Histologie
Contents
1. Vergelijk conventionele lichtmicroscopie met de transmissie elektronenmicroscopie (TEM).
Wat kan je met beide technieken onderzoeken? Hoe moet het te onderzoeken weefsel
voorbewerkt worden voor deze methoden en waarom? .............................................................. 4
2. Bespreek de “fixatie” aan de hand van formaldehyde en glutaaraldehyde bij de staalpreparatie
voor histologie. Voor welke histologische methoden worden deze gebruikt? ................................ 4
3. Bespreek de algemene principes van immuunhistochemie. Waarom wordt er gebruik gemaakt
van directe, indirecte en ge-ampificeerde immunohistochemie en immunofluorescentie. Waarom
bestaan deze verschillende afgeleide methoden? ...................................................................... 5
4. Welke verwerkingsstappen doorloopt een weefselstukje tussen resectie tijdens operatie en
diagnostiek middels lichtmicroscopie? Licht iedere stap kort toe. ............................................... 6
5. Geef een overzicht van de verschillende types kleuringen die courant gebruikt worden in de
histologie? Leg kort principe en doel van de diverse types kleuringen uit. Met welke methode zou
je een delende cel kunnen identificeren? ................................................................................... 7
6. Bespreek 3 toepassingen van immunohistochemie en hoe deze kunnen helpen bij
pathologische diagnostiek. ....................................................................................................... 7
7. Bespreek het principe van scanning electronenmicroscopie (SEM). Wat kan je met deze
methode bestuderen?............................................................................................................... 8
8. Bespreek de structuur en componenten van de buitenste plasmamembraan. Welke types van
transport gebeuren er over de membraan? Geef een overzicht. ................................................... 9
9. Bespreek de structuur en functie van celorganellen die door minstens één membraan worden
omgeven. ................................................................................................................................. 9
10. Bespreek de intracellulaire weg die een eiwit voor secretie aflegt. Start vanuit de transcriptie
van het mRNA tot het uitscheiden van het eiwit. ....................................................................... 15
11. Bespreek de structuur en rol van het cytoskelet. ................................................................. 16
12. Beschrijf de diverse vormen van celdood. Hoe beinvloeden deze het immuunsysteem? ....... 18
13. Benoem de verschillende types van cel-cel en cel-matrix verbindingen die in epitheel
voorkomen, en beschrijf hun structuur en functie. Hoe kan er alsnog transport doorheen een
epitheel bekomen worden? ..................................................................................................... 20
14. Hoe veranderen de cellulaire kenmerken van eiwitsecreterende, mucus secreterende en
steroidhormoon producerende kliercellen? Hoe kan een cel haar secreet vrijgeven aan de
omgeving? .............................................................................................................................. 21
15. Bespreek de cellulaire kenmerken/aanpassingen van cellen waar veel ionen doorheen moeten
getransporteerd worden.......................................................................................................... 22
16. Bespreek de algemene structuur van een klier .................................................................... 22
17. Bespreek de algemene opbouw van een steunweefsel en geef de verschillende compenenten
die hier deel van uitmaken....................................................................................................... 23
,18. Bespreek de moleculaire aanmaak van collageen Type I en geef de classificatie van de
fibrillaire types van collageen. Geef ook aan in welke weefsels ze voorkomen............................ 24
19. Bespreek de structurele en moleculaire opbouw van de basale membraan en hoe deze zorgt
voor de verbinding tussen epitheel en het onderliggende weefsel.............................................. 25
20. Bespreek de structuur en moleculaire opbouw van kraakbeenweefsel. Welke types van
kraakbeen gewrichten zijn er? ................................................................................................. 26
21. Bespreek zowel de macroscopische als microscopische structuur en moleculaire opbouw
van haversiaans bot ................................................................................................................ 28
22. Bespreek de mineralisatie (i.e. calcificatie) van botweefsel. Hoe zorgt dit ervoor dat het bot
een dynamisch weefsel wordt? Verklaar aan de hand van de verschillende cellen die erin
aanwezig zijn. ......................................................................................................................... 29
23. Bespreek de moleculaire structuur van pezen en hun aanhechting aan het bot .................... 30
24. Vergelijk hartspierweefsel met skeletspierweefsel op basis van hun histologie en functie. .... 30
25. Bespreek de histologische en ultrastructurele bouw van skeletspierweefsel. Wat is de rol van
de triade in dit systeem? ......................................................................................................... 31
26. Bespreek de histologische en ultrastructurele bouw van hartspierweefsel. Hoe worden de
cellen met elkaar verbonden? ................................................................................................. 34
27. Bespreek de histologische en ultrastructurele bouw van een gladde spiercel. ...................... 35
28. Beschrijf de structuur en ultrastructuur van een neuron. Welke klasses op basis van vorm en
functie zjin er? ........................................................................................................................ 36
29. Beschrijf de opbouw en functie van de myelineschede. Hoe draagt deze structuur bij tot de
functie van de zenuwcel? ........................................................................................................ 37
30. Bespreek de steuncellen (gliale cellen) van het centraal zenuwstelsel (morfologie en functie).
.............................................................................................................................................. 38
31. Geef de algemene opbouw van de cerebrale cortex en vergelijk deze met de cerebellaire
cortex..................................................................................................................................... 39
32. Bespreek de hersenvliezen: positie, histologie. ................................................................... 40
33. Bespreek de bloed-hersen barière: functie en samenstelling. .............................................. 41
34. Bespreek de belangrijkste componenten van het bloed met nadruk op de verschillende cellen
die erin terug te vinden zijn. Teken een voorbeeld van elke soort. .............................................. 42
35. Bespreek de morfologie van de rode bloedcel. Relateer deze morfologie met de functie van de
rode bloedcel. ........................................................................................................................ 43
36. Bespreek de bloedplaatjes: morfologie, ultrastructuur, herkomst, functie. .......................... 44
37. Bespreek de algemene opbouw en functie van het beenmerg. ............................................. 46
38. Bespreek de algemene opbouw van de thymus (anatomie, microscopie, bloedcirculatie). Wat
is de bloed-thymus barrière? Hoe is deze opgebouwd? Wat is de functie hiervan? ..................... 47
39. Teken en bespreek de algemene opbouw van de lymfeklier. Waar bevindt deze zich in het
lymphatisch systeem en wat is de rol? ..................................................................................... 49
40. Teken en bespreek de opbouw van de milt. Hoe draagt deze bij aan de kwaliteit van rode
bloedcellen? .......................................................................................................................... 50
,41. Bespreek de histologie en structuur van neusholte en pharynx. Welke functie spelen deze in
de ademhaling? ...................................................................................................................... 52
42. Bespreek de histologie en structuur van de bovenste luchtwegen startend onder de larynx.
Welke functie spelen deze in de ademhaling? .......................................................................... 54
43. Bespreek de histologie en structuur van de onderste luchtwegen. Hoe draagt deze bij aan de
gasuitwisseling? ..................................................................................................................... 56
44. Bespreek de functie en histologie van de olfactorische mucosa. ......................................... 58
45. Bespreek de histologie van de maag ................................................................................... 59
46. Bespreek de histologie en structuur van de pancreas .......................................................... 61
47. Bespreek de histologie van het spijsverteringskanaal dat niet wordt afgelijnd met functioneel
klierepitheel. Wat is de rol van deze zones?.............................................................................. 63
48. Bespreek de histologie en functie van de dunne darm ......................................................... 65
49. Bespreek de histologie en functie van de dikke darm........................................................... 67
50. Bespreek de functionele opbouw van de lever. Welke functies heeft de lever en hoe zijn de
cellen eraan aangepast? ......................................................................................................... 69
51. Bespreek de bloedvoorziening van de lever. ........................................................................ 71
52. Bespreek de histologie en structuur van de galblaas. Waar komt de gal vandaan en hoe wordt
deze verwerkt in de galblaas. ................................................................................................... 72
53. Bespreek de functie en histologie van de hypofyse .............................................................. 73
54. Bespreek de functie en histologie van de schildklier en de bijschildklier ............................... 75
55. Bespreek de functie en histologie van de bijnier .................................................................. 78
56. Bespreek de histologie en structuur van het nefron. ............................................................ 80
57. Bespreek de histologie en ultrastructuur van de glomerulus. ............................................... 82
58. Bespreek en integreer de algemene vasculaire en tubulaire structuur van de nier ................. 84
59. Bespreek de histologie en structuur van het juxtaglomerulair apparaat ................................ 86
60. Bespreek de histologie en structuur van distale urinewegen en de blaas .............................. 87
61. Bespreek de histologie en structuur van de huid en dermoepidermale junctie ...................... 89
62. bespreek de gelijkenissen en verschillen tussen de dikke en de dunne huid. ........................ 92
63. Bespreek de histologie en structuur van het haarzakje en de zweetklier in de huid ................ 93
, 1. Vergelijk conventionele lichtmicroscopie met de transmissie elektronenmicroscopie (TEM). Wat kan
je met beide technieken onderzoeken? Hoe moet het te onderzoeken weefsel voorbewerkt worden
voor deze methoden en waarom?
Gelijkenissen - Zelfde werking: bundel op staal insturen om 2D beeld te krijgen
- Methode om cel/organisme te bekijken
Verschillen Lichtmicroscoop TEM
Gebruikt bundel van zichtbaar licht Gebruikt elektronenbundel
Tot grootte van 0,2 micrometer (10-6) Tot grootte van 0,1 nanometer (10-9)
Visualisering van levende cellen en moleculen Visualisering ultrastructuur (virussen, DNA,
moleculen, atomen)
Beeld in kleur Beeld in zwart-wit
Weefselpreparatie: Weefselpreparatie:
1) Bewaring (fixeren) 1) Gefixeerde weefsels (met
2) Weefselsneden (coupes) glutaaraldehyde) ingebed in
3) Kleuring expoxyhars
2) Dunne coupes van 1 micrometer
(gesneden met diamand/glasmes)
3) 2e fixatie: fixatie van glutaaraldehyde
(OsO4) kleurt het weefsel
2. Bespreek de “fixatie” aan de hand van formaldehyde en glutaaraldehyde bij de staalpreparatie voor
histologie. Voor welke histologische methoden worden deze gebruikt?
Doel Weefsel (chemische en structurele toestand) zo goed mogelijk bewaren
Principe 1) Weefsel onderdompelen in fixatievloeistof (= fixator)
- Formaldehyde (korte verbindingen)
- Glutaaraldehyde (lange verbindingen)
2) Crosslinking (covalente bindingen met N-terminale groepen)
3) Eiwitten worden vastgehecht aan cytoskelet en interagerende eiwitten
Duur 2 tot 24 uur
Hoeveelheid Maximaal 5x zoveel als weefsel
fixator
Nadelen - Na fixatie zijn er tussenstappen vooraleer je her weefsel kan snijden
1) Parafinnebedding
2) Ontdoen van water met behulp van concentratiegradiënt van alcohol
3) Uitspoeling met xyleen
- DNA en RNA kunnen crosslinken
Genetische analyse is moeilijk/onmogelijk
Methode - Lichtmicroscopie
- Elektronenmicroscopie
Contents
1. Vergelijk conventionele lichtmicroscopie met de transmissie elektronenmicroscopie (TEM).
Wat kan je met beide technieken onderzoeken? Hoe moet het te onderzoeken weefsel
voorbewerkt worden voor deze methoden en waarom? .............................................................. 4
2. Bespreek de “fixatie” aan de hand van formaldehyde en glutaaraldehyde bij de staalpreparatie
voor histologie. Voor welke histologische methoden worden deze gebruikt? ................................ 4
3. Bespreek de algemene principes van immuunhistochemie. Waarom wordt er gebruik gemaakt
van directe, indirecte en ge-ampificeerde immunohistochemie en immunofluorescentie. Waarom
bestaan deze verschillende afgeleide methoden? ...................................................................... 5
4. Welke verwerkingsstappen doorloopt een weefselstukje tussen resectie tijdens operatie en
diagnostiek middels lichtmicroscopie? Licht iedere stap kort toe. ............................................... 6
5. Geef een overzicht van de verschillende types kleuringen die courant gebruikt worden in de
histologie? Leg kort principe en doel van de diverse types kleuringen uit. Met welke methode zou
je een delende cel kunnen identificeren? ................................................................................... 7
6. Bespreek 3 toepassingen van immunohistochemie en hoe deze kunnen helpen bij
pathologische diagnostiek. ....................................................................................................... 7
7. Bespreek het principe van scanning electronenmicroscopie (SEM). Wat kan je met deze
methode bestuderen?............................................................................................................... 8
8. Bespreek de structuur en componenten van de buitenste plasmamembraan. Welke types van
transport gebeuren er over de membraan? Geef een overzicht. ................................................... 9
9. Bespreek de structuur en functie van celorganellen die door minstens één membraan worden
omgeven. ................................................................................................................................. 9
10. Bespreek de intracellulaire weg die een eiwit voor secretie aflegt. Start vanuit de transcriptie
van het mRNA tot het uitscheiden van het eiwit. ....................................................................... 15
11. Bespreek de structuur en rol van het cytoskelet. ................................................................. 16
12. Beschrijf de diverse vormen van celdood. Hoe beinvloeden deze het immuunsysteem? ....... 18
13. Benoem de verschillende types van cel-cel en cel-matrix verbindingen die in epitheel
voorkomen, en beschrijf hun structuur en functie. Hoe kan er alsnog transport doorheen een
epitheel bekomen worden? ..................................................................................................... 20
14. Hoe veranderen de cellulaire kenmerken van eiwitsecreterende, mucus secreterende en
steroidhormoon producerende kliercellen? Hoe kan een cel haar secreet vrijgeven aan de
omgeving? .............................................................................................................................. 21
15. Bespreek de cellulaire kenmerken/aanpassingen van cellen waar veel ionen doorheen moeten
getransporteerd worden.......................................................................................................... 22
16. Bespreek de algemene structuur van een klier .................................................................... 22
17. Bespreek de algemene opbouw van een steunweefsel en geef de verschillende compenenten
die hier deel van uitmaken....................................................................................................... 23
,18. Bespreek de moleculaire aanmaak van collageen Type I en geef de classificatie van de
fibrillaire types van collageen. Geef ook aan in welke weefsels ze voorkomen............................ 24
19. Bespreek de structurele en moleculaire opbouw van de basale membraan en hoe deze zorgt
voor de verbinding tussen epitheel en het onderliggende weefsel.............................................. 25
20. Bespreek de structuur en moleculaire opbouw van kraakbeenweefsel. Welke types van
kraakbeen gewrichten zijn er? ................................................................................................. 26
21. Bespreek zowel de macroscopische als microscopische structuur en moleculaire opbouw
van haversiaans bot ................................................................................................................ 28
22. Bespreek de mineralisatie (i.e. calcificatie) van botweefsel. Hoe zorgt dit ervoor dat het bot
een dynamisch weefsel wordt? Verklaar aan de hand van de verschillende cellen die erin
aanwezig zijn. ......................................................................................................................... 29
23. Bespreek de moleculaire structuur van pezen en hun aanhechting aan het bot .................... 30
24. Vergelijk hartspierweefsel met skeletspierweefsel op basis van hun histologie en functie. .... 30
25. Bespreek de histologische en ultrastructurele bouw van skeletspierweefsel. Wat is de rol van
de triade in dit systeem? ......................................................................................................... 31
26. Bespreek de histologische en ultrastructurele bouw van hartspierweefsel. Hoe worden de
cellen met elkaar verbonden? ................................................................................................. 34
27. Bespreek de histologische en ultrastructurele bouw van een gladde spiercel. ...................... 35
28. Beschrijf de structuur en ultrastructuur van een neuron. Welke klasses op basis van vorm en
functie zjin er? ........................................................................................................................ 36
29. Beschrijf de opbouw en functie van de myelineschede. Hoe draagt deze structuur bij tot de
functie van de zenuwcel? ........................................................................................................ 37
30. Bespreek de steuncellen (gliale cellen) van het centraal zenuwstelsel (morfologie en functie).
.............................................................................................................................................. 38
31. Geef de algemene opbouw van de cerebrale cortex en vergelijk deze met de cerebellaire
cortex..................................................................................................................................... 39
32. Bespreek de hersenvliezen: positie, histologie. ................................................................... 40
33. Bespreek de bloed-hersen barière: functie en samenstelling. .............................................. 41
34. Bespreek de belangrijkste componenten van het bloed met nadruk op de verschillende cellen
die erin terug te vinden zijn. Teken een voorbeeld van elke soort. .............................................. 42
35. Bespreek de morfologie van de rode bloedcel. Relateer deze morfologie met de functie van de
rode bloedcel. ........................................................................................................................ 43
36. Bespreek de bloedplaatjes: morfologie, ultrastructuur, herkomst, functie. .......................... 44
37. Bespreek de algemene opbouw en functie van het beenmerg. ............................................. 46
38. Bespreek de algemene opbouw van de thymus (anatomie, microscopie, bloedcirculatie). Wat
is de bloed-thymus barrière? Hoe is deze opgebouwd? Wat is de functie hiervan? ..................... 47
39. Teken en bespreek de algemene opbouw van de lymfeklier. Waar bevindt deze zich in het
lymphatisch systeem en wat is de rol? ..................................................................................... 49
40. Teken en bespreek de opbouw van de milt. Hoe draagt deze bij aan de kwaliteit van rode
bloedcellen? .......................................................................................................................... 50
,41. Bespreek de histologie en structuur van neusholte en pharynx. Welke functie spelen deze in
de ademhaling? ...................................................................................................................... 52
42. Bespreek de histologie en structuur van de bovenste luchtwegen startend onder de larynx.
Welke functie spelen deze in de ademhaling? .......................................................................... 54
43. Bespreek de histologie en structuur van de onderste luchtwegen. Hoe draagt deze bij aan de
gasuitwisseling? ..................................................................................................................... 56
44. Bespreek de functie en histologie van de olfactorische mucosa. ......................................... 58
45. Bespreek de histologie van de maag ................................................................................... 59
46. Bespreek de histologie en structuur van de pancreas .......................................................... 61
47. Bespreek de histologie van het spijsverteringskanaal dat niet wordt afgelijnd met functioneel
klierepitheel. Wat is de rol van deze zones?.............................................................................. 63
48. Bespreek de histologie en functie van de dunne darm ......................................................... 65
49. Bespreek de histologie en functie van de dikke darm........................................................... 67
50. Bespreek de functionele opbouw van de lever. Welke functies heeft de lever en hoe zijn de
cellen eraan aangepast? ......................................................................................................... 69
51. Bespreek de bloedvoorziening van de lever. ........................................................................ 71
52. Bespreek de histologie en structuur van de galblaas. Waar komt de gal vandaan en hoe wordt
deze verwerkt in de galblaas. ................................................................................................... 72
53. Bespreek de functie en histologie van de hypofyse .............................................................. 73
54. Bespreek de functie en histologie van de schildklier en de bijschildklier ............................... 75
55. Bespreek de functie en histologie van de bijnier .................................................................. 78
56. Bespreek de histologie en structuur van het nefron. ............................................................ 80
57. Bespreek de histologie en ultrastructuur van de glomerulus. ............................................... 82
58. Bespreek en integreer de algemene vasculaire en tubulaire structuur van de nier ................. 84
59. Bespreek de histologie en structuur van het juxtaglomerulair apparaat ................................ 86
60. Bespreek de histologie en structuur van distale urinewegen en de blaas .............................. 87
61. Bespreek de histologie en structuur van de huid en dermoepidermale junctie ...................... 89
62. bespreek de gelijkenissen en verschillen tussen de dikke en de dunne huid. ........................ 92
63. Bespreek de histologie en structuur van het haarzakje en de zweetklier in de huid ................ 93
, 1. Vergelijk conventionele lichtmicroscopie met de transmissie elektronenmicroscopie (TEM). Wat kan
je met beide technieken onderzoeken? Hoe moet het te onderzoeken weefsel voorbewerkt worden
voor deze methoden en waarom?
Gelijkenissen - Zelfde werking: bundel op staal insturen om 2D beeld te krijgen
- Methode om cel/organisme te bekijken
Verschillen Lichtmicroscoop TEM
Gebruikt bundel van zichtbaar licht Gebruikt elektronenbundel
Tot grootte van 0,2 micrometer (10-6) Tot grootte van 0,1 nanometer (10-9)
Visualisering van levende cellen en moleculen Visualisering ultrastructuur (virussen, DNA,
moleculen, atomen)
Beeld in kleur Beeld in zwart-wit
Weefselpreparatie: Weefselpreparatie:
1) Bewaring (fixeren) 1) Gefixeerde weefsels (met
2) Weefselsneden (coupes) glutaaraldehyde) ingebed in
3) Kleuring expoxyhars
2) Dunne coupes van 1 micrometer
(gesneden met diamand/glasmes)
3) 2e fixatie: fixatie van glutaaraldehyde
(OsO4) kleurt het weefsel
2. Bespreek de “fixatie” aan de hand van formaldehyde en glutaaraldehyde bij de staalpreparatie voor
histologie. Voor welke histologische methoden worden deze gebruikt?
Doel Weefsel (chemische en structurele toestand) zo goed mogelijk bewaren
Principe 1) Weefsel onderdompelen in fixatievloeistof (= fixator)
- Formaldehyde (korte verbindingen)
- Glutaaraldehyde (lange verbindingen)
2) Crosslinking (covalente bindingen met N-terminale groepen)
3) Eiwitten worden vastgehecht aan cytoskelet en interagerende eiwitten
Duur 2 tot 24 uur
Hoeveelheid Maximaal 5x zoveel als weefsel
fixator
Nadelen - Na fixatie zijn er tussenstappen vooraleer je her weefsel kan snijden
1) Parafinnebedding
2) Ontdoen van water met behulp van concentratiegradiënt van alcohol
3) Uitspoeling met xyleen
- DNA en RNA kunnen crosslinken
Genetische analyse is moeilijk/onmogelijk
Methode - Lichtmicroscopie
- Elektronenmicroscopie