Paragraaf 1.1 Oorlogvoering in de 18e en 19e eeuw.
Oorlog en economie:
Oorlog is duur. Soldaten hebben wapens nodig en moeten naar het front gebracht worden. Ze
moeten ook elke dag eten, drinken en munitie hebben. Dat betaal je met belasting. Als een
land veel belasting wil innen moet het een sterke economie hebben. In de 19e eeuw:
- Steeds grotere legers door de dienstplicht.
- Massale wapenproductie.
- Pogingen om de economie van de vijand te beschadigen.
Oorlog en technologie:
Technologie werd gebruikt:
- Het leger en de economie te beschadigen.
- Soldaten sneller te verplaatsen (stoomboot en trein).
- Communicatie.
Hierdoor ontstond een wapenwedloop. De strijd tussen landen om het sterkst bewapend te
zijn. Ook ontstond er militarisme. De verheerlijking van alles dat met oorlog te maken heeft.
Groot belang van leiderschap:
De meeste politieke leiders waren ook militaire leiders. Strategie en tactiek kwamen dus vaak
in de handen van één man. Strategie is wat de leiders met de oorlog willen bereiken en hoe
dat in grote lijnen moet worden uitgevoerd. Tactiek is hoe de strategie aan het front wordt
uitgevoerd.
Publieke opinie van groot belang:
Een oorlog volhouden zonder de steun van de bevolking werd steeds moeilijker.
Dienstplichtlegers vervangen beroepssoldaten. Mensen werden mondiger, leerden om te
lezen en te schrijven en steeds meer mensen kregen kiesrecht.