren
125
-
296
? Passief affect
125
-
297
? Passieve stemming
126
-
298
? Perceptie
126
-
299
? Performing
126
-
300
? Natuurlijke werkeenheden
127
-
301
? Neerwaartse communicatie
127
-
302
? Negatief affect
128
-
303
? Negatief zelfbeeld
128
-
304
? Neutralisatoren
129
-
305
? Nominale groepstechniek
129
-
306
? Non-verbale communicatie
129
-
307
? Normen
130
-
308
? Norming
130
-
309
? Omgeving
131
-
310
? Omgevingsbenadering
131
-
311
? Omgevingscapaciteit
131
-
312
? Omgevingscomplexiteit
132
-
313
? Omgevingsveranderlijkheid
132
-
314
? Onderbroken-evenwichtmodel
133
-
315
? Onderhandelen
133
-
316
? Ondernemingsraad (OR)
134
-
317
? Ondersteunend leiderschap
134
-
318
? Ongewenst gedrag op het werk
134
-
319
? Ongewenst werkgedrag
135
-
320
? Ontkenning van toeval
135
-
321
? Onzekerheidsvermijding
136
-
322
REINFORCEMENT-THEORIE
136
-
323
Een medewerker krijgt direct een bonus na goed presteren waardoor hij dit gedrag herhaalt.
136
-
324
A. Sociale leertheorie
136
-
325
B. Reinforcement-theorie
136
-
326
C. Doelstellingstheorie
136
-
327
Antwoord: B
136
-
328
RELATIECONFLICT
136
-
329
Teamleden botsen persoonlijk en hebben irritaties over karaktereigenschappen.
136
-
330
A. Taakconflict
136
-
331
B. Procesconflict
136
-
332
C. Relatieconflict
137
-
333
Antwoord: C
137
-
334
RELATIEGERICHTE LEIDERSCHAPSSTIJL
137
-
335
Een leidinggevende toont veel aandacht voor welzijn van medewerkers.
137
-
336
A. Productiegerichte stijl
137
-
337
B. Relatiegerichte stijl
137
-
338
C. Autocratische stijl
137
-
339
Antwoord: B
137
-
340
RELATIONEEL TAAKONTWERP
137
-
341
Een verpleegkundige ziet direct het effect van haar werk op patiënten.
137
-
342
A. Taakverrijking
137
-
343
B. Relationeel taakontwerp
137
-
344
C. Functieroulatie
137
-
345
Antwoord: B
137
-
346
REORGANISATIE
137
-
347
Een organisatie voegt afdelingen samen en schrapt managementlagen.
137
-
348
A. Herstructurering
137
-
349
B. Reorganisatie
137
-
350
C. Re-engineering
137
-
351
Antwoord: B
137
-
352
RISICOMIJDING
137
-
353
Een manager kiest een veilige optie met lagere opbrengst.
138
-
354
A. Risicobereidheid
138
-
355
B. Risicomijding
138
-
356
C. Promotiefocus
138
-
357
Antwoord: B
138
-
358
RITUEEL
138
-
359
Elke maandag start het team met een vaste weekopening.
138
-
360
A. Norm
138
-
361
B. Ritueel
138
-
362
C. Procedure
138
-
363
Antwoord: B
138
-
364
ROL
138
-
365
Een manager wordt geacht beslissingen te nemen en leiding te geven.
138
-
366
A. Status
138
-
367
B. Rol
138
-
368
C. Macht
138
-
369
Antwoord: B
138
-
370
ROLCONFLICT
138
-
371
Een medewerker krijgt tegenstrijdige verwachtingen van twee leidinggevenden.
138
-
372
A. Rolambiguïteit
138
-
373
B. Rolconflict
138
-
374
C. Statusincongruentie
138
-
375
Antwoord: B
139
-
376
ROLCULTUUR
139
-
377
Gedrag wordt sterk bepaald door regels en procedures.
139
-
378
A. Taakcultuur
139
-
379
B. Rolcultuur
139
-
380
C. Persooncultuur
139
-
381
Antwoord: B
139
-
382
ROLEISEN
139
-
383
De druk die ontstaat door verwachtingen verbonden aan een functie.
139
-
384
A. Rolperceptie
139
-
385
B. Roleisen
139
-
386
C. Rolconflict
139
-
387
Antwoord: B
139
-
388
ROLPERCEPTIE
139
-
389
Hoe iemand denkt dat hij zich moet gedragen in zijn functie.
139
-
390
A. Rolperceptie
139
-
391
B. Rolverwachting
139
-
392
C. Status
139
-
393
Antwoord: A
139
-
394
ROLVERWACHTINGEN
139
-
395
Wat anderen verwachten van iemands gedrag.
139
-
396
A. Rolperceptie
140
-
397
B. Rolverwachtingen
140
-
398
C. Norm
140
-
399
Antwoord: B
140
-
400
RUIL
140
-
401
Een manager belooft promotie in ruil voor steun.
140
-
402
A. Rationele overreding
140
-
403
B. Ruil
140
-
404
C. Druk
140
-
405
Antwoord: B
140
-
406
SCHRIFTELIJKE COMMUNICATIE
140
-
407
Een beleidswijziging wordt via e-mail gecommuniceerd.
140
-
408
A. Mondelinge communicatie
140
-
409
B. Schriftelijke communicatie
140
-
410
C. Non-verbale communicatie
140
-
411
Antwoord: B
140
-
412
SEKSUELE INTIMIDATIE OP HET WERK
140
-
413
Ongewenste seksuele opmerkingen richting collega.
140
-
414
A. Discriminatie
140
-
415
B. Seksuele intimidatie
140
-
416
C. Stereotypering
140
-
417
Antwoord: B
140
-
418
SELECTIEFASE
141
-
419
Kandidaten worden beoordeeld in sollicitatiegesprekken.
141
-
420
A. Socialisatiefase
141
-
421
B. Selectiefase
141
-
422
C. Oriëntatiefase
141
-
423
Antwoord: B
141
-
424
SELECTIEVE PERCEPTIE
141
-
425
Iemand ziet vooral informatie die past bij zijn overtuigingen.
141
-
426
A. Confirmatiebias
141
-
427
B. Selectieve perceptie
141
-
428
C. Halo-effect
141
-
429
Antwoord: B
141
-
430
SELF-EFFICACYTHEORIE
141
-
431
Motivatie hangt af van het geloof dat men de taak aankan.
141
-
432
A. Zelfwaardering
141
-
433
B. Self-efficacytheorie
141
-
434
C. Prestatiebehoefte
141
-
435
Antwoord: B
141
-
436
SELF-MONITORING
141
-
437
Iemand past zijn gedrag sterk aan per situatie.
141
-
438
A. Self-monitoring
141
-
439
B. Authenticiteit
142
-
440
C. Stereotypering
142
-
441
Antwoord: A
142
-
442
SENSITIVITEITSTRAINING
142
-
443
Groepstraining gericht op gedragsverandering via interactie.
142
-
444
A. Coaching
142
-
445
B. Sensitiviteitstraining
142
-
446
C. Teambuilding
142
-
447
Antwoord: B
142
-
448
TEAMCOHESIE
142
-
449
Teamleden voelen zich sterk verbonden en loyaal.
142
-
450
A. Teamidentiteit
142
-
451
B. Teamcohesie
142
-
452
C. Teamstructuur
142
-
453
Antwoord: B
142
-
454
TEAMEFFECTIVITEIT
142
-
455
Een team produceert betere resultaten dan andere teams.
142
-
456
A. Teamcohesie
142
-
457
B. Teameffectiviteit
142
-
458
C. Proceswinst
142
-
459
Antwoord: B
142
-
460
TEAMIDENTITEIT
143
-
461
Gevoel van verbondenheid met het eigen team.
143
-
462
A. Teamcohesie
143
-
463
B. Teamidentiteit
143
-
464
C. Sociale identiteit
143
-
465
Antwoord: B
143
-
466
TEAMSELECTIE
143
-
467
Het kiezen van teamleden die passen bij taak en doel.
143
-
468
A. Teamontwikkeling
143
-
469
B. Teamselectie
143
-
470
C. Socialisatie
143
-
471
Antwoord: B
143
-
472
TEAMSTRUCTUUR
143
-
473
Verticale grenzen verdwijnen en teams krijgen meer verantwoordelijkheid.
143
-
474
A. Matrixstructuur
143
-
475
B. Teamstructuur
143
-
476
C. Functionele structuur
143
-
477
Antwoord: B
143
-
478
TECHNOLOGIE
143
-
479
De manier waarop input wordt omgezet in output.
143
-
480
A. Strategie
143
-
481
B. Technologie
143
-
482
C. Structuur
144
-
483
Antwoord: B
144
-
484
TELEWERKEN
144
-
485
Werknemers werken minimaal twee dagen per week op afstand.
144
-
486
A. Flexwerk
144
-
487
B. Telewerken
144
-
488
C. Hybride werken
144
-
489
Antwoord: B
144
-
490
TEVREDENHEID MET HET LEVEN
144
-
491
Mate waarin werk en privé aansluiten bij persoonlijke behoeften.
144
-
492
A. Werktevredenheid
144
-
493
B. Levensvoldoening
144
-
494
C. Tevredenheid met het leven
144
-
495
Antwoord: C
144
-
496
THEORIE VAN CHARISMATISCH LEIDERSCHAP
144
-
497
Leiders krijgen invloed door buitengewone kwaliteiten.
144
-
498
A. Transformationeel leiderschap
144
-
499
B. Theorie van charismatisch leiderschap
144
-
500
C. Situationeel leiderschap
144
-
501
Antwoord: B
144
-
502
THEORIE VAN PARTICIPATIEF LEIDERSCHAP
144
-
503
Medewerkers krijgen inspraak in besluitvorming.
145
-
504
A. Autocratisch leiderschap
145
-
505
B. Participatief leiderschap
145
-
506
C. Directief leiderschap
145
-
507
Antwoord: B
145
-
508
THEORIE VAN STATUSKENMERKEN
145
-
509
Status komt voort uit macht, bijdrage of kenmerken.
145
-
510
A. Roltheorie
145
-
511
B. Statuskenmerktheorie
145
-
512
C. Sociale identiteit
145
-
513
Antwoord: B
145
-
514
THEORIE VAN SITUATIONEEL LEIDERSCHAP
145
-
515
Effectieve stijl hangt af van situatie en medewerker.
145
-
516
A. Universele leiderschapstheorie
145
-
517
B. Theorie van situationeel leiderschap
145
-
518
C. Gedragstheorie
145
-
519
Antwoord: B
145
-
520
THEORIE X
145
-
521
Leiders verwachten dat werknemers lui zijn.
145
-
522
A. Theorie X
145
-
523
B. Theorie Y
145
-
524
C. Theorie Z
145
-
525
Antwoord: A
146
-
526
THEORIE Y
146
-
527
Leiders verwachten dat werknemers gemotiveerd zijn.
146
-
528
A. Theorie X
146
-
529
B. Theorie Y
146
-
530
C. Theorie Z
146
-
531
Antwoord: B
146
-
532
TIMEMANAGEMENT
146
-
533
Technieken om werk binnen beschikbare tijd te plannen.
146
-
534
A. Werkstructurering
146
-
535
B. Timemanagement
146
-
536
C. Taakverdeling
146
-
537
Antwoord: B
146
-
538
TOEGEPASTE WETENSCHAP
146
-
539
Wetenschappelijke kennis toepassen in praktijksituaties.
146
-
540
A. Fundamentele wetenschap
146
-
541
B. Toegepaste wetenschap
146
-
542
C. Theorieontwikkeling
146
-
543
Antwoord: B
146
-
544
TRAINING IN TEAMVAARDIGHEDEN
146
-
545
Oefenen van samenwerking en communicatie in teams.
146
-
546
A. Teambuilding
147
-
547
B. Training in teamvaardigheden
147
-
548
C. Coaching
147
-
549
Antwoord: B
147
-
550
TRANSACTIONEEL LEIDERSCHAP
147
-
551
Leidinggeven via beloning en taakverduidelijking.
147
-
552
A. Transformationeel leiderschap
147
-
553
B. Transactioneel leiderschap
147
-
554
C. Charismatisch leiderschap
147
-
555
Antwoord: B
147
-
556
TRANSFORMATIONEEL LEIDERSCHAP
147
-
557
Leiders inspireren medewerkers boven eigen belang uit te stijgen.
147
-
558
A. Transactioneel leiderschap
147
-
559
B. Transformationeel leiderschap
147
-
560
C. Directief leiderschap
147
-
561
Antwoord: B
147
-
562
TREKKERS
147
-
563
Projectleiders die verantwoordelijk zijn voor verandertrajecten.
147
-
564
A. Sponsors
147
-
565
B. Trekkers
147
-
566
C. Regisseurs
147
-
567
Antwoord: B
147
-
568
TWEEFACTORENTHEORIE
148
-
569
Werktevredenheid komt door intrinsieke factoren, ontevredenheid door extrinsieke.
148
-
570
A. Maslow
148
-
571
B. Tweefactorentheorie
148
-
572
C. Expectancytheorie
148
-
573
Antwoord: B
148
-
574
1. Stress
148
-
575
Stress is:
148
-
576
A. Een stabiele persoonlijkheidstrek
148
-
577
B. Een dynamische situatie met eisen of kansen die belangrijk en onzeker zijn
148
-
578
C. Altijd negatief
148
-
579
Antwoord: B
148
-
580
2. Structuurinitiatief
148
-
581
Structuurinitiatief betekent dat een leider:
148
-
582
A. Veel aandacht heeft voor relaties
148
-
583
B. Taken en rollen duidelijk definieert en structureert
148
-
584
C. Geen controle uitoefent
148
-
585
Antwoord: B
148
-
586
3. Stukloon
148
-
587
Stukloon is:
148
-
588
A. Een vast maandsalaris
148
-
589
B. Beloning per geproduceerde eenheid
148
-
590
C. Een teambonus
149
-
591
Antwoord: B
149
-
592
4. Subcultuur
149
-
593
Een subcultuur is:
149
-
594
A. De dominante cultuur
149
-
595
B. Een tegenbeweging
149
-
596
C. Specifieke waarden en opvattingen van een groep binnen de organisatie
149
-
597
Antwoord: C
149
-
598
5. Symbolen
149
-
599
Symbolen in organisaties geven informatie over:
149
-
600
A. Alleen winstcijfers
149
-
601
B. Sfeer, machtsverhoudingen en waarden
149
-
602
C. Functiebeschrijvingen
149
-
603
Antwoord: B
149
-
604
6. Synergie van een team
149
-
605
Synergie betekent dat:
149
-
606
A. Teamleden individueel beter presteren
149
-
607
B. De groepsprestatie groter is dan de som van individuele bijdragen
149
-
608
C. Conflicten afnemen
149
-
609
Antwoord: B
149
-
610
7. Systematisch onderzoek
149
-
611
Systematisch onderzoek is:
150
-
612
A. Intuïtief beslissen
150
-
613
B. Gestructureerd en transparant onderzoeken van verbanden
150
-
614
C. Alleen enquêtes afnemen
150
-
615
Antwoord: B
150
-
616
8. Taakbelang
150
-
617
Taakbelang verwijst naar:
150
-
618
A. Salarisniveau
150
-
619
B. De invloed van het werk op anderen
150
-
620
C. De moeilijkheidsgraad
150
-
621
Antwoord: B
150
-
622
9. Taakconflict
150
-
623
Taakconflict gaat over:
150
-
624
A. Persoonlijke spanningen
150
-
625
B. De inhoud en doelen van het werk
150
-
626
C. Organisatiestructuur
150
-
627
Antwoord: B
150
-
628
10. Taakcultuur
150
-
629
In een taakcultuur staat centraal:
150
-
630
A. Regels
150
-
631
B. Hiërarchie
150
-
632
C. Het gezamenlijk realiseren van een doel
150
-
633
Antwoord: C
151
-
634
11. Taakeisen
151
-
635
Taakeisen hebben betrekking op:
151
-
636
A. De persoonlijkheid van medewerkers
151
-
637
B. Ontwerp en inhoud van het werk
151
-
638
C. De organisatiestructuur
151
-
639
Antwoord: B
151
-
640
12. Taakgerichte leiderschapsstijl
151
-
641
Deze stijl legt nadruk op:
151
-
642
A. Relaties
151
-
643
B. Structuur en productiviteit
151
-
644
C. Participatie
151
-
645
Antwoord: B
151
-
646
13. Taakgroep
151
-
647
Een taakgroep is:
151
-
648
A. Een informele vriendengroep
151
-
649
B. Een formele groep met een specifieke opdracht
151
-
650
C. Een subcultuur
151
-
651
Antwoord: B
151
-
652
14. Taakidentiteit
151
-
653
Taakidentiteit betekent:
151
-
654
A. Werken in team
152
-
655
B. Een volledig en herkenbaar stuk werk afronden
152
-
656
C. Autonomie
152
-
657
Antwoord: B
152
-
658
15. Taakkenmerkenmodel
152
-
659
Volgens dit model wordt werk motiverender door o.a.:
152
-
660
A. Controle
152
-
661
B. Vijf kernkenmerken zoals autonomie en feedback
152
-
662
C. Salarisverhoging
152
-
663
Antwoord: B
152
-
664
16. Taakroulatie
152
-
665
Taakroulatie is:
152
-
666
A. Taken uitbreiden
152
-
667
B. Taken periodiek wisselen
152
-
668
C. Taken combineren
152
-
669
Antwoord: B
152
-
670
17. Taakspecialisatie
152
-
671
Taakspecialisatie betekent:
152
-
672
A. Brede inzetbaarheid
152
-
673
B. Werk opdelen in kleine deeltaken
152
-
674
C. Meer autonomie
152
-
675
Antwoord: B
152
-
676
18. Taakstructuur
153
-
677
Taakstructuur verwijst naar:
153
-
678
A. De mate van structurering van taken
153
-
679
B. Cultuur
153
-
680
C. Salaris
153
-
681
Antwoord: A
153
-
682
19. Taakverbreding (taakverruiming)
153
-
683
Dit houdt in:
153
-
684
A. Meer hiërarchie
153
-
685
B. Meer variatie door extra taken toe te voegen
153
-
686
C. Meer controle
153
-
687
Antwoord: B
153
-
688
20. Taakverrijking
153
-
689
Taakverrijking betekent:
153
-
690
A. Meer salaris
153
-
691
B. Meer diepgang, verantwoordelijkheid en autonomie
153
-
692
C. Minder taken
153
-
693
Antwoord: B
153
-
694
21. Taal en jargon
153
-
695
Taal en jargon zorgen voor:
153
-
696
A. Verwarring
153
-
697
B. Onderscheid tussen in- en outgroup
154
-
698
C. Minder communicatie
154
-
699
Antwoord: B
154
-
700
22. Taken combineren
154
-
701
Taken combineren betekent:
154
-
702
A. Taken schrappen
154
-
703
B. Kleine taken samenvoegen tot grotere modules
154
-
704
C. Taken rouleren
154
-
705
Antwoord: B
154
-
706
23. Team
154
-
707
Een team is:
154
-
708
A. Elke groep mensen
154
-
709
B. Een groep die samenwerkt aan een gemeenschappelijk doel
154
-
710
C. Een afdeling
154
-
711
Antwoord: B
154
-
712
24. Teambeloning
154
-
713
Teambeloning stimuleert:
154
-
714
A. Individuele competitie
154
-
715
B. Gewenst teamgedrag via gezamenlijke beloning
154
-
716
C. Hiërarchie
154
-
717
Antwoord: B
154
-
718
25. Teambuilding
155
-
719
Teambuilding is gericht op:
155
-
720
A. Controle
155
-
721
B. Vertrouwen en samenwerking versterken
155
-
722
C. Individuele prestaties
155
-
723
Antwoord: B
155
-
724
26. Visie
155
-
725
Visie is:
155
-
726
A. Een jaarplanning
155
-
727
B. Een ambitieus toekomstbeeld van de organisatie
155
-
728
C. Een missieverklaring
155
-
729
Antwoord: B
155
-
730
27. Voorbeeldig werkgedrag
155
-
731
Voorbeeldig werkgedrag is:
155
-
732
A. Gedrag buiten de formele taak dat bijdraagt aan effectiviteit
155
-
733
B. Alleen taakuitvoering
155
-
734
C. Afwijkend gedrag
155
-
735
Antwoord: A
155
-
736
28. Vriendengroep
155
-
737
Een vriendengroep ontstaat op basis van:
155
-
738
A. Formele structuur
155
-
739
B. Gemeenschappelijke kenmerken en vriendschap
155
-
740
C. Taakverdeling
156
-
741
Antwoord: B
156
-
742
29. Waarden
156
-
743
Waarden zijn:
156
-
744
A. Tijdelijke voorkeuren
156
-
745
B. Duurzame overtuigingen over wat belangrijk is
156
-
746
C. Regels
156
-
747
Antwoord: B
156
-
748
30. Waardensysteem
156
-
749
Een waardensysteem is:
156
-
750
A. Salarissysteem
156
-
751
B. Rangorde van persoonlijke waarden
156
-
752
C. Organigram
156
-
753
Antwoord: B
156
-
754
31. Waargenomen steun van de organisatie (WSO)
156
-
755
WSO betekent:
156
-
756
A. De mate waarin medewerkers steun van collega’s ervaren
156
-
757
B. De mate waarin medewerkers denken dat de organisatie om hen geeft
156
-
758
C. De mate van controle
156
-
759
Antwoord: B
156
-
760
32. Webcareteam
156
-
761
Een webcareteam:
157
-
762
A. Beheert interne communicatie
157
-
763
B. Reageert online op vragen en klachten
157
-
764
C. Doet HR-taken
157
-
765
Antwoord: B
157
-
766
33. Weerstand
157
-
767
Weerstand is:
157
-
768
A. Altijd negatief
157
-
769
B. Kracht die verandering blokkeert
157
-
770
C. Motivatie
157
-
771
Antwoord: B
157
-
772
34. Weerstandpunt (BAZO)
157
-
773
BAZO is:
157
-
774
A. Beste alternatief zonder overeenkomst
157
-
775
B. Minimale salarisgrens
157
-
776
C. Eindbod
157
-
777
Antwoord: A
157
-
778
35. Werkbetrokkenheid
157
-
779
Werkbetrokkenheid betekent:
157
-
780
A. Alleen tevredenheid
157
-
781
B. Identificatie met werk en inzet tonen
157
-
782
C. Werkdruk
157
-
783
Antwoord: B
158
-
784
36. Werkgroep
158
-
785
Een werkgroep:
158
-
786
A. Heeft een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor eindresultaat
158
-
787
B. Wisselt informatie uit zonder gezamenlijke prestatieverantwoordelijkheid
158
-
788
C. Is informeel
158
-
789
Antwoord: B
158
-
790
37. Werknemergerichte leiders
158
-
791
Deze leiders focussen op:
158
-
792
A. Structuur
158
-
793
B. Productie
158
-
794
C. Interpersoonlijke relaties
158
-
795
Antwoord: C
158
-
796
38. Werknemersbetrokkenheid
158
-
797
Dit betekent:
158
-
798
A. Alleen meebeslissen
158
-
799
B. Actieve participatie van werknemers in organisatieprocessen
158
-
800
C. Loyaliteit
158
-
801
Antwoord: B
158
-
802
39. Werknemerscommissaris
158
-
803
Een werknemerscommissaris:
158
-
804
A. Vertegenwoordigt aandeelhouders
159
-
805
B. Vertegenwoordigt werknemers in de Raad van Commissarissen
159
-
806
C. Is HR-manager
159
-
807
Antwoord: B
159
-
808
40. Werkomstandigheden
159
-
809
Werkomstandigheden omvatten:
159
-
810
A. Alleen fysieke omgeving
159
-
811
B. Fysieke, sociale en psychologische factoren
159
-
812
C. Alleen salaris
159
-
813
Antwoord: B
159
-
814
41. Werkstructurering
159
-
815
Werkstructurering verwijst naar:
159
-
816
A. Organiseren van taken en werkzaamheden
159
-
817
B. Organisatiecultuur
159
-
818
C. Beloningssystemen
159
-
819
Antwoord: A
159
-
820
42. Werktevredenheid
159
-
821
Werktevredenheid is:
159
-
822
A. Objectieve prestatie
159
-
823
B. Attitude tegenover werk en organisatie
159
-
824
C. Werkdruk
159
-
825
Antwoord: B
159
-
826
43. Wervingsfase
160
-
827
De wervingsfase is:
160
-
828
A. Selecteren
160
-
829
B. Kandidaten aantrekken
160
-
830
C. Contract tekenen
160
-
831
Antwoord: B
160
-
832
44. Wiel
160
-
833
Het wiel is:
160
-
834
A. Een cultuurtype
160
-
835
B. Communicatienetwerk met centrale leider
160
-
836
C. Een teamstructuur zonder leider
160
-
837
Antwoord: B
160
-
838
45. Wijsheid achteraf
160
-
839
Wijsheid achteraf is:
160
-
840
A. Realistische voorspelling
160
-
841
B. De neiging te denken dat je iets vooraf al wist
160
-
842
C. Selectieve perceptie
160
-
843
Antwoord: B
160
-
844
46. Wij-groep (ingroep)
160
-
845
De wij-groep is:
160
-
846
A. Alle medewerkers
160
-
847
B. De groep waartoe men zichzelf rekent
161
-
848
C. Het management
161
-
849
Antwoord: B
161
-
850
1. Wat wordt bedoeld met Uitdagingsstress?
161
-
851
A. Stress door conflicten met collega’s
161
-
852
B. Stress door nieuwe of grote uitdagingen in het werk
161
-
853
C. Stress door gebrek aan werk
161
-
854
Antwoord: B
161
-
855
2. Wat houdt Utilitarisme in?
161
-
856
A. Het maximaliseren van winst
161
-
857
B. Het meeste nut voor zo veel mogelijk mensen
161
-
858
C. Gelijkheid in beloning
161
-
859
Antwoord: B
161
-
860
3. Wat is een Variabel beloningssysteem?
161
-
861
A. Salaris dat jaarlijks vast stijgt
161
-
862
B. Beloning afhankelijk van prestaties
161
-
863
C. Alleen groepsbeloning
161
-
864
Antwoord: B
161
-
865
4. Wat betekent Variatie in vaardigheden?
161
-
866
A. Werken met meerdere collega’s
161
-
867
B. Het werk vraagt verschillende vaardigheden
161
-
868
C. Taakroulatie
161
-
869
Antwoord: B
162
-
870
5. Wat zijn Veranderingsinstrumenten?
162
-
871
A. Beloningssystemen
162
-
872
B. Interventies om weerstand tegen verandering te verminderen
162
-
873
C. Selectieprocedures
162
-
874
Antwoord: B
162
-
875
6. Wat is Verandervemogen?
162
-
876
A. Financiële ruimte voor verandering
162
-
877
B. Het vermogen van een organisatie om actief veranderingen door te voeren
162
-
878
C. Macht van leidinggevenden
162
-
879
Antwoord: B
162
-
880
7. Wat betekent Verankeren (fixatie op eerste indruk)?
162
-
881
A. Altijd positief denken
162
-
882
B. Nieuwe informatie negeren na eerste oordeel
162
-
883
C. Snel beslissen
162
-
884
Antwoord: B
162
-
885
8. Wat is Verdelende rechtvaardigheid?
162
-
886
A. Eerlijkheid van procedures
162
-
887
B. Eerlijkheid van uitkomsten zoals salaris
162
-
888
C. Eerlijk leiderschap
162
-
889
Antwoord: B
162
-
890
9. Wat zijn Verhalen over helden?
163
-
891
A. Officiële missieverklaringen
163
-
892
B. Anekdotes die cultuurwaarden versterken
163
-
893
C. Trainingsprogramma’s
163
-
894
Antwoord: B
163
-
895
10. Wat is Verloop?
163
-
896
A. Wisseling van functies
163
-
897
B. Het (ongewenst) vertrekken van medewerkers
163
-
898
C. Interne promotie
163
-
899
Antwoord: B
163
-
900
11. Wat betekent Vermogen?
163
-
901
A. Salarisniveau
163
-
902
B. Capaciteit om taken uit te voeren
163
-
903
C. Motivatie
163
-
904
Antwoord: B
163
-
905
12. Wat is Vertekening uit eigenbelang?
163
-
906
A. Anderen de schuld geven
163
-
907
B. Successen aan jezelf toeschrijven, mislukkingen aan externe factoren
163
-
908
C. Bescheidenheid
163
-
909
Antwoord: B
163
-
910
13. Wat betekent Verticaal uitbreiden?
164
-
911
A. Meer taken toevoegen
164
-
912
B. Meer verantwoordelijkheden en bevoegdheden geven
164
-
913
C. Teamuitbreiding
164
-
914
Antwoord: B
164
-
915
14. Wat is Vertrouwen?
164
-
916
A. Gehoorzaamheid
164
-
917
B. De bereidheid zich kwetsbaar op te stellen
164
-
918
C. Controle
164
-
919
Antwoord: B
164
-
920
15. Wat zijn Vervangende factoren?
164
-
921
A. Extra managers
164
-
922
B. Factoren die leiderschap deels overbodig maken
164
-
923
C. Bonussen
164
-
924
Antwoord: B
164
-
925
16. Wat is een Verwaarlozingsreactie?
164
-
926
A. Actief protest
164
-
927
B. Passieve en destructieve reactie op onvrede
164
-
928
C. Enthousiasme
164
-
929
Antwoord: B
164
-
930
17. Wat stelt de Verwachtingstheorie?
164
-
931
A. Motivatie komt door beloning alleen
165
-
932
B. Motivatie hangt af van verwachting van succes en beloning
165
-
933
C. Motivatie is aangeboren
165
-
934
Antwoord: B
165
-
935
18. Wat is Verzuim?
165
-
936
A. Vrijwillige overuren
165
-
937
B. Ongeplande afwezigheid tijdens werktijd
165
-
938
C. Vakantie
165
-
939
Antwoord: B
165
-
940
19. Wat is het Vijf fasenmodel?
165
-
941
A. Selectiemodel
165
-
942
B. Model van groepsontwikkeling in vijf fasen
165
-
943
C. Motivatiemodel
165
-
944
Antwoord: B
165
-
945
20. Wat is een Virtuele organisatie?
165
-
946
A. Thuiswerkorganisatie
165
-
947
B. Kleine kernorganisatie die functies uitbesteedt
165
-
948
C. Tijdelijke organisatie
165
-
949
Antwoord: B
165
-
950
21. Wat zijn Virtuele teams?
165
-
951
A. Internationale teams
165
-
952
B. Teams die via technologie samenwerken
166
-
953
C. Zelfsturende teams
166
-
954
Antwoord: B
166
-
955
22. Wat is Winstdeling?
166
-
956
A. Individuele bonus
166
-
957
B. Extra uitkering bij winst voor medewerkers
166
-
958
C. Vast salaris
166
-
959
Antwoord: B
166
-
960
23. Wat zijn Yogyakarta-beginselen?
166
-
961
A. Arbeidswetten
166
-
962
B. Beginselen over mensenrechten m.b.t. seksuele geaardheid en genderidentiteit
166
-
963
C. Leiderschapsregels
166
-
964
Antwoord: B
166
-
965
24. Wat is Zelfbeeld?
166
-
966
A. Hoe anderen je zien
166
-
967
B. Hoe iemand over zichzelf denkt
166
-
968
C. Persoonlijkheidstest
166
-
969
Antwoord: B
166
-
970
25. Wat stelt de Zelfbepalingstheorie?
166
-
971
A. Mensen werken alleen voor geld
166
-
972
B. Mensen willen autonomie ervaren
166
-
973
C. Motivatie is extern
167
-
974
Antwoord: B
167
-
975
26. Wat is Zelfconcordantie?
167
-
976
A. Zelfvertrouwen
167
-
977
B. Doelen die aansluiten bij persoonlijke waarden
167
-
978
C. Zelfcontrole
167
-
979
Antwoord: B
167
-
980
27. Wat is Zelfoverschatting?
167
-
981
A. Realistische inschatting
167
-
982
B. Te optimistisch oordeel over eigen capaciteiten
167
-
983
C. Bescheidenheid
167
-
984
Antwoord: B
167
-
985
28. Wat is Zelfregulering?
167
-
986
A. Overheidscontrole
167
-
987
B. Sectoren die zichzelf reguleren
167
-
988
C. Individuele discipline
167
-
989
Antwoord: B
167
-
990
29. Wat zijn Zelfsturende teams?
167
-
991
A. Teams zonder doelen
167
-
992
B. Teams met veel eigen verantwoordelijkheid
167
-
993
C. Tijdelijke teams
167
-
994
Antwoord: B
168
-
995
30. Wat is een Zelfsturende teamstructuur?
168
-
996
A. Matrixstructuur
168
-
997
B. Organisatie met zelfsturende teams zonder managers
168
-
998
C. Hiërarchische structuur
168
-
999
Antwoord: B
168
-
1000
31. Wat is een Zero-sumbenadering?
168
-
1001
A. Iedereen wint
168
-
1002
B. Winst van de één gaat ten koste van de ander
168
-
1003
C. Gelijke verdeling
168
-
1004
Antwoord: B
168
-
1005
32. Wat is Zinvol werk?
168
-
1006
A. Goed betaald werk
168
-
1007
B. Werk met taakvariatie, taakidentiteit en taakbelang
168
-
1008
C. Kort werk
168
-
1009
Antwoord: B
168
-
1010
33. Wat is een Zwakke organisatiecultuur?
168
-
1011
A. Lage winst
168
-
1012
B. Grote verschillen tussen kernwaarden en gedrag
168
-
1013
C. Veel regels
168
-
1014
Antwoord: B
168
-
1015
34. Wat is de Zij-groep (outgroup)?
169
-
1016
A. Eigen groep
169
-
1017
B. Groep buiten de eigen ingroep
169
-
1018
C. Managementteam
169
-
1019
Antwoord: B
169
-
1020
Meerkeuzevragen (A-B-C)
169
-
1. Emoties
169
-
2. Motivatie
169
-
3. Besluitvorming
170
-
4. Macht
170
-
5. Leiderschap
170
-
6. Cultuur
170
-
7. Groepen
171
-
8. Conflict
171
-
9. Diversiteit
171
-
10. Rechtvaardigheid
172
-
11. Stress
172
-
12. Motivatie
172
-
13. Besluitvorming
173
-
14. Organisatie
173
-
15. Leiderschap
173
-
16. Macht
174
-
17. Emoties
174
-
18. Cultuur
174
-
19. Teams
175
-
20. Rechtvaardigheid
175
-
21. Motivatie
175
-
22. Stress
176
-
23. Besluitvorming
176
-
24. Macht
176
-
25. Organisatie
177
-
26. Leiderschap
177
-
27. Groepen
177
-
28. Diversiteit
178
-
29. Emoties
178
-
30. Conflict
178
-
31. Motivatie
178
-
32. Stress
179
-
33. Besluitvorming
179
-
34. Macht
179
-
35. Cultuur
180
-
36. Teams
180
-
37. Emoties
180
-
38. Organisatie
181
-
39. Conflict
181
-
40. Rechtvaardigheid
181
-
41. Motivatie
182
-
42. Stress
182
-
43. Leiderschap
182
-
44. Macht
183
-
45. Groepen
183
-
46. Cultuur
183
-
47. Organisatie
184
-
48. Emoties
184
-
49. Diversiteit
184
-
50. Besluitvorming
185
-
51. Motivatie
185
-
52. Stress
185
-
53. Leiderschap
185
-
54. Macht
186
-
55. Organisatie
186
-
56. Groepen
186
-
57. Cultuur
187
-
58. Emoties
187
-
59. Besluitvorming
187
-
60. Rechtvaardigheid
188