Les 1 en 2 is voornamelijk de anatomie.
Een meest voorkomend hormoon van de maag is gastrine?
De alvleesklier produceert lipase en amylase, lipase werkt vooral op de vetten? Juist.
De secretine zit voornamelijk in het duodenum? Juist.
Wat maakt de kleur van de ontlasting? Gal en voeding.
Opbouw spijsverteringsstelsel:
- Mondholte.
- Farynx.
- Oeso-fagus.
- Maag.
- Dunne darm.
- Dikke darm.
Accessoire organen:
- Speekselklieren. Afgifte van smerende vloeistof met enzymen die koolhydraten afbreken.
- Lever. Afgifte gal (belangrijk voor vetvertering), opslag van voedingstoffen.
- Galblaas. Opslag en concentreren van gal.
- Pancreas. Exocriene cellen geven buffers en verteringsenzymen af.
,Route van mond tot kont: mondholte – farynx – oesophagus – maag – dunne darm
– dikke darm.
Dunne darm bestaat uit:
- Duodenum: twaalfvingerige darm
- Jejunum: nuchtere darm
- Ileum: kronkeldarm, laatste deel.
In de oesophagus zit glad spierweefsel peristaltische bewegingen.
Alle lichaamssappen zijn exocriene.
Het spijsverteringskanaal Het gastro-intestinaal stelsel
De mond Os
De slokdarm Oeso-fagus
De maag Gaster
De dunne darm Intestinum tenue
De dikke darm Intestinum crassum
Alvleesklier Pancreas
Twaalfvingerige darm Duodenum
Lever Hepar
Nier Ren
Galblaas Vesica fellea
Slikreflex= een automatische reactie van het lichaam die ervoor zorgt dat voedsel,
vloeistoffen en speeksel veilig worden doorgeslikt. Een reflex die optreedt doordat met de
tong voedsel naar de keelholte wordt geduwd.
Pylorusreflex= sluiting van de maagportier.
Reflux= het terugvloeien van de maaginhoud via de slokdarm naar de mond.
Peristaltiek= knijpende beweging van een buisvormig orgaan die ervoor zorgt dat het voedsel
vooruitkomt in het maagdarmstelsel.
Defecatiereflex= ontlastingsreflex.
Hemorroïden= aambeien, opgezwollen bloedvaten in de buurt van de anus.
, Ingestie= het innemen van voedsel en drank.
Mechanische verwerking= fysieke bewerking van vast voedsel, eerst door de tong en de
gebitselementen en nadien door de knedende en mengende bewegingen van het
spijsverteringskanaal.
Vertering= het proces waarbij voedsel dat wordt ingenomen wordt afgebroken en omgezet in
voedingsstoffen die het lichaam kan opnemen en gebruiken voor energie, groei, en herstel.
Secretie= afgifte van water, zuren, enzymen en buffers door het verteringskanaal en door de
accessoire organen.
Opname= de verplaatsing van kleine organische moleculen door het dekweefsel van het
verteringskanaal naar de interstitiële vloeistof rond het spijsverteringskanaal.
Uitscheiding= afvalstoffen en overtollige stoffen uit het bloed of lichaam kwijtraakt.
Peristaltiek stuwt de darminhoud over de lengte van het spijsverteringskanaal door middel
van lengte- en kringspieren.
Papil van Vater= door de alvleesklier loopt de afvoer van de alvleesklier en de galwegen.
Via de kop van de alvleesklier monden deze uit in de twaalfvingerige darm. Die plek heet
de papil van Vater.
Ulcus= een zweer.
Eten in maag twaalfvingerige darm met alle enzymen etc. voedingsstoffen in de
haarvaten van de darmwand opgenomen. Alle haarvaten komen via de poortader
(zuurstofarm) in de lever. Alle goede en schadelijke stoffen komen dus vanuit de maag via de
poortader in de lever en worden daar opgenomen en afgebroken.
Vetten worden alleen afgebroken in het lymfesysteem, niet in de bloedsomloop.
Haal spijsverteringsprocessen / functies spijsverteringsstelsel uit elkaar:
- Ingestie. Het nuttigen van voedsel, het drinken van vloeistoffen.
- Mechanische verwerking. Fysieke bewerking van vast voedsel, eerst door de tong en de
gebitselementen en nadien door de knedende en mengende bewegingen van het
spijsverteringskanaal.
- Vertering. Het proces waarbij voedsel dat wordt ingenomen wordt afgebroken en omgezet
in voedingsstoffen die het lichaam kan opnemen en gebruiken voor energie, groei, en
herstel.
- Secretie. Afgifte van water, zuren, enzymen en buffers door het verteringskanaal en door de
accessoire organen.
- Opname. De verplaatsing van kleine organische moleculen door het dekweefsel van het
verteringskanaal naar de interstitiële vloeistof rond het spijsverteringskanaal.
- Uitscheiding. Afvalstoffen en overtollige stoffen uit het bloed of lichaam kwijtraakt.
Kleine klieren onder de tong geven het enzym linguaal lipase af. Dit enzym begint in de
mondholte met de vertering.
Pepsine= enzym in de maag die helpt eiwitten af te breken tot kleinere fragmenten.
Lipase= enzym in o.a. de alvleesklier en darmen, die zorgt voor de afbraak van vetten of
lipiden in voedsel tot kleinere moleculen.
Amylase= enzym in de alvleesklier en speekselklieren die zorgt voor de afbraak van zetmeel
een koolhydraten tot bv maltose en glucose.
Trypsine= enzym in de alvleesklier die zorgt voor de afbraak van eiwitten in de dunne darm.
Lactase= enzym in de dunne darmwand die zorgt voor de afbraak van lactose, een suiker in
melk, tot glucose en galactose.
Hormonen:
Gastrine= hormoon in de maagwand, stimuleert de afscheiding van maagzuur. Helpt bij de
spijsvertering door voedsel af te breken en pathogene organismen te doden. Dit hormoon
speelt een belangrijke rol bij het reguleren van de maagfunctie en het handhaven van de pH-
balans in de maag.
Een meest voorkomend hormoon van de maag is gastrine?
De alvleesklier produceert lipase en amylase, lipase werkt vooral op de vetten? Juist.
De secretine zit voornamelijk in het duodenum? Juist.
Wat maakt de kleur van de ontlasting? Gal en voeding.
Opbouw spijsverteringsstelsel:
- Mondholte.
- Farynx.
- Oeso-fagus.
- Maag.
- Dunne darm.
- Dikke darm.
Accessoire organen:
- Speekselklieren. Afgifte van smerende vloeistof met enzymen die koolhydraten afbreken.
- Lever. Afgifte gal (belangrijk voor vetvertering), opslag van voedingstoffen.
- Galblaas. Opslag en concentreren van gal.
- Pancreas. Exocriene cellen geven buffers en verteringsenzymen af.
,Route van mond tot kont: mondholte – farynx – oesophagus – maag – dunne darm
– dikke darm.
Dunne darm bestaat uit:
- Duodenum: twaalfvingerige darm
- Jejunum: nuchtere darm
- Ileum: kronkeldarm, laatste deel.
In de oesophagus zit glad spierweefsel peristaltische bewegingen.
Alle lichaamssappen zijn exocriene.
Het spijsverteringskanaal Het gastro-intestinaal stelsel
De mond Os
De slokdarm Oeso-fagus
De maag Gaster
De dunne darm Intestinum tenue
De dikke darm Intestinum crassum
Alvleesklier Pancreas
Twaalfvingerige darm Duodenum
Lever Hepar
Nier Ren
Galblaas Vesica fellea
Slikreflex= een automatische reactie van het lichaam die ervoor zorgt dat voedsel,
vloeistoffen en speeksel veilig worden doorgeslikt. Een reflex die optreedt doordat met de
tong voedsel naar de keelholte wordt geduwd.
Pylorusreflex= sluiting van de maagportier.
Reflux= het terugvloeien van de maaginhoud via de slokdarm naar de mond.
Peristaltiek= knijpende beweging van een buisvormig orgaan die ervoor zorgt dat het voedsel
vooruitkomt in het maagdarmstelsel.
Defecatiereflex= ontlastingsreflex.
Hemorroïden= aambeien, opgezwollen bloedvaten in de buurt van de anus.
, Ingestie= het innemen van voedsel en drank.
Mechanische verwerking= fysieke bewerking van vast voedsel, eerst door de tong en de
gebitselementen en nadien door de knedende en mengende bewegingen van het
spijsverteringskanaal.
Vertering= het proces waarbij voedsel dat wordt ingenomen wordt afgebroken en omgezet in
voedingsstoffen die het lichaam kan opnemen en gebruiken voor energie, groei, en herstel.
Secretie= afgifte van water, zuren, enzymen en buffers door het verteringskanaal en door de
accessoire organen.
Opname= de verplaatsing van kleine organische moleculen door het dekweefsel van het
verteringskanaal naar de interstitiële vloeistof rond het spijsverteringskanaal.
Uitscheiding= afvalstoffen en overtollige stoffen uit het bloed of lichaam kwijtraakt.
Peristaltiek stuwt de darminhoud over de lengte van het spijsverteringskanaal door middel
van lengte- en kringspieren.
Papil van Vater= door de alvleesklier loopt de afvoer van de alvleesklier en de galwegen.
Via de kop van de alvleesklier monden deze uit in de twaalfvingerige darm. Die plek heet
de papil van Vater.
Ulcus= een zweer.
Eten in maag twaalfvingerige darm met alle enzymen etc. voedingsstoffen in de
haarvaten van de darmwand opgenomen. Alle haarvaten komen via de poortader
(zuurstofarm) in de lever. Alle goede en schadelijke stoffen komen dus vanuit de maag via de
poortader in de lever en worden daar opgenomen en afgebroken.
Vetten worden alleen afgebroken in het lymfesysteem, niet in de bloedsomloop.
Haal spijsverteringsprocessen / functies spijsverteringsstelsel uit elkaar:
- Ingestie. Het nuttigen van voedsel, het drinken van vloeistoffen.
- Mechanische verwerking. Fysieke bewerking van vast voedsel, eerst door de tong en de
gebitselementen en nadien door de knedende en mengende bewegingen van het
spijsverteringskanaal.
- Vertering. Het proces waarbij voedsel dat wordt ingenomen wordt afgebroken en omgezet
in voedingsstoffen die het lichaam kan opnemen en gebruiken voor energie, groei, en
herstel.
- Secretie. Afgifte van water, zuren, enzymen en buffers door het verteringskanaal en door de
accessoire organen.
- Opname. De verplaatsing van kleine organische moleculen door het dekweefsel van het
verteringskanaal naar de interstitiële vloeistof rond het spijsverteringskanaal.
- Uitscheiding. Afvalstoffen en overtollige stoffen uit het bloed of lichaam kwijtraakt.
Kleine klieren onder de tong geven het enzym linguaal lipase af. Dit enzym begint in de
mondholte met de vertering.
Pepsine= enzym in de maag die helpt eiwitten af te breken tot kleinere fragmenten.
Lipase= enzym in o.a. de alvleesklier en darmen, die zorgt voor de afbraak van vetten of
lipiden in voedsel tot kleinere moleculen.
Amylase= enzym in de alvleesklier en speekselklieren die zorgt voor de afbraak van zetmeel
een koolhydraten tot bv maltose en glucose.
Trypsine= enzym in de alvleesklier die zorgt voor de afbraak van eiwitten in de dunne darm.
Lactase= enzym in de dunne darmwand die zorgt voor de afbraak van lactose, een suiker in
melk, tot glucose en galactose.
Hormonen:
Gastrine= hormoon in de maagwand, stimuleert de afscheiding van maagzuur. Helpt bij de
spijsvertering door voedsel af te breken en pathogene organismen te doden. Dit hormoon
speelt een belangrijke rol bij het reguleren van de maagfunctie en het handhaven van de pH-
balans in de maag.