Presentatietechnieken
1. Algemeen
1.1. Bouwplannen
- Probleemstructuur
- Maatregelstructuur
- Evaluatiestructuur
- Onderzoekstructuur
- Handelingsstructuur
Andere structuren
- Acroniem (ezelbruggetje)
- Argument – tegenargument
- Eerst feiten, dan conclusies
1.2. Visuele ondersteuning
1. Hou het eenvoudig
- Verhaal ondersteunen
- Niet druk en vol maken veel witruimte
2. Beperk tekst en het aantal opsommingstekens
- Geen tekst is best
- Slide op 3 seconden zien
3. Slides werken enkel als visuele ondersteuning als je ze ook
echt visueel gebruikt
- Foto’s = onthouden
- Bullets limiteren
4. Hou de geanimeerde overgangen beperkt
5. Gebruik kwaliteitsvolle foto’s
6. Gebruik gepaste grafieken
- Taartgrafiek % aantonen
- Verticale kolommen Kwantiteiten over de tijd tonen
- Horizontale kolommen Kwaliteiten vergelijken
- Lijn grafieken Tendensen aantonen
7. Gebruik gepaste kleuren
1
, 8. 10-20-30 regel maximum 10 slides - maximum 20 minuten -
minimale lettergrootte 30
1.3. Taalgebruik
Verbale communicatie
- Ademhaling
▪ Buikademhaling
▪ Ontspannen
- Articulatie
▪ Elke letter goed uitspreken
- Intonatie
▪ Eentonigheid tegengaan
▪ Aandacht bij bepaalde woorden
▪ Toonhoogte aanpassen
- Gepast volume (even stiller praten zorgt voor meer aandacht)
- Gepast tempo (rustig)
- Pauzes inlassen (inhoud verwerken, ademen, voor of na
beweringen)
- Algemeen Nederlands
- Stopwoorden vermijden
- Corrigeer fouten
- Wees creatief
Non-verbale communicatie
- Lichaamshouding
▪ Hoofd recht en vooruit kijken
▪ Schouders laten zakken
▪ Armen en handen vrij en zichtbaar (ter ondersteuning van
woorden)
Natuurlijk en spontaan
- Oogcontact
▪ Publiek aankijken, terugkijken
▪ Waaiervorm (links naar recht)
▪ Tekst niet aflezen
1.4. Soorten vragen
- De testvraag als je het niet weet, zegt dat dan
2
1. Algemeen
1.1. Bouwplannen
- Probleemstructuur
- Maatregelstructuur
- Evaluatiestructuur
- Onderzoekstructuur
- Handelingsstructuur
Andere structuren
- Acroniem (ezelbruggetje)
- Argument – tegenargument
- Eerst feiten, dan conclusies
1.2. Visuele ondersteuning
1. Hou het eenvoudig
- Verhaal ondersteunen
- Niet druk en vol maken veel witruimte
2. Beperk tekst en het aantal opsommingstekens
- Geen tekst is best
- Slide op 3 seconden zien
3. Slides werken enkel als visuele ondersteuning als je ze ook
echt visueel gebruikt
- Foto’s = onthouden
- Bullets limiteren
4. Hou de geanimeerde overgangen beperkt
5. Gebruik kwaliteitsvolle foto’s
6. Gebruik gepaste grafieken
- Taartgrafiek % aantonen
- Verticale kolommen Kwantiteiten over de tijd tonen
- Horizontale kolommen Kwaliteiten vergelijken
- Lijn grafieken Tendensen aantonen
7. Gebruik gepaste kleuren
1
, 8. 10-20-30 regel maximum 10 slides - maximum 20 minuten -
minimale lettergrootte 30
1.3. Taalgebruik
Verbale communicatie
- Ademhaling
▪ Buikademhaling
▪ Ontspannen
- Articulatie
▪ Elke letter goed uitspreken
- Intonatie
▪ Eentonigheid tegengaan
▪ Aandacht bij bepaalde woorden
▪ Toonhoogte aanpassen
- Gepast volume (even stiller praten zorgt voor meer aandacht)
- Gepast tempo (rustig)
- Pauzes inlassen (inhoud verwerken, ademen, voor of na
beweringen)
- Algemeen Nederlands
- Stopwoorden vermijden
- Corrigeer fouten
- Wees creatief
Non-verbale communicatie
- Lichaamshouding
▪ Hoofd recht en vooruit kijken
▪ Schouders laten zakken
▪ Armen en handen vrij en zichtbaar (ter ondersteuning van
woorden)
Natuurlijk en spontaan
- Oogcontact
▪ Publiek aankijken, terugkijken
▪ Waaiervorm (links naar recht)
▪ Tekst niet aflezen
1.4. Soorten vragen
- De testvraag als je het niet weet, zegt dat dan
2