De bestuurlijke kaart van
Nederland - H1 t/m 6
Samenvatting
H1 DE BESTUURLIJKE KAART VAN NEDERLAND
Het boek verschaft ‘kaartkennis’ over het openbaar bestuur van Nederland.
1.1 Wat is openbaar bestuur?
De term openbaar bestuur heeft een definitieprobleem: openbaar bestuur kan juridisch, financieel
en uit doel-/taakstelling bekeken worden.
• Juridisch: alle organisaties hebben een publiekrechtelijke grondslag. De grondslag is wettelijk
vastgelegd. Voorbeeld: Gemeentewet.
• Financieel: wordt er gefinancierd (contributies, verkoop) of uit algemene middelen
(belastingen, premies). Voorbeelden staan tussen haakjes.
• Doel-/taakstelling: gericht op algemeen belang. Private organisaties richtten zich op
deelbelang (bijv. aandeelhouders of leden). Publieke organisaties richten zich op algemeen
belang. Voorbeeld: goede zorg, onderwijs, huisvesting. Vaak
vastgelegd in de wet, hoeft niet.
Een openbaar bestuur is van publiekrechtelijke grondslag, gefinancierd uit
algemene middelen en gericht op algemeen belang.
Maatschappelijk middenveld
Overheidsbeleid wordt mede bepaald door organisaties zoals vakbonden en
milieuorganisaties. Maatschappelijke instellingen vervullen publieke taken,
soms gefinancierd vanuit belastingopbrengsten en premieheffingen. Ze zijn
onderdeel van de private sector maar hebben geen winstoogmerk.
Voorbeelden: ziekenhuizen, kerken, vakbonden, culturele instellingen.
1.2 Kenmerken Nederlands openbaar bestuur
Het Nederlandse bestuur heeft geen uniek bestuur maar onderscheid zich wel
door bepaald beleid:
• Constitutionele monarchie: betekend dat de koning staatshoofd is, handelen van de koning is
gebonden aan een grondwet of geschreven constitutie.
• Rechtsstaat: overheidshandelen is onderworpen aan de regels van recht (legaliteitsbeginsel).
Burgers hebben ook grondrechten.
• Gedeeltelijke scheiding der machten: wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht
zijn sterk onafhankelijk van elkaar en controleren elkaar.
• Scheiding van kerk en staat
• Parlementair stelsel: de burger kiest het hoogste bestuursorgaan (Tweede Kamer). Ook wel
representatieve of indirecte democratie genoemd.
• Ministeriële verantwoordelijkheid: ministers zijn verantwoordelijk voor het staatshoofd.
• Vertrouwensregel: ministers worden geacht af te treden zodra het vertrouwen van de
volksvertegenwoordiging verloren is.
• Dualistische visie op het parlementaire stelsel: volksvertegenwoordiging is onafhankelijk van
regering en ministers en kunnen geen deel uitmaken van de Staten-Generaal.
, o Landelijk: scheiding tussen de ministers en het parlement.
Provincie: scheiding tussen college van GS en de Provinciale Staten.
Gemeente: scheiding tussen college van B&W en de Gemeenteraad.
• De Nederlandse bevolking kiest geen bestuurders, deze worden benoemd:
• Gemeenteraad wethouders
• Provinciale Staten gedeputeerden
• Kroon ministers, commissarissen van de Koning en burgemeesters
• Evenredige vertegenwoordiging van het Nederlandse kiesstelstel: aantal zetels voor de partij
moet overeenkomstig zijn met de aanhang van de bevolking. Er is geen kiesdrempel.
• Gedecentraliseerde eenheidsstaat: taken, verantwoording en bevoegdheden zijn
overgedragen aan lagere overheden.
• Er is geen constitutioneel hof: geen onafhankelijke rechterlijke instantie die wetten toetst
aan de Grondwet.
• Geen juryrechtspraak: jury’s doen de
rechtspraak.
• Functioneel bestuur: bestuursorganen met
een wettelijk vastgelegd takenpakket zonder
territoriaal gebied. Voorbeeld: waterschap.
Internationale vergelijking
Nederlands bestuur te typeren als inclusief, d.w.z.
dat veel politieke besluiten pas genomen worden als
er brede steun voor bestaat onder de betrokken
politieke actoren. Nadruk ligt op draagkracht.
Verschillende discussies over vernieuwing van het
stelsel. Deze gaan over de inperking van de rol van
de koning, invoering van constitutionele toetsing,
invoering referenda etc.
H2 DE NEDERLANDSE STAAT
Kenmerken overheid
Overheden zijn: ‘instanties die binnen een omschreven domein met gezag bindende beslissingen
nemen en handhaven’ (p.29 OVB) Twee kenmerken zijn:
• Met gezag besluiten nemen / wetten maken
• Naleving afdwingen, desnoods met gelegitimeerd geweld
Vier redenen over het ontstaan van een overheid
1. Zonder krachtige overheid, geen openbare orde.
2. Zonder regulering, verdwijnen eindige hulpbronnen.
3. Zonder verplichte belasting, zijn er ontoereikende voorzieningen.
4. Zonder inkomensverdeling, is er geen sociale vrede.
Kenmerken staat
• Specifiek grondgebied/territorium.
• Er is een bevolking.
, • Er is een wettelijke en bestuurlijke macht. Zo heeft Nederland een grondwet met daarop
aansluitende wet- en regelgeving met juridische en bestuurlijke instanties. Ook is NL een
geweldsmonopolie: de staat mag bevoegd geweld gebruiken.
• Erkenning door andere staten. Praktisch: lidmaatschap bij de Verenigde Naties.
De Staat der Nederlanden
De juridische term voor de Nederlandse overheid is de Staat der Nederlanden. De Staat der
Nederlanden is een rechtspersoon: bevoegd om rechtshandelingen te verrichten. De staat kan
bijvoorbeeld een koopovereenkomst sluiten, een verdrag sluiten met een andere staat of een burger
een belastingaanslag opleggen.
Het Koninkrijk der Nederlanden
Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten vastgelegd
in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Bonaire, Saba en Sint Eustatius hebben de status
van ‘openbaar lichaam’, dit zijn bijzondere gemeentes.
Geschiedenis
• 1815: Constitutionele monarchie: staat waarin het koningschap verankerd is in een
constitutie. Koning staat niet boven de wet maar is ondergeschikt. Willem I Koning der
Nederlanden
• Constitutie: geheel van elementaire geschreven en ongeschreven regels m.b.t. de organisatie
van een staat. Deze regels kunnen (gedeeltelijk) zijn vastgelegd in een wet: een grondwet.
Voorbeeld: Groot-Brittannië heeft geen grondwet, maar wel een constitutie (gewoonterecht/
conventies).
• 1848: Grondwet. Ontworpen door Thorbecke de uitgangspunten van deze grondwet zijn nog
steeds terug te vinden in de huidige Grondwet.
2.1 Parlementair stelsel
Nederland is een democratie waarin de bevolking van achttien jaar en ouder haar hoogste
besluitvormende orgaan kiest: de Tweede Kamer. Het stelsel kent 2 principes:
• Ministeriële verantwoordelijkheid: Koning is onschendbaar, de ministers zijn
verantwoordelijk. Ministers leggen verantwoording af over koningshuis en ambtenaren.
• Vertrouwensregel: Kabinet als geheel en individuele ministers of staatssecretarissen moeten
het vertrouwen hebben van een meerderheid in de Tweede Kamer.
2.2 Rechtsstaat
Kenmerken rechtsstaat
Nederland is onderworpen aan de regels van recht en daarom een rechtsstaat. Kenmerken zijn:
• Overheid handelt niet willekeurig, maar volgens het recht. Legaliteitsbeginsel: overheid mag
alleen handelen op grond van wettelijke bevoegdheden.
• Machtenscheiding / Trias Politica Montesquieu. Wetgevende (legislatieve), Uitvoerende
(executieve), Rechtsprekende (jurisdictieve), ze controleren elkaars functioneren (geen
absolute macht dus).
• Vrije en geheime verkiezingen
• Grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting, gelijke behandeling, recht van vereniging en
vergadering en vrijheid van godsdienst. Deze rechten garanderen de burger een private
sfeer.
• Persvrijheid. Vrije en onafhankelijke media (rol van waakhond).
2.3 Een gedecentraliseerde eenheidsstaat
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Eenheidsstaat en decentralisatie uitgelegd:
Nederland - H1 t/m 6
Samenvatting
H1 DE BESTUURLIJKE KAART VAN NEDERLAND
Het boek verschaft ‘kaartkennis’ over het openbaar bestuur van Nederland.
1.1 Wat is openbaar bestuur?
De term openbaar bestuur heeft een definitieprobleem: openbaar bestuur kan juridisch, financieel
en uit doel-/taakstelling bekeken worden.
• Juridisch: alle organisaties hebben een publiekrechtelijke grondslag. De grondslag is wettelijk
vastgelegd. Voorbeeld: Gemeentewet.
• Financieel: wordt er gefinancierd (contributies, verkoop) of uit algemene middelen
(belastingen, premies). Voorbeelden staan tussen haakjes.
• Doel-/taakstelling: gericht op algemeen belang. Private organisaties richtten zich op
deelbelang (bijv. aandeelhouders of leden). Publieke organisaties richten zich op algemeen
belang. Voorbeeld: goede zorg, onderwijs, huisvesting. Vaak
vastgelegd in de wet, hoeft niet.
Een openbaar bestuur is van publiekrechtelijke grondslag, gefinancierd uit
algemene middelen en gericht op algemeen belang.
Maatschappelijk middenveld
Overheidsbeleid wordt mede bepaald door organisaties zoals vakbonden en
milieuorganisaties. Maatschappelijke instellingen vervullen publieke taken,
soms gefinancierd vanuit belastingopbrengsten en premieheffingen. Ze zijn
onderdeel van de private sector maar hebben geen winstoogmerk.
Voorbeelden: ziekenhuizen, kerken, vakbonden, culturele instellingen.
1.2 Kenmerken Nederlands openbaar bestuur
Het Nederlandse bestuur heeft geen uniek bestuur maar onderscheid zich wel
door bepaald beleid:
• Constitutionele monarchie: betekend dat de koning staatshoofd is, handelen van de koning is
gebonden aan een grondwet of geschreven constitutie.
• Rechtsstaat: overheidshandelen is onderworpen aan de regels van recht (legaliteitsbeginsel).
Burgers hebben ook grondrechten.
• Gedeeltelijke scheiding der machten: wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht
zijn sterk onafhankelijk van elkaar en controleren elkaar.
• Scheiding van kerk en staat
• Parlementair stelsel: de burger kiest het hoogste bestuursorgaan (Tweede Kamer). Ook wel
representatieve of indirecte democratie genoemd.
• Ministeriële verantwoordelijkheid: ministers zijn verantwoordelijk voor het staatshoofd.
• Vertrouwensregel: ministers worden geacht af te treden zodra het vertrouwen van de
volksvertegenwoordiging verloren is.
• Dualistische visie op het parlementaire stelsel: volksvertegenwoordiging is onafhankelijk van
regering en ministers en kunnen geen deel uitmaken van de Staten-Generaal.
, o Landelijk: scheiding tussen de ministers en het parlement.
Provincie: scheiding tussen college van GS en de Provinciale Staten.
Gemeente: scheiding tussen college van B&W en de Gemeenteraad.
• De Nederlandse bevolking kiest geen bestuurders, deze worden benoemd:
• Gemeenteraad wethouders
• Provinciale Staten gedeputeerden
• Kroon ministers, commissarissen van de Koning en burgemeesters
• Evenredige vertegenwoordiging van het Nederlandse kiesstelstel: aantal zetels voor de partij
moet overeenkomstig zijn met de aanhang van de bevolking. Er is geen kiesdrempel.
• Gedecentraliseerde eenheidsstaat: taken, verantwoording en bevoegdheden zijn
overgedragen aan lagere overheden.
• Er is geen constitutioneel hof: geen onafhankelijke rechterlijke instantie die wetten toetst
aan de Grondwet.
• Geen juryrechtspraak: jury’s doen de
rechtspraak.
• Functioneel bestuur: bestuursorganen met
een wettelijk vastgelegd takenpakket zonder
territoriaal gebied. Voorbeeld: waterschap.
Internationale vergelijking
Nederlands bestuur te typeren als inclusief, d.w.z.
dat veel politieke besluiten pas genomen worden als
er brede steun voor bestaat onder de betrokken
politieke actoren. Nadruk ligt op draagkracht.
Verschillende discussies over vernieuwing van het
stelsel. Deze gaan over de inperking van de rol van
de koning, invoering van constitutionele toetsing,
invoering referenda etc.
H2 DE NEDERLANDSE STAAT
Kenmerken overheid
Overheden zijn: ‘instanties die binnen een omschreven domein met gezag bindende beslissingen
nemen en handhaven’ (p.29 OVB) Twee kenmerken zijn:
• Met gezag besluiten nemen / wetten maken
• Naleving afdwingen, desnoods met gelegitimeerd geweld
Vier redenen over het ontstaan van een overheid
1. Zonder krachtige overheid, geen openbare orde.
2. Zonder regulering, verdwijnen eindige hulpbronnen.
3. Zonder verplichte belasting, zijn er ontoereikende voorzieningen.
4. Zonder inkomensverdeling, is er geen sociale vrede.
Kenmerken staat
• Specifiek grondgebied/territorium.
• Er is een bevolking.
, • Er is een wettelijke en bestuurlijke macht. Zo heeft Nederland een grondwet met daarop
aansluitende wet- en regelgeving met juridische en bestuurlijke instanties. Ook is NL een
geweldsmonopolie: de staat mag bevoegd geweld gebruiken.
• Erkenning door andere staten. Praktisch: lidmaatschap bij de Verenigde Naties.
De Staat der Nederlanden
De juridische term voor de Nederlandse overheid is de Staat der Nederlanden. De Staat der
Nederlanden is een rechtspersoon: bevoegd om rechtshandelingen te verrichten. De staat kan
bijvoorbeeld een koopovereenkomst sluiten, een verdrag sluiten met een andere staat of een burger
een belastingaanslag opleggen.
Het Koninkrijk der Nederlanden
Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten vastgelegd
in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Bonaire, Saba en Sint Eustatius hebben de status
van ‘openbaar lichaam’, dit zijn bijzondere gemeentes.
Geschiedenis
• 1815: Constitutionele monarchie: staat waarin het koningschap verankerd is in een
constitutie. Koning staat niet boven de wet maar is ondergeschikt. Willem I Koning der
Nederlanden
• Constitutie: geheel van elementaire geschreven en ongeschreven regels m.b.t. de organisatie
van een staat. Deze regels kunnen (gedeeltelijk) zijn vastgelegd in een wet: een grondwet.
Voorbeeld: Groot-Brittannië heeft geen grondwet, maar wel een constitutie (gewoonterecht/
conventies).
• 1848: Grondwet. Ontworpen door Thorbecke de uitgangspunten van deze grondwet zijn nog
steeds terug te vinden in de huidige Grondwet.
2.1 Parlementair stelsel
Nederland is een democratie waarin de bevolking van achttien jaar en ouder haar hoogste
besluitvormende orgaan kiest: de Tweede Kamer. Het stelsel kent 2 principes:
• Ministeriële verantwoordelijkheid: Koning is onschendbaar, de ministers zijn
verantwoordelijk. Ministers leggen verantwoording af over koningshuis en ambtenaren.
• Vertrouwensregel: Kabinet als geheel en individuele ministers of staatssecretarissen moeten
het vertrouwen hebben van een meerderheid in de Tweede Kamer.
2.2 Rechtsstaat
Kenmerken rechtsstaat
Nederland is onderworpen aan de regels van recht en daarom een rechtsstaat. Kenmerken zijn:
• Overheid handelt niet willekeurig, maar volgens het recht. Legaliteitsbeginsel: overheid mag
alleen handelen op grond van wettelijke bevoegdheden.
• Machtenscheiding / Trias Politica Montesquieu. Wetgevende (legislatieve), Uitvoerende
(executieve), Rechtsprekende (jurisdictieve), ze controleren elkaars functioneren (geen
absolute macht dus).
• Vrije en geheime verkiezingen
• Grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting, gelijke behandeling, recht van vereniging en
vergadering en vrijheid van godsdienst. Deze rechten garanderen de burger een private
sfeer.
• Persvrijheid. Vrije en onafhankelijke media (rol van waakhond).
2.3 Een gedecentraliseerde eenheidsstaat
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Eenheidsstaat en decentralisatie uitgelegd: