Samenvatting:
Economische verkenningen
Les 1: inleiding
1. Wat is economie?
Economie = de manier waarop we goederen en diensten produceren en consumeren.
• Goederen = voedsel, kleding, energie, huisvesting, smartphone, ...
• Diensten = op restaurant gaan, naar de kapper gaan, op vakantie gaan, de bus nemen
• Produceren = het maken van goederen en diensten.
• Consumeren = het kopen van goederen en diensten.
2. Micro-economie vs macro-economie
- Micro-economie = kijkt naar de kleinere aspecten van de economie en bestudeert de
beslissingen die mensen en bedrijven nemen over de toewijzing van schaarse middelen
en hoe dit de prijzen van goederen en diensten beïnvloedt.
o Focus = individu/huishouden, onderneming
- Macro-economie is de studie van hele economieën. Het deel van de economie dat zich
bezighoudt met grootschalige of algemene economische factoren en hoe die op elkaar
reageren in economieën.”
o Focus = land, regio, wereld, ...
3. In wat voor economie leven we?
Kapitalisme
• Doel van productie = winst
• Kapitalistische klasse bezit de productiemiddelen <-> arbeidersklasse die arbeid moet
verkopen om te overleven
• Concurrentie belangrijk in arbeidseconomie
Les 2: een korte economische geschiedenis
1. Kapitalisme: de begindagen
1.1. Ontwikkeld in West-Europa (groot-Britannië & Nederlanden)
- Vanaf 16e eeuw
- Gepaard met kolonialisme
- Versnelling door industriële revolutie in de 19e eeuw.
o Textiel (katoen)
o Ijzer
1.2. De arbeidersklasse ontstaat (19e eeuw)
• Lange werkweken (70 à 80 u/w)
• Ziekten en gevaren (longziekten)
, • Lage levensverwachting (luchtvervuiling…)
• Geen stemrecht
2. Kapitalisme: van groei naar oorlog
2.1. 1870-1913: stroomversnelling
• Nieuwe uitvindingen
o Elektrische machines
o Verbrandingsmotoren (motor werkt door verbranding van een brandstof (warmte
komt vrij)
o Kunstmest (alle voedingsstoffen van niet biologische oorsprong, die aan de
bodem worden toegevoegd ter bevordering van de groei van
landbouwgewassen)
• Massaproductie: de lopende band
• Grotere bedrijven (NV met beperkte aansprakelijkheid = gebruikt om schulden af te
betalen)
• Grotere banken
• Centrale banken (belangrijk zodat er niet te veel schulden ontstaan)
2.2. Hervormingen:
• Recht op vereniging (1867)
o Bv. Nationale Federatie van Metaalarbeiders
o MAAR stakingen nog steeds verboden tot 1921
• Zeer langzame verbetering arbeidsomstandigheden
• Sociale bescherming
• Stemrecht
2.3. 1914-1945: de grote beroering
- 1914-1918: WO I
- 1917: Oktoberrevolutie
o vond plaats in november
o communisme (Rusland)
o uitdaging voor kapitalisme
- 1929: Crash of Wall Street
o beurs die in éen dag in elkaar is gestort na vele jaren groei
o veel mensen hun geld kwijt
- Jaren 30: De Grote Depressie
o veel werkloosheid en opkomst nazipartij Duitsland
- 1940-1945: WO II
o door kwetsbare situatie van maatschappij komt radicale partij makkelijker aan de
macht
, 3. De gouden eeuw van het kapitalisme
3.1. 1945-1975 “Les trentes glorieuses”
• Grote economische groei: 4,1% / jaar
• Lage inflatie (rond 4 %)
• Financiële stabiliteit (geen crisis zoals beurs crash)
• Groei van de koopkracht en sociale zekerheid
Sociaal compromis: volledige werkgelegenheid, vakbonden en werkgeverorganisaties maken
afspraken (Sociaal Pact en financiële stabiliteit), uitbouw sociale zekerheid, lonen volgen
productiviteit (stijging en koopkracht stijgt), kapitalisten blijven bepalen
“Ingebed liberalisme”
- Geen vrij kapitaalverkeer: nationale beleidsmakers hebben niet de vrijheid over het
bepalen van de waarde van rente
- Groeiende handel, maar met beperkingen
- Bretton-Woods instellingen (IMF, Wereldbank): internationale instellingen die de
stabiliteit van de economie waarborgen
- Belangrijke rol voor nationale overheden (“gemengde economie”)
3.2. Dekolonisatie
• Korea (1945)
• India (1947)
• Ghana (1957)
• Congo (1960)
4. Neoliberalisme
4.1. De neoliberale contrarevolutie: 1970-?
- Internationaal kapitalisme
- Dalende winstvoeten
- Oliecrisis en stagflatie
- Radicalisering arbeidsklasse (mei ‘68) & sociale bewegingen
- Nieuwe Internationale Economische Orde (1974)
--> Neoliberale contrarevolutie = herstel van macht & winstgevend kapitaal
4.2. Beleid
- Privatisering
- Liberalisering
, - Deregulering
- Flexibilisering
- Restrictief macro-economisch beleid
- Verlaging belastingen op rijken & ondernemingen
4.3. Het einde van de geschiedenis?
- De derde weg
- “Andersglobalisten”
- 9/11/2001 en oorlog in Irak (2003)
Les 3: Grondslagen van de economische benadering & documentaire The
Spirit of ‘45
1. Dominante theorie
Economie = “de wetenschap die menselijk gedrag bestudeert als relatie tussen doelen en
schaarse middelen die op verschillende manieren kunnen wordein aangewend”
Neoklassieke school
“Welvaart is een kwalitatieve maatstaf die meet in welke mate de inzet van schaarse middelen
leidt tot de creatie van economische baten.”
2. Kernbegrippen
2.1. Schaarste
- Schaarste = “het economisch basisprobleem”
- Economie = “de studie van menselijk keuzegedrag onder een bepaalde beperking”
- Beperkte behoeften, maar onbeperkte wensen
o Behoeften = voedsel, huisvesting, warmte, kleding, ...
o Wensen = alles!
o Wensen = muziek, tv, reizen, enz.
- Meeste middelen (geld, arbeid, grondstoffen, ...) zijn beperkt
- Niet iedereen kan gelijktijdig behoeften bevredigen
- Vraag > aanbod
- Keuzes moeten gemaakt worden over hoe schaarse middelen gebruikt worden
- “Elke dag beslissen we of we een goed kopen o.b.v. prijs, kwaliteit, mode en andere
factoren”. “Hoe gaan we geld besteden?”
2.2. Methodologisch individualisme
- Een juiste verklaring van de werkelijkheid vertrekt van individuele motivatie en
individueel gedrag.
Economische verkenningen
Les 1: inleiding
1. Wat is economie?
Economie = de manier waarop we goederen en diensten produceren en consumeren.
• Goederen = voedsel, kleding, energie, huisvesting, smartphone, ...
• Diensten = op restaurant gaan, naar de kapper gaan, op vakantie gaan, de bus nemen
• Produceren = het maken van goederen en diensten.
• Consumeren = het kopen van goederen en diensten.
2. Micro-economie vs macro-economie
- Micro-economie = kijkt naar de kleinere aspecten van de economie en bestudeert de
beslissingen die mensen en bedrijven nemen over de toewijzing van schaarse middelen
en hoe dit de prijzen van goederen en diensten beïnvloedt.
o Focus = individu/huishouden, onderneming
- Macro-economie is de studie van hele economieën. Het deel van de economie dat zich
bezighoudt met grootschalige of algemene economische factoren en hoe die op elkaar
reageren in economieën.”
o Focus = land, regio, wereld, ...
3. In wat voor economie leven we?
Kapitalisme
• Doel van productie = winst
• Kapitalistische klasse bezit de productiemiddelen <-> arbeidersklasse die arbeid moet
verkopen om te overleven
• Concurrentie belangrijk in arbeidseconomie
Les 2: een korte economische geschiedenis
1. Kapitalisme: de begindagen
1.1. Ontwikkeld in West-Europa (groot-Britannië & Nederlanden)
- Vanaf 16e eeuw
- Gepaard met kolonialisme
- Versnelling door industriële revolutie in de 19e eeuw.
o Textiel (katoen)
o Ijzer
1.2. De arbeidersklasse ontstaat (19e eeuw)
• Lange werkweken (70 à 80 u/w)
• Ziekten en gevaren (longziekten)
, • Lage levensverwachting (luchtvervuiling…)
• Geen stemrecht
2. Kapitalisme: van groei naar oorlog
2.1. 1870-1913: stroomversnelling
• Nieuwe uitvindingen
o Elektrische machines
o Verbrandingsmotoren (motor werkt door verbranding van een brandstof (warmte
komt vrij)
o Kunstmest (alle voedingsstoffen van niet biologische oorsprong, die aan de
bodem worden toegevoegd ter bevordering van de groei van
landbouwgewassen)
• Massaproductie: de lopende band
• Grotere bedrijven (NV met beperkte aansprakelijkheid = gebruikt om schulden af te
betalen)
• Grotere banken
• Centrale banken (belangrijk zodat er niet te veel schulden ontstaan)
2.2. Hervormingen:
• Recht op vereniging (1867)
o Bv. Nationale Federatie van Metaalarbeiders
o MAAR stakingen nog steeds verboden tot 1921
• Zeer langzame verbetering arbeidsomstandigheden
• Sociale bescherming
• Stemrecht
2.3. 1914-1945: de grote beroering
- 1914-1918: WO I
- 1917: Oktoberrevolutie
o vond plaats in november
o communisme (Rusland)
o uitdaging voor kapitalisme
- 1929: Crash of Wall Street
o beurs die in éen dag in elkaar is gestort na vele jaren groei
o veel mensen hun geld kwijt
- Jaren 30: De Grote Depressie
o veel werkloosheid en opkomst nazipartij Duitsland
- 1940-1945: WO II
o door kwetsbare situatie van maatschappij komt radicale partij makkelijker aan de
macht
, 3. De gouden eeuw van het kapitalisme
3.1. 1945-1975 “Les trentes glorieuses”
• Grote economische groei: 4,1% / jaar
• Lage inflatie (rond 4 %)
• Financiële stabiliteit (geen crisis zoals beurs crash)
• Groei van de koopkracht en sociale zekerheid
Sociaal compromis: volledige werkgelegenheid, vakbonden en werkgeverorganisaties maken
afspraken (Sociaal Pact en financiële stabiliteit), uitbouw sociale zekerheid, lonen volgen
productiviteit (stijging en koopkracht stijgt), kapitalisten blijven bepalen
“Ingebed liberalisme”
- Geen vrij kapitaalverkeer: nationale beleidsmakers hebben niet de vrijheid over het
bepalen van de waarde van rente
- Groeiende handel, maar met beperkingen
- Bretton-Woods instellingen (IMF, Wereldbank): internationale instellingen die de
stabiliteit van de economie waarborgen
- Belangrijke rol voor nationale overheden (“gemengde economie”)
3.2. Dekolonisatie
• Korea (1945)
• India (1947)
• Ghana (1957)
• Congo (1960)
4. Neoliberalisme
4.1. De neoliberale contrarevolutie: 1970-?
- Internationaal kapitalisme
- Dalende winstvoeten
- Oliecrisis en stagflatie
- Radicalisering arbeidsklasse (mei ‘68) & sociale bewegingen
- Nieuwe Internationale Economische Orde (1974)
--> Neoliberale contrarevolutie = herstel van macht & winstgevend kapitaal
4.2. Beleid
- Privatisering
- Liberalisering
, - Deregulering
- Flexibilisering
- Restrictief macro-economisch beleid
- Verlaging belastingen op rijken & ondernemingen
4.3. Het einde van de geschiedenis?
- De derde weg
- “Andersglobalisten”
- 9/11/2001 en oorlog in Irak (2003)
Les 3: Grondslagen van de economische benadering & documentaire The
Spirit of ‘45
1. Dominante theorie
Economie = “de wetenschap die menselijk gedrag bestudeert als relatie tussen doelen en
schaarse middelen die op verschillende manieren kunnen wordein aangewend”
Neoklassieke school
“Welvaart is een kwalitatieve maatstaf die meet in welke mate de inzet van schaarse middelen
leidt tot de creatie van economische baten.”
2. Kernbegrippen
2.1. Schaarste
- Schaarste = “het economisch basisprobleem”
- Economie = “de studie van menselijk keuzegedrag onder een bepaalde beperking”
- Beperkte behoeften, maar onbeperkte wensen
o Behoeften = voedsel, huisvesting, warmte, kleding, ...
o Wensen = alles!
o Wensen = muziek, tv, reizen, enz.
- Meeste middelen (geld, arbeid, grondstoffen, ...) zijn beperkt
- Niet iedereen kan gelijktijdig behoeften bevredigen
- Vraag > aanbod
- Keuzes moeten gemaakt worden over hoe schaarse middelen gebruikt worden
- “Elke dag beslissen we of we een goed kopen o.b.v. prijs, kwaliteit, mode en andere
factoren”. “Hoe gaan we geld besteden?”
2.2. Methodologisch individualisme
- Een juiste verklaring van de werkelijkheid vertrekt van individuele motivatie en
individueel gedrag.