Examenvragen Actuele thema’s in de Agro- & Bio…
GESCHIEDENIS & TOEKOMST
1. Schets de evolutie v/d relatie tussen mens & dier sinds de domesticatie tot nu
● de mens steeds meer en meer zelf relatie met het dier gaan bepalen
● laatste 10.000 jaar evolutie: dier bepaalt leefwereld v/d mens bepaalt →mens
bepaalt leefwereld v/h dier
Middeleeuwen:
● leefwereld dier en mens amper gescheiden
● vele functies: landbouw, voeding, energie, mobiliteit + gezelschapsdieren
● Antropomorfisme: dierenprocessen, fabels, spreekwoorden & zegswijzen
● dierlijke hiërarchie op basis v/d bruikbaarheid voor de mens
● Hoeve- & huisdieren veel waard: schadevergoedingen (merrie = man)
● familienamen, plaatsnamen, uithangborden, wapenschilden
● Paard & hond = edele dieren
- paarden: onderscheid tussen werkpaarden & rijpaarden
→ waarde steeg bij elke oorlogsdreiging
- hond: gezelschapsdier, aankleden
● kat = negatieve connotatie → bijgeloof
→ kattenverbrandingen
→ kattenklavier
Industriële revolutie:
● grotere landbouwbedrijven & veehouderijen → relatie steeds meer afhankelijk
van functie en nut in de landbouw & veeteelt → utilitaristisch
● bepaalde dieren werd ook steeds meer als huisdier gehouden
Moderne tijd:
● belang intrinsieke waarde van dieren → dierenwelzijn
● relatie verder gepersonaliseerd: huisdieren, therapiedieren, assistentiedieren
● meer aandacht op impact menselijke activiteit op natuur & wilde dieren
2. In de Middeleeuwen stonden mens en dier op een heel andere manier tegenover
elkaar dan nadien
a. Beschrijf de situatie (in grote lijnen)
● relatie sterk beïnvloedt door religie, landbouw & sociale structuur
● utilitaristisch
● godsdienst & symboliek: religieuze verhalen, symbolen voor deugden
& ondeugden
● landbouw & vee: essentiële, waardevolle hulpbronnen
● huisdieren & jacht: honden → jacht & bescherming, katten →
ongedierte vangen
, b. Geef minstens 3 voorbeelden die dat illustreren
● religie & symboliek: lam = symbool van christus → vaak geofferd,
slang = symbool v/d zondeval, dieren geassocieerd met heiligen (bv:
Sint Franciscus van Assisi)
● landbouw & vee: ossen ploegen, schapenwol, koeien vlees & melk
● jacht & sociale klasse: jacht manier om macht & rijkdom te tonen →
speciale hondenrassen
3. In de 19de eeuw stond de veehouderij ten dienste v/d akkerbouw
a. Welke elementen pleiten voor deze stelling?
● dierlijke mest als kunstmest: (chemische meststoffen nog niet
grootschalig, verhoogde de opbrengst)
● dieren al trekdieren: ploegen, wagens → verhoging efficiëntie
● combinatie van veeteelt & akkerbouw in gemengde bedrijven
→ risicospreiding (bv. bij slechte oogst)
● afvalproducten van akkerbouw als voer voor vee → circulair systeem
b. Welke elementen pleiten ertegen?
● specialisatie in veeteelt → veeteelt werd steeds zelfstandiger
● intensivering van akkerbouw met mechanisatie: minder afhankelijk
van menselijke & dierlijke arbeid → veeteelt werd onafhankelijk
● toename geïmporteerd voer voor vee → verminderde afhankelijkheid
van akkerbouw
4. De grote landbouwcrisis van 1880 beïnvloedt tot op heden de structuur van de
West-Europese landbouw en het platteland. Leg uit welke effecten er zijn en waarom.
● landbouwcrisis: dalende landbouwprijzen, opkomst industriële productie,
concurrentie goedkopere buitenlandse producten & mislukte oogsten
(effecten)
● concentratie & schaalvergroting: kleine boeren konden economisch niet
bijbenen door dalende prijzen voor landbouwproducten & stijgende kosten
voor arbeidskracht & grond
→ concentratie van landbouwgronden in de handen van grote
gespecialiseerde bedrijven
● mechanisatie & industrialisatie: boeren gedwongen om over te gaan op
mechanisatie om kosten te besparen & productiviteit te verhogen om te
overleven
→ landbouw steeds meer afhankelijk van kapitaalintensieve technologieën
● specialisatie & opkomst commerciële landbouw: boeren werden
genoodzaakt om zich te specialiseren in specifieke gewassen of vee. Grote
hoeveelheden aan lager kosten produceren om buitenlands concurrentie te
compenseren
→ Gemengde boerderijen verdwijnen meer en meer. Bijna alleen nog maar
landbouwbedrijven die zich richten op enkele gewassen of diersoorten
, ● verlies kleine boeren & plattelandsbevolking: crisis leidde tot faillissement
van veel kleine boerenbedrijven. Veel mensen verhuisden van platteland naar
de stad om werk te zoeken.
→ afname plattelandsbevolking in veel West-Europese landen
● structurele veranderingen in landpolitiek & subsidies: dalende prijzen
voor landbouwproducten & stijgende kosten voor productie leidden tot wens
om binnenlandse boeren te beschermen tegen buitenlandse concurrentie. Dit
leidde tot landbouwsubsidies & steunmaatregelen
→ Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB)
● verandering in gebruik van landbouwgrond & landschap: gronden steeds
meer gebruikt voor grootschalige monocultuur productie of voor industriële
doeleinden
→ steeds minder maar steeds grotere bedrijven die zich bijvoorbeeld
specialiseren in graanproductie, maïs of intensieve veehouderij
5. Hoe evolueerde het aantal (runderen/varkens/pluimvee/paarden) tussen 1880 en nu?
Leg ook uit waarom deze veranderingen plaatsvonden
● 1880-1910: overgang traditionele naar moderne landbouweconomie: meer
focus op veeteelt onder druk van internationale vrijhandel en marktvraag
→ stijging runderen(+25%)/varkens(+140%)/pluimvee(+140%)/paarden
populatie
● 1914-1918: WO 1 & klauwzeer-epidemie (1916)
→ sterke daling runderen/varkens/paarden populatie
→ lichte stijging pluimvee populatie: +30% → weinig menselijke
investering/trokken hun eigen plan (scharrelen eten bij elkaar)
● 1919-1939: interbellum
→ eerst stijging (einde oorlog) → daarna daling: wereldcrisis (1930):
consumptiedaling & exportverlies
● 1940-1945: WO2
→ daling runder & varkens populatie
→ paardenpopulatie blijft ongeveer hetzelfde: worden niet meer ingezet in de
oorlog (tanks,etc.)
→ daling pluimvee populatie: afhankelijk van import graan voor voeding die er
niet was
● 1945-1980:
→ stijging runderen/varken/pluimvee populatie → ongebreidelde intensivering
→ daling paarden populatie: werk van paarden werd vervangen door
machines
● 1980- heden: verdere intensivering
→ stijging runderen/varken/pluimvee populatie
→ paardenpopulatie stagneert/stijgt een beetje
GESCHIEDENIS & TOEKOMST
1. Schets de evolutie v/d relatie tussen mens & dier sinds de domesticatie tot nu
● de mens steeds meer en meer zelf relatie met het dier gaan bepalen
● laatste 10.000 jaar evolutie: dier bepaalt leefwereld v/d mens bepaalt →mens
bepaalt leefwereld v/h dier
Middeleeuwen:
● leefwereld dier en mens amper gescheiden
● vele functies: landbouw, voeding, energie, mobiliteit + gezelschapsdieren
● Antropomorfisme: dierenprocessen, fabels, spreekwoorden & zegswijzen
● dierlijke hiërarchie op basis v/d bruikbaarheid voor de mens
● Hoeve- & huisdieren veel waard: schadevergoedingen (merrie = man)
● familienamen, plaatsnamen, uithangborden, wapenschilden
● Paard & hond = edele dieren
- paarden: onderscheid tussen werkpaarden & rijpaarden
→ waarde steeg bij elke oorlogsdreiging
- hond: gezelschapsdier, aankleden
● kat = negatieve connotatie → bijgeloof
→ kattenverbrandingen
→ kattenklavier
Industriële revolutie:
● grotere landbouwbedrijven & veehouderijen → relatie steeds meer afhankelijk
van functie en nut in de landbouw & veeteelt → utilitaristisch
● bepaalde dieren werd ook steeds meer als huisdier gehouden
Moderne tijd:
● belang intrinsieke waarde van dieren → dierenwelzijn
● relatie verder gepersonaliseerd: huisdieren, therapiedieren, assistentiedieren
● meer aandacht op impact menselijke activiteit op natuur & wilde dieren
2. In de Middeleeuwen stonden mens en dier op een heel andere manier tegenover
elkaar dan nadien
a. Beschrijf de situatie (in grote lijnen)
● relatie sterk beïnvloedt door religie, landbouw & sociale structuur
● utilitaristisch
● godsdienst & symboliek: religieuze verhalen, symbolen voor deugden
& ondeugden
● landbouw & vee: essentiële, waardevolle hulpbronnen
● huisdieren & jacht: honden → jacht & bescherming, katten →
ongedierte vangen
, b. Geef minstens 3 voorbeelden die dat illustreren
● religie & symboliek: lam = symbool van christus → vaak geofferd,
slang = symbool v/d zondeval, dieren geassocieerd met heiligen (bv:
Sint Franciscus van Assisi)
● landbouw & vee: ossen ploegen, schapenwol, koeien vlees & melk
● jacht & sociale klasse: jacht manier om macht & rijkdom te tonen →
speciale hondenrassen
3. In de 19de eeuw stond de veehouderij ten dienste v/d akkerbouw
a. Welke elementen pleiten voor deze stelling?
● dierlijke mest als kunstmest: (chemische meststoffen nog niet
grootschalig, verhoogde de opbrengst)
● dieren al trekdieren: ploegen, wagens → verhoging efficiëntie
● combinatie van veeteelt & akkerbouw in gemengde bedrijven
→ risicospreiding (bv. bij slechte oogst)
● afvalproducten van akkerbouw als voer voor vee → circulair systeem
b. Welke elementen pleiten ertegen?
● specialisatie in veeteelt → veeteelt werd steeds zelfstandiger
● intensivering van akkerbouw met mechanisatie: minder afhankelijk
van menselijke & dierlijke arbeid → veeteelt werd onafhankelijk
● toename geïmporteerd voer voor vee → verminderde afhankelijkheid
van akkerbouw
4. De grote landbouwcrisis van 1880 beïnvloedt tot op heden de structuur van de
West-Europese landbouw en het platteland. Leg uit welke effecten er zijn en waarom.
● landbouwcrisis: dalende landbouwprijzen, opkomst industriële productie,
concurrentie goedkopere buitenlandse producten & mislukte oogsten
(effecten)
● concentratie & schaalvergroting: kleine boeren konden economisch niet
bijbenen door dalende prijzen voor landbouwproducten & stijgende kosten
voor arbeidskracht & grond
→ concentratie van landbouwgronden in de handen van grote
gespecialiseerde bedrijven
● mechanisatie & industrialisatie: boeren gedwongen om over te gaan op
mechanisatie om kosten te besparen & productiviteit te verhogen om te
overleven
→ landbouw steeds meer afhankelijk van kapitaalintensieve technologieën
● specialisatie & opkomst commerciële landbouw: boeren werden
genoodzaakt om zich te specialiseren in specifieke gewassen of vee. Grote
hoeveelheden aan lager kosten produceren om buitenlands concurrentie te
compenseren
→ Gemengde boerderijen verdwijnen meer en meer. Bijna alleen nog maar
landbouwbedrijven die zich richten op enkele gewassen of diersoorten
, ● verlies kleine boeren & plattelandsbevolking: crisis leidde tot faillissement
van veel kleine boerenbedrijven. Veel mensen verhuisden van platteland naar
de stad om werk te zoeken.
→ afname plattelandsbevolking in veel West-Europese landen
● structurele veranderingen in landpolitiek & subsidies: dalende prijzen
voor landbouwproducten & stijgende kosten voor productie leidden tot wens
om binnenlandse boeren te beschermen tegen buitenlandse concurrentie. Dit
leidde tot landbouwsubsidies & steunmaatregelen
→ Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB)
● verandering in gebruik van landbouwgrond & landschap: gronden steeds
meer gebruikt voor grootschalige monocultuur productie of voor industriële
doeleinden
→ steeds minder maar steeds grotere bedrijven die zich bijvoorbeeld
specialiseren in graanproductie, maïs of intensieve veehouderij
5. Hoe evolueerde het aantal (runderen/varkens/pluimvee/paarden) tussen 1880 en nu?
Leg ook uit waarom deze veranderingen plaatsvonden
● 1880-1910: overgang traditionele naar moderne landbouweconomie: meer
focus op veeteelt onder druk van internationale vrijhandel en marktvraag
→ stijging runderen(+25%)/varkens(+140%)/pluimvee(+140%)/paarden
populatie
● 1914-1918: WO 1 & klauwzeer-epidemie (1916)
→ sterke daling runderen/varkens/paarden populatie
→ lichte stijging pluimvee populatie: +30% → weinig menselijke
investering/trokken hun eigen plan (scharrelen eten bij elkaar)
● 1919-1939: interbellum
→ eerst stijging (einde oorlog) → daarna daling: wereldcrisis (1930):
consumptiedaling & exportverlies
● 1940-1945: WO2
→ daling runder & varkens populatie
→ paardenpopulatie blijft ongeveer hetzelfde: worden niet meer ingezet in de
oorlog (tanks,etc.)
→ daling pluimvee populatie: afhankelijk van import graan voor voeding die er
niet was
● 1945-1980:
→ stijging runderen/varken/pluimvee populatie → ongebreidelde intensivering
→ daling paarden populatie: werk van paarden werd vervangen door
machines
● 1980- heden: verdere intensivering
→ stijging runderen/varken/pluimvee populatie
→ paardenpopulatie stagneert/stijgt een beetje