1 Het pedagogisch model
Wat Theorie van opvoeding, opvoedkundig handelen
Principes bij 1) Onmiddellijk ageren op situatie
pedagogisch 2) Je kan niet niet ageren
handelen Kind heeft psychologische basisbehoeften: competentie (ik kan
het),
Ageren = reageren Verbondenheid (ik hoor erbij), autonomie (ik wil het zelf)
Optie 1: handelen (bv. Persoonlijk zeggen ‘goed bezig’ =
positieve houding)
Optie 2: niet handelen (niet handelen is ook handelen =
negatieve houding bv. ‘de juf denkt dat ik niet goed bezig ben,
want ze zegt niks)
3) Aangepast aan dat kind of dat moment: elk kind is uniek, wees
flexibel & passend
‘waarom kijkt het kind naar buiten?’ niet direct boos zijn
Hoe gepast - Veilig leer- en leefklimaat in de klas: laat ze zich goed voelen
reageren in relatie (goeiemorgen zeggen)
met kind - Stimulerend leer- en leefklimaat in de klas: zelf gemotiveerd blijven,
betrokken voelen, hoe kan ik elk kind ook stimuleren
- Gestructureerd leer- en leefklimaat in de klas: dagplanning in klas,
routine in de klas voorspelbaarheid 😊
LEERLING MOTIVEREN!
Pedagogisch Complexe realiteit van kind vereenvoudigen model
handelen
1. Kind 3. Omgeving/
context
- Competentie - peergroup
- Autonomie - thuiscontext
- Verbondenheid - buurt
2. Leerkracht - leerkracht
- Waarderen - school
- Vertrouwen 4. Maatschappij-
en
- Uitdagen mensbeeld
- Ondersteunen - Westerse
maatsch - tijdsgeest
Als kind beweegt, zal alles bewegen, alles hangt aan elkaar, als 1 iets begint te bewegen zal de rest
ook bewegen
1.1 Het kind en zijn psychologische basisbehoeften
Wat Verbondenheid: ik hoor erbij
Competentie: ik kan het/ iets
Autonomie: ik wil het zelf, ik kan het zelf
1.2 De basishouding van de leerkracht
1
,Wat Als leerkracht kind ondersteunen of kind uitdagen competentie vh kind
Als leerkracht kind waarderen + vertrouwen geven verbondenheid vh
kind in relatie met jou
1.3 Contexten waarbinnen pedagogisch handelen plaatsvindt
Wat - Rekening houden met thuiscontext (niet iedereen heeft mama en
papa,…)
- Buurt: school platteland (minder sociale contacten?)/ stad
- Keuze school: pedagogisch project van school, welke waarden vindt
de school belangrijk?
- Leerkracht: wie ben ik als persoon/ leerkracht, leerkracht heeft
invloed op situatie
- Peergroup: met welke leeftijdsgenoten zit je samen, welke waarden
en normen bij je vrienden, groepsdruk
Elk kind groeit verschillend op!
1.4 Algemene context waarbinnen opvoeden plaatsvindt
Wat - Onderwijs vroeger anders dan nu: leerkracht vroeger autoritair <->
vandaag onderwijs spiegel maatschappij, 21ste -eeuwse vaardigheden
- Plaats- en tijdgebonden: China is anders lesgeven dan België
(andere maatschappij met andere waarden en normen)
- Emancipatorisch opvoeden:
(<-> meritocratisch: je schoolsucces hangt af van eigen talent
en eigen moeite die je gedaan hebt)
= ‘hoe kunnen wij als school barrières wegwerken zodanig dat
iedereen gelijk is en iedereen gelijk kan participeren)
Pedagogisch handelen is complex:
- Moeilijk te plannen, je kan je reactie niet altijd uitstellen
- Je kan niet niet ageren: je geeft kind altijd bepaalde boodschap
- Verlies de verschillen tussen kinderen niet uit het oog
EERSTE CIRKEL
2 Het kind en zijn psychologische basisbehoeften = kind centraal
Doel bao = kind laten ontwikkelen tot evenwichtige volwassen
- Elk kind is uniek, maar ook veel gelijkenissen (elk kind op zoek naar
verbondenheid, wil competentie, wil autonomie)
- diversiteit: positief bekijken! (context overal anders)
Wat zijn PB = aangeboren behoefte die bevredigd moeten worden als kind om te
VAC kunnen ontwikkelen
- Goed in vel voelen = basisvoorwaarde om te leren en te
ontwikkelen
- Elk kind (persoon) nood aan
2.1 Behoefte aan verbondenheid = ik hoor erbij
Wat = verbondenheid met zichzelf, met de groep en met de leerkracht
Gouden weken: - Chemische reactie die vrijkomt bij werken aan verbondenheid:
eerste weken knuffelhormoon (je voelt je zo goed bij een persoon)
waarin elk kind aan - Link met hechtingstheorie en sociaal-emotionele ontwikkeling:
het zoeken is naar nood aan vanaf geboorte, thuiscontext belangrijk niet goed
plaatsje gehecht: merken aan kind, kan aan thuiscontext (hechtingstheorie)
groepsactiviteit liggen moeilijk om zelf sociale relaties aan te gaan maar meer
2
, nood eraan
Zilveren weken:
eerste weken na Leerkracht: sensitief zijn voor signalen dat kind geeft
kerstvakantie - Actief luisteren naar kind
- Inleven in kind
- Kringgesprek
- Betrokken zijn (bij binnenkomen contact maken)
- Mimiek en aanrakingen
Belang van - Basisbehoefte aan verbondenheid = motivatie om te leren
verbondenheid - Samen streven naar een doel versterkt ons geluksgevoel
met een groep - Mensen = kuddedieren en dus sociaal lerende wezens
Men leert veel door sociale interactie met een groep
Belang van - Contact maken en houden met leerlingen = cruciaal
verbondenheid ‘Goed bezig’, ‘leuk dat je er bent vandaag’,…
met de leerkracht Vertellen als je slechte dag hebt
- Gelijkenissen tussen leerkracht en leerlingen benadrukken
Leerkracht ook nood aan verbondenheid
- Hoe? Basishouding van de leerkracht openheid belangrijk!
(voor signalen, ‘wat kan ik doen met jou om je verbonden/
geaccepteerd te laten voelen?’, ‘wat heb je nodig om je veilig te
voelen?’
2.2 Behoefte aan competentie = ik kan het
Wat = competentiegevoel (gevoel hebben dat je het kan)
- Totale ontwikkeling kind (samen met andere PB)
- Noodzakelijk voor vertrouwen en energie
- Chemische reactie: energie boost
- Zone van de naaste ontwikkeling: oefeningen net ietsjes te
moeilijk, leerkracht geeft instructie, jij doet verder of 2 kinderen met
verschillende niveaus te laten samenwerken
Totale 3 lagen competentie:
ontwikkeling kind 1) Ik ken het kennis
2) Ik kan het vaardigheden
3) Ik ben attitudes
Competentie verwerven op 3 vlakken: (didactisch handelen)
- Cognitief vlak (kennis)
- Sociaal/ dynamisch-affectief vlak (vaardigheden)
- Psychomotorisch vlak (attitudes)
Zelfvertrouwen = Een dynamisch geheel van overtuigingen over het eigen ik dart in de
en zelfbeeld loop van de ontwikkeling geleidelijk vorm krijgt in interactie met de
omgeving
Overtuigingen over zichzelf op 4 vlakken:
Aspecten vh zelfbeeld Ik voel mij al dan niet
Lichamelijk Mooi, sterk, atletisch
Sociaal Aardig en lief
Emotioneel Veilig, zeker en heb vertrouwen
Cognitief Bekwaam
Gevolg negatief zelfbeeld:
- Selffulfilling prophecy: zodanig nadenken dat het in de werkelijkheid
ook zo is
Leerkracht versterkt/ verzwakt zelfbeeld:
- ‘ik weet dat jij ergens gaat geraken in je leven’
Zelfbeeld in = een dynamisch geheel van overtuigingen over het eigen ik dat in de
interactie met loop van de ontwikkeling geleidelijk vorm krijgt in interactie met de
omgeving omgeving
3
Wat Theorie van opvoeding, opvoedkundig handelen
Principes bij 1) Onmiddellijk ageren op situatie
pedagogisch 2) Je kan niet niet ageren
handelen Kind heeft psychologische basisbehoeften: competentie (ik kan
het),
Ageren = reageren Verbondenheid (ik hoor erbij), autonomie (ik wil het zelf)
Optie 1: handelen (bv. Persoonlijk zeggen ‘goed bezig’ =
positieve houding)
Optie 2: niet handelen (niet handelen is ook handelen =
negatieve houding bv. ‘de juf denkt dat ik niet goed bezig ben,
want ze zegt niks)
3) Aangepast aan dat kind of dat moment: elk kind is uniek, wees
flexibel & passend
‘waarom kijkt het kind naar buiten?’ niet direct boos zijn
Hoe gepast - Veilig leer- en leefklimaat in de klas: laat ze zich goed voelen
reageren in relatie (goeiemorgen zeggen)
met kind - Stimulerend leer- en leefklimaat in de klas: zelf gemotiveerd blijven,
betrokken voelen, hoe kan ik elk kind ook stimuleren
- Gestructureerd leer- en leefklimaat in de klas: dagplanning in klas,
routine in de klas voorspelbaarheid 😊
LEERLING MOTIVEREN!
Pedagogisch Complexe realiteit van kind vereenvoudigen model
handelen
1. Kind 3. Omgeving/
context
- Competentie - peergroup
- Autonomie - thuiscontext
- Verbondenheid - buurt
2. Leerkracht - leerkracht
- Waarderen - school
- Vertrouwen 4. Maatschappij-
en
- Uitdagen mensbeeld
- Ondersteunen - Westerse
maatsch - tijdsgeest
Als kind beweegt, zal alles bewegen, alles hangt aan elkaar, als 1 iets begint te bewegen zal de rest
ook bewegen
1.1 Het kind en zijn psychologische basisbehoeften
Wat Verbondenheid: ik hoor erbij
Competentie: ik kan het/ iets
Autonomie: ik wil het zelf, ik kan het zelf
1.2 De basishouding van de leerkracht
1
,Wat Als leerkracht kind ondersteunen of kind uitdagen competentie vh kind
Als leerkracht kind waarderen + vertrouwen geven verbondenheid vh
kind in relatie met jou
1.3 Contexten waarbinnen pedagogisch handelen plaatsvindt
Wat - Rekening houden met thuiscontext (niet iedereen heeft mama en
papa,…)
- Buurt: school platteland (minder sociale contacten?)/ stad
- Keuze school: pedagogisch project van school, welke waarden vindt
de school belangrijk?
- Leerkracht: wie ben ik als persoon/ leerkracht, leerkracht heeft
invloed op situatie
- Peergroup: met welke leeftijdsgenoten zit je samen, welke waarden
en normen bij je vrienden, groepsdruk
Elk kind groeit verschillend op!
1.4 Algemene context waarbinnen opvoeden plaatsvindt
Wat - Onderwijs vroeger anders dan nu: leerkracht vroeger autoritair <->
vandaag onderwijs spiegel maatschappij, 21ste -eeuwse vaardigheden
- Plaats- en tijdgebonden: China is anders lesgeven dan België
(andere maatschappij met andere waarden en normen)
- Emancipatorisch opvoeden:
(<-> meritocratisch: je schoolsucces hangt af van eigen talent
en eigen moeite die je gedaan hebt)
= ‘hoe kunnen wij als school barrières wegwerken zodanig dat
iedereen gelijk is en iedereen gelijk kan participeren)
Pedagogisch handelen is complex:
- Moeilijk te plannen, je kan je reactie niet altijd uitstellen
- Je kan niet niet ageren: je geeft kind altijd bepaalde boodschap
- Verlies de verschillen tussen kinderen niet uit het oog
EERSTE CIRKEL
2 Het kind en zijn psychologische basisbehoeften = kind centraal
Doel bao = kind laten ontwikkelen tot evenwichtige volwassen
- Elk kind is uniek, maar ook veel gelijkenissen (elk kind op zoek naar
verbondenheid, wil competentie, wil autonomie)
- diversiteit: positief bekijken! (context overal anders)
Wat zijn PB = aangeboren behoefte die bevredigd moeten worden als kind om te
VAC kunnen ontwikkelen
- Goed in vel voelen = basisvoorwaarde om te leren en te
ontwikkelen
- Elk kind (persoon) nood aan
2.1 Behoefte aan verbondenheid = ik hoor erbij
Wat = verbondenheid met zichzelf, met de groep en met de leerkracht
Gouden weken: - Chemische reactie die vrijkomt bij werken aan verbondenheid:
eerste weken knuffelhormoon (je voelt je zo goed bij een persoon)
waarin elk kind aan - Link met hechtingstheorie en sociaal-emotionele ontwikkeling:
het zoeken is naar nood aan vanaf geboorte, thuiscontext belangrijk niet goed
plaatsje gehecht: merken aan kind, kan aan thuiscontext (hechtingstheorie)
groepsactiviteit liggen moeilijk om zelf sociale relaties aan te gaan maar meer
2
, nood eraan
Zilveren weken:
eerste weken na Leerkracht: sensitief zijn voor signalen dat kind geeft
kerstvakantie - Actief luisteren naar kind
- Inleven in kind
- Kringgesprek
- Betrokken zijn (bij binnenkomen contact maken)
- Mimiek en aanrakingen
Belang van - Basisbehoefte aan verbondenheid = motivatie om te leren
verbondenheid - Samen streven naar een doel versterkt ons geluksgevoel
met een groep - Mensen = kuddedieren en dus sociaal lerende wezens
Men leert veel door sociale interactie met een groep
Belang van - Contact maken en houden met leerlingen = cruciaal
verbondenheid ‘Goed bezig’, ‘leuk dat je er bent vandaag’,…
met de leerkracht Vertellen als je slechte dag hebt
- Gelijkenissen tussen leerkracht en leerlingen benadrukken
Leerkracht ook nood aan verbondenheid
- Hoe? Basishouding van de leerkracht openheid belangrijk!
(voor signalen, ‘wat kan ik doen met jou om je verbonden/
geaccepteerd te laten voelen?’, ‘wat heb je nodig om je veilig te
voelen?’
2.2 Behoefte aan competentie = ik kan het
Wat = competentiegevoel (gevoel hebben dat je het kan)
- Totale ontwikkeling kind (samen met andere PB)
- Noodzakelijk voor vertrouwen en energie
- Chemische reactie: energie boost
- Zone van de naaste ontwikkeling: oefeningen net ietsjes te
moeilijk, leerkracht geeft instructie, jij doet verder of 2 kinderen met
verschillende niveaus te laten samenwerken
Totale 3 lagen competentie:
ontwikkeling kind 1) Ik ken het kennis
2) Ik kan het vaardigheden
3) Ik ben attitudes
Competentie verwerven op 3 vlakken: (didactisch handelen)
- Cognitief vlak (kennis)
- Sociaal/ dynamisch-affectief vlak (vaardigheden)
- Psychomotorisch vlak (attitudes)
Zelfvertrouwen = Een dynamisch geheel van overtuigingen over het eigen ik dart in de
en zelfbeeld loop van de ontwikkeling geleidelijk vorm krijgt in interactie met de
omgeving
Overtuigingen over zichzelf op 4 vlakken:
Aspecten vh zelfbeeld Ik voel mij al dan niet
Lichamelijk Mooi, sterk, atletisch
Sociaal Aardig en lief
Emotioneel Veilig, zeker en heb vertrouwen
Cognitief Bekwaam
Gevolg negatief zelfbeeld:
- Selffulfilling prophecy: zodanig nadenken dat het in de werkelijkheid
ook zo is
Leerkracht versterkt/ verzwakt zelfbeeld:
- ‘ik weet dat jij ergens gaat geraken in je leven’
Zelfbeeld in = een dynamisch geheel van overtuigingen over het eigen ik dat in de
interactie met loop van de ontwikkeling geleidelijk vorm krijgt in interactie met de
omgeving omgeving
3