Angststoornissen, obsessieve-compulsieve en
gerelateerde stoornissen en trauma) en gerelateerde
stoornissen
1. Angststoornissen
1.1. Angst als symptoom
- Angst = normale reactie op angst opwekkende prikkel (bescherming).
- Pathologische angst = ongewoon intense of langdurige angst die buiten proporties is of
angst zonder angstprikkel.
- Angstklachten verschillend voorkomen bij angststoornissen:
GAD: continue angst met wisselende intensiteit – Specifieke fobie: intermittente
angst in specifieke omstandigheden
Paniekstoornis: intermittente angst, niet gerelateerd aan bep. Omstandigheden
Sociale fobie: intermittente angst in sociale situaties
- Etiologie
Genetische factoren
o 40%: Meer angststoornissen bij familieleden
o Premorbiede gedragsinhibitie of angstgevoeligheid
Psychologische factoren
o Voorkomen van ingrijpende gebeurtenissen
o Vermijding onderhouden van angststoornis
Biologische factoren
o Dorsolaterale PFC, amygdala (emotionele waarde), hippocampus
- Epidemiologie
Lifetime prevalentie: 19%
Vrouwen > mannen
Hoge prevalentie in somatische klinieken: 60% (cardiologie), 10-30% (ORL, pneumo,
neuro)
Hoge co-morbiditeit stemmingsstoornissen en alcohol- en middelenmisbruik
- Behandelingen:
Medicamenteus
o Serotonerge antidepressiva
Start met lage doses en zeer trage opbouw
Bij stop zonder psychotherapie: 50% herval
o Benzodiazepines (vb Alprazolam)
cave afhankelijkheid
in begin van AD, of als geen andere behandeling effectief
, Cognitieve gedragstherapie
o Exposure in vivo of in vitro (in gedachten) + response preventie (veiligheidsgedrag
die angst reduceren, nalaten).
o Identificatie van catastrofale cognities identificeren en uitdagen
Overige
o Sociale vaardigheidstraining
o Applied Relaxation
o Applied tension (bloed/verwonding/injectie): spieren opspannen om niet flauw te
vallen
1.2. Paniekstoornis
- Criteria van een paniekaanval
Een periode van intense angst en ongemak, met 4 of meer van volgende 13
symptomen, acuut opgekomen, met een piek binnen minuten
o Cardiopulmonaal
Hartkloppingen of versnelde hartslag 2. Pijn of ongemak op de borst
Gevoel van ademnood/stikken
Naar adem snakken
o Autonoom
Zweten
Koude rillingen of warmte-opwellingen
o Gastro-intestinaal
Misselijkheid of buikklachten
o Neurologisch
Beven
Duizeligheid, onvastheid, lichthoofdig of gevoelens van flauwvallen
Paresthesieën (doof gevoel of tintelingen)
o Psychologisch
Derealisatie of depersonalisatie
Angst de zelfbeheersing te verliezen of gek worden 13. Angst te sterven
Bij verschillende psychiatrische stoornissen
- DSM 5 diagnostische criteria
Recidiverende onverwachte paniekaanvallen
Na tenminste één van de aanvallen was er ≥ 1 maand ≥ 1 van de volgende
symptomen:
o Voortdurende bezig zijn met of bezorgdheid over het krijgen van een volgende
aanval of over de gevolgen van een aanval (vb. controleverlies, hartaanval, “gek
worden”).
o Belangrijke gedragsverandering in samenhang met de aanvallen
(vermijdingsgedrag: lichamelijke inspanningen, onbekende situaties).
gerelateerde stoornissen en trauma) en gerelateerde
stoornissen
1. Angststoornissen
1.1. Angst als symptoom
- Angst = normale reactie op angst opwekkende prikkel (bescherming).
- Pathologische angst = ongewoon intense of langdurige angst die buiten proporties is of
angst zonder angstprikkel.
- Angstklachten verschillend voorkomen bij angststoornissen:
GAD: continue angst met wisselende intensiteit – Specifieke fobie: intermittente
angst in specifieke omstandigheden
Paniekstoornis: intermittente angst, niet gerelateerd aan bep. Omstandigheden
Sociale fobie: intermittente angst in sociale situaties
- Etiologie
Genetische factoren
o 40%: Meer angststoornissen bij familieleden
o Premorbiede gedragsinhibitie of angstgevoeligheid
Psychologische factoren
o Voorkomen van ingrijpende gebeurtenissen
o Vermijding onderhouden van angststoornis
Biologische factoren
o Dorsolaterale PFC, amygdala (emotionele waarde), hippocampus
- Epidemiologie
Lifetime prevalentie: 19%
Vrouwen > mannen
Hoge prevalentie in somatische klinieken: 60% (cardiologie), 10-30% (ORL, pneumo,
neuro)
Hoge co-morbiditeit stemmingsstoornissen en alcohol- en middelenmisbruik
- Behandelingen:
Medicamenteus
o Serotonerge antidepressiva
Start met lage doses en zeer trage opbouw
Bij stop zonder psychotherapie: 50% herval
o Benzodiazepines (vb Alprazolam)
cave afhankelijkheid
in begin van AD, of als geen andere behandeling effectief
, Cognitieve gedragstherapie
o Exposure in vivo of in vitro (in gedachten) + response preventie (veiligheidsgedrag
die angst reduceren, nalaten).
o Identificatie van catastrofale cognities identificeren en uitdagen
Overige
o Sociale vaardigheidstraining
o Applied Relaxation
o Applied tension (bloed/verwonding/injectie): spieren opspannen om niet flauw te
vallen
1.2. Paniekstoornis
- Criteria van een paniekaanval
Een periode van intense angst en ongemak, met 4 of meer van volgende 13
symptomen, acuut opgekomen, met een piek binnen minuten
o Cardiopulmonaal
Hartkloppingen of versnelde hartslag 2. Pijn of ongemak op de borst
Gevoel van ademnood/stikken
Naar adem snakken
o Autonoom
Zweten
Koude rillingen of warmte-opwellingen
o Gastro-intestinaal
Misselijkheid of buikklachten
o Neurologisch
Beven
Duizeligheid, onvastheid, lichthoofdig of gevoelens van flauwvallen
Paresthesieën (doof gevoel of tintelingen)
o Psychologisch
Derealisatie of depersonalisatie
Angst de zelfbeheersing te verliezen of gek worden 13. Angst te sterven
Bij verschillende psychiatrische stoornissen
- DSM 5 diagnostische criteria
Recidiverende onverwachte paniekaanvallen
Na tenminste één van de aanvallen was er ≥ 1 maand ≥ 1 van de volgende
symptomen:
o Voortdurende bezig zijn met of bezorgdheid over het krijgen van een volgende
aanval of over de gevolgen van een aanval (vb. controleverlies, hartaanval, “gek
worden”).
o Belangrijke gedragsverandering in samenhang met de aanvallen
(vermijdingsgedrag: lichamelijke inspanningen, onbekende situaties).