1. Evolutie
Neo-Darwinisme: Darwin + genetica
• binnen populatie zijn er genetische verschillen ( gevolg van mutaties en recombinaties)
• sommige individuen bezitten combinaties van genen die ervoor zorgen dat hun fitness hoger
is (=welke mate je genen verspreid worden naar volgende generaties)
• daardoor stijgt de frequentie van die genen in de populatie
Evolutie
- werkt in op individuen
- Er zit geen bedoeling in bij evolutie
1. Mechanismen van evolutie
Genetische variatie:
• mutaties bij kopiëren van DNA
• recombinatie tijdens meiose (crossing- over, overerving eigenschapen moeder-vader)
ook nog door:
• incorporatie van virussen in genoom (= vermenging, opnemen)
• horizontale gentransfer (prokaryoten, virussen) (organismen wisselen stukjes genoom uit)
• biotechnologie
Natuurlijke selectie:
• bevoordeelt kenmerken die fitness organisme verhogen
• kenmerk kan veranderen bij individu door verandering DNA à kan nadelig/voordelig zijn
à gewijzigde kenmerk is erfelijk! Voordeel kan doorgegeven worden
• of kenmerk voordelig is of niet: hangt ook af van omgeving!
Seksuele selectie:
• sommige kenmerken nadelig voor overleving maar verhogen kans op voortplanting
• Meer nakomelingen, want vrouwtje aangetrokken tot mooie veren + lange staart man
• Voorkeur erfelijk bepaald
Genetische drift:
• toevallige effecten op wie zich kan voortplanten
à toeval bepaalt of gencombinatie wordt doorgegeven
• gaat over neutrale kenmerken
• vooral belangrijk in kleine populaties
à grotere effecten (speelt rol bij verdwijnen genetische diversiteit)
, 2. Resultaten van evolutie
Micro/macro-evolutie:
• micro-evolutie: natuurlijke selectie zichtbaar aan het werk
o kleine verschillen (geen sprake van nieuwe soort)
o vaak zeer snel zichtbaar
• macro-evolutie:
o langere periode nodig
o belangrijke verschillen in bouwplan (door bv. muaties in regulerende genen)
à kleine verandering in controlegenen kan grote gevolgen hebben
o ontstaan van nieuwe soorten
Ø accumulatie van opeenvolgende micro-evolutieve aanpassingen
Ø evolutie over lange tijd
Ø vooral door mutaties in regel-genen!
In begin micro-evolutie, na verdere tijd kunnen nieuwe soorten ontstaan (dus ook invloed op macro-
niveau)
EVO- DEVO= evolutionairy developmental biology
3. Co-evolutie:
• interacties tussen organismen spelen een rol in evolutie
à in ene soort grote invloed op omgeving andere soort
àSoorten gaan samen evolueren
• twee grote richtingen
o mutualistische symbiose (samenwerking, met wederzijds voordeel)
o wapenwedloop (conflict) tussen bv. prooi-predator, gastheer-parasiet)
Parasier bij gastheer: GH belanrijk om zich te kunnen verdedigen tegen parasiet via
immuunsysteem à parasiet zich daaraan aanpassen (aan IMS) à GH terug aanpassen
à parasitisme belangrijk bij ontiwkkelling seksuele voortplanting
à Variatie zorgt voor verandering in nakomelingen
à Parasitisme dus zeer belanrijk bij evolutie
à =Red Queen-hypothese
Er ontstaan soortspecifieke parasieten, doordat individuen sterk veranderen en
parasieten gaan met hun GH mee ontwikkelen
4. Misverstanden over biologische evolutie
Creationisme:
Argumenten religieus geïnspireerd à staat haaks op argumenten wetenschap
Misverstanden over werkingsmechanismen van biologische evolutie:
“evolutie is enkel kwestie van toeval”
“kans dat door mutaties plotseling ingewikkeld orgaan ontstaat kan praktisch niet”
à kleine opeenvolging van mutaties à complexer geheel kan opgebouwd worden