Funbio samenvatting H.45 en H.46
Je hebt geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting:
Ongeslachtelijk
Knopvorming: Hydra
Fragmentatie: zeeanemoon. Soms gevolg door regeneratie waarbij beschadigde delen
van een organisme volledig worden hersteld.
Parthenogenese: bij, wesp, mier, haaiensoort. Hierbij is er ontwikkeling vanuit een
oöcyt (eicel). De nakomelingen kunnen dan haploïd zijn of diploïd worden doordat
twee eicellen fuseren.
Geslachtelijk: hierbij is er fusie van twee haploïde cellen (met verschillende genotypen).
De bevruchting kan inwendig en uitwendig plaatsvinden. De geslachtelijke voortplanting
is ten opzichte van de ongeslachtelijke inefficiënter.
Afwisselend: sommige dieren kunnen zowel ongeslachtelijk als geslachtelijk
voortplanten. De Daphnia produceert bijvoorbeeld eicellen voor pathogenese en
bevruchting.
Het nadeel van geslachtelijke
voortplanting is dat er minder
nakomelingen zijn. Maar het is ook weer
voordeliger doordat er een variatie in
chromosomen, resistentie tegen
pathogenen en succesvollere
nakomelingen kunnen ontstaan (handig bij
veranderede omstandigheden).
De vruchtbaarheid is niet bij elk organisme constant. Bij mensen is dus ongeveer tussen de 12
en 50 jaar maar bij schapen is het dan weer 16 dagen per jaar. De vruchtbaarheid wordt
geregeld door milieu, hormonen en stress.
Hermafroditisme: organismen met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Dit
kan afwisselend zijn of gelijktijdig. De reden is vaak de partner. Bij hagedissen bepaald het
gedrag bijvoorbeeld of ze als man of als vrouw de voortplanting ingaan. Geslachtsverandering
is ook een vorm van hermafroditisme.
Tijdens de bevruchting is er een ontmoeting tussen een eicel (oöcyt) en spermacel
(spermatozoïde), ook wel gameten genoemd. De bevruchting kan zowel extern als intern
zijn. In een vochtig milieu is het vaak extern, er is dan spraken van kruit schieten (spawning)
waarbij de eicellen en spermacellen in het water terecht komen. Het aantal
voortplantingscellen is hoger bij interna bevruchting. Bij bevruchting moet er natuurlijke wel
gelijktijdige gameten productie plaatsvinden. Dit kan worden gedaan door feromonen:
chemische bestanddelen die door dieren kunnen worden afgescheiden om soortgenoten van de
andere sekse aan te trekken.
Er zijn vaak veel meer nakomelingen dan nodig. Toch is er goede zorg voor de nakomelingen
door bijvoorbeeld de baarmoeder, buidel, eischaal en ouderzorg.
, Gameten en organen:
Gameten: worden vroeg in de ontwikkeling aangelegd.
Deze worden dan apart gezet (waarschijnlijke reden dat er
dan minder mutaties zijn).
Gonaden: orgaan waar de gameten eerst mitotisch toenemen
en daarna differentiëren. Ze zijn niet in elk dier aanwezig.
Voortplantingsorganen: bij alle vertebraten hetzelfde
bouwplan, een ovarium en een testis. Bij insecten zijn er
spermatheca waarin zaadcellen worden opgeslagen.
Cloaca: gemeenschappelijke uithang. Verterings-, urine-,
voortplantings-kanaal.
Je hebt geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting:
Ongeslachtelijk
Knopvorming: Hydra
Fragmentatie: zeeanemoon. Soms gevolg door regeneratie waarbij beschadigde delen
van een organisme volledig worden hersteld.
Parthenogenese: bij, wesp, mier, haaiensoort. Hierbij is er ontwikkeling vanuit een
oöcyt (eicel). De nakomelingen kunnen dan haploïd zijn of diploïd worden doordat
twee eicellen fuseren.
Geslachtelijk: hierbij is er fusie van twee haploïde cellen (met verschillende genotypen).
De bevruchting kan inwendig en uitwendig plaatsvinden. De geslachtelijke voortplanting
is ten opzichte van de ongeslachtelijke inefficiënter.
Afwisselend: sommige dieren kunnen zowel ongeslachtelijk als geslachtelijk
voortplanten. De Daphnia produceert bijvoorbeeld eicellen voor pathogenese en
bevruchting.
Het nadeel van geslachtelijke
voortplanting is dat er minder
nakomelingen zijn. Maar het is ook weer
voordeliger doordat er een variatie in
chromosomen, resistentie tegen
pathogenen en succesvollere
nakomelingen kunnen ontstaan (handig bij
veranderede omstandigheden).
De vruchtbaarheid is niet bij elk organisme constant. Bij mensen is dus ongeveer tussen de 12
en 50 jaar maar bij schapen is het dan weer 16 dagen per jaar. De vruchtbaarheid wordt
geregeld door milieu, hormonen en stress.
Hermafroditisme: organismen met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Dit
kan afwisselend zijn of gelijktijdig. De reden is vaak de partner. Bij hagedissen bepaald het
gedrag bijvoorbeeld of ze als man of als vrouw de voortplanting ingaan. Geslachtsverandering
is ook een vorm van hermafroditisme.
Tijdens de bevruchting is er een ontmoeting tussen een eicel (oöcyt) en spermacel
(spermatozoïde), ook wel gameten genoemd. De bevruchting kan zowel extern als intern
zijn. In een vochtig milieu is het vaak extern, er is dan spraken van kruit schieten (spawning)
waarbij de eicellen en spermacellen in het water terecht komen. Het aantal
voortplantingscellen is hoger bij interna bevruchting. Bij bevruchting moet er natuurlijke wel
gelijktijdige gameten productie plaatsvinden. Dit kan worden gedaan door feromonen:
chemische bestanddelen die door dieren kunnen worden afgescheiden om soortgenoten van de
andere sekse aan te trekken.
Er zijn vaak veel meer nakomelingen dan nodig. Toch is er goede zorg voor de nakomelingen
door bijvoorbeeld de baarmoeder, buidel, eischaal en ouderzorg.
, Gameten en organen:
Gameten: worden vroeg in de ontwikkeling aangelegd.
Deze worden dan apart gezet (waarschijnlijke reden dat er
dan minder mutaties zijn).
Gonaden: orgaan waar de gameten eerst mitotisch toenemen
en daarna differentiëren. Ze zijn niet in elk dier aanwezig.
Voortplantingsorganen: bij alle vertebraten hetzelfde
bouwplan, een ovarium en een testis. Bij insecten zijn er
spermatheca waarin zaadcellen worden opgeslagen.
Cloaca: gemeenschappelijke uithang. Verterings-, urine-,
voortplantings-kanaal.