Level 1
Opbrengst: het geld dat je ontvangt voor de verkoop
kost: het geld dat je moet betalen voor het gebruik van een product of dienst
Afzet: het aantal verkochte eenheden in een periode
omzet: het totaalbedrag van de verkopen (aantal verkochte eenheden (q) x verkoopprijs per eenheid (p))
winst: wanneer de opbrengsten groter zijn dan de kosten (“hij maakte winst OMDAT de opbrengsten groter dan de kosten waren”)
verlies: wanneer de kosten groter zijn dan de opbrengsten (“ hij maakte verlies OMDAT de kosten groter dan de opbrengsten waren”)
Resultaat: totale opbrengsten – totale kosten
Totale opbrengsten (TO): omzet + verkoop materiaal
totale kosten (TK): aankoopkosten ingrediënten + andere kosten
Level 2
TO: p x q : verkoopprijs/st x afzet (verkochte hoeveelheid)
TVK: variabele kosten/ eenheid x q
TCK: constante kost 1 + constante kost 2 + …
TK: TCK + TVK
Totale variabele kosten (TVK): hangt samen met de productiehoeveelheid of verkoop van het aantal producten.
totale constante kosten (TCK): meestal hetzelfde. Ze komen elke maand of elk jaar voor
break even omzet: hoeveelheid opbrengsten je moet hebben om je kosten te kunnen dekken
Break-evenpunt: wanneer de opbrengsten evenveel als de kosten zijn. (TO = TK)
break-evenafzet (BEA): formule:
TCK
BEA=
VP /e−VK /e
break-evenafzet (BEA): vergelijking:
TO = TK
45 x q = (18 x q) + 3 375 TVK + TCK
45 x q – 18 x q = 3 375
27 x q = 3 375
3375
q=
27
q = 125
VP/e: verkoop prijs per eenheid
VK/e: variabele kost per eenheid
break-evenomzet (BEO): formule: BE O=¿ BEA x VP/e
hoeveel moet er worden verkocht voor een winst van 2 025 euro?
TO – TK = 2 025
45 x q – (18 x q + 3 375) = 2 025 TO – (TK)
45 x q – 18 x q - 3 375 = 2 025 (haakjes weg= tekens omdraaien in de haakjes)
27 x = 2 025 + 3 375
27 x q = 5 400
Opbrengst: het geld dat je ontvangt voor de verkoop
kost: het geld dat je moet betalen voor het gebruik van een product of dienst
Afzet: het aantal verkochte eenheden in een periode
omzet: het totaalbedrag van de verkopen (aantal verkochte eenheden (q) x verkoopprijs per eenheid (p))
winst: wanneer de opbrengsten groter zijn dan de kosten (“hij maakte winst OMDAT de opbrengsten groter dan de kosten waren”)
verlies: wanneer de kosten groter zijn dan de opbrengsten (“ hij maakte verlies OMDAT de kosten groter dan de opbrengsten waren”)
Resultaat: totale opbrengsten – totale kosten
Totale opbrengsten (TO): omzet + verkoop materiaal
totale kosten (TK): aankoopkosten ingrediënten + andere kosten
Level 2
TO: p x q : verkoopprijs/st x afzet (verkochte hoeveelheid)
TVK: variabele kosten/ eenheid x q
TCK: constante kost 1 + constante kost 2 + …
TK: TCK + TVK
Totale variabele kosten (TVK): hangt samen met de productiehoeveelheid of verkoop van het aantal producten.
totale constante kosten (TCK): meestal hetzelfde. Ze komen elke maand of elk jaar voor
break even omzet: hoeveelheid opbrengsten je moet hebben om je kosten te kunnen dekken
Break-evenpunt: wanneer de opbrengsten evenveel als de kosten zijn. (TO = TK)
break-evenafzet (BEA): formule:
TCK
BEA=
VP /e−VK /e
break-evenafzet (BEA): vergelijking:
TO = TK
45 x q = (18 x q) + 3 375 TVK + TCK
45 x q – 18 x q = 3 375
27 x q = 3 375
3375
q=
27
q = 125
VP/e: verkoop prijs per eenheid
VK/e: variabele kost per eenheid
break-evenomzet (BEO): formule: BE O=¿ BEA x VP/e
hoeveel moet er worden verkocht voor een winst van 2 025 euro?
TO – TK = 2 025
45 x q – (18 x q + 3 375) = 2 025 TO – (TK)
45 x q – 18 x q - 3 375 = 2 025 (haakjes weg= tekens omdraaien in de haakjes)
27 x = 2 025 + 3 375
27 x q = 5 400