Zinsleer les 11 Nederlands 3 ASO
Actieve/passief
Zinnen met een werkwoordelijk gezegde kunnen zowel actief als passief zijn.
Vergelijk even deze twee voorbeelden.
Emma voert de kinderen naar de basketbalmatch. (=actief)
Emma heeft de kinderen naar de basketbalmatch gevoerd. (=actief)
De kinderen worden naar de basketbalmatch gevoerd. (=passief)
De kinderen zijn naar de basketbalmatch gevoerd. (=passief)
Als het onderwerp effectief doet wat het gezegde uitdrukt, dan is het actief. In
het bovenstaande voorbeeld is het Emma die de kinderen voert, en zijn het niet
de kinderen voeren. Bij een passieve zin wil je om een of andere reden dat het
onderwerp niet te veel aandacht krijgt.
Je kunt wel Emma terug in de passieve zin opnemen, dan noemen we dat
zinsdeel
het handelend voorwerp en krijgt het opnieuw extra aandacht.
De kinderen worden door Emma naar de basketbalmatch gevoerd.
Enkevoudige en samengestelde zin
Er zijn enkelvoudige en samengestelde zinnen. Een enkelvoudige zin bestaat
uit één hoofdzin en heeft slechts één persoonsvorm.
Ik zal vanavond zeker naar de training gaan. Zaterdag is er een wedstrijd.
(=twee enkelvoudige zinnen)
Gebruik geen bestaand woord of een naam. Dat is gemakkelijk te raden.
(=twee enkelvoudige zinnen)
Wanneer je enkelvoudige zinnen samenvoegt, dan krijg je een samengestelde
zin. Je vindt in die zinnen meestal verschillende persoonsvormen.
Ik zal vanavond zeker naar de training gaan, want er is een wedstrijd.
(=één samengestelde zin)
Gebruik geen bestaand woord of een naam omdat dat gemakkelijk te raden is.
(=één samengestelde zin)
Nevenschikking en onderschikking
Actieve/passief
Zinnen met een werkwoordelijk gezegde kunnen zowel actief als passief zijn.
Vergelijk even deze twee voorbeelden.
Emma voert de kinderen naar de basketbalmatch. (=actief)
Emma heeft de kinderen naar de basketbalmatch gevoerd. (=actief)
De kinderen worden naar de basketbalmatch gevoerd. (=passief)
De kinderen zijn naar de basketbalmatch gevoerd. (=passief)
Als het onderwerp effectief doet wat het gezegde uitdrukt, dan is het actief. In
het bovenstaande voorbeeld is het Emma die de kinderen voert, en zijn het niet
de kinderen voeren. Bij een passieve zin wil je om een of andere reden dat het
onderwerp niet te veel aandacht krijgt.
Je kunt wel Emma terug in de passieve zin opnemen, dan noemen we dat
zinsdeel
het handelend voorwerp en krijgt het opnieuw extra aandacht.
De kinderen worden door Emma naar de basketbalmatch gevoerd.
Enkevoudige en samengestelde zin
Er zijn enkelvoudige en samengestelde zinnen. Een enkelvoudige zin bestaat
uit één hoofdzin en heeft slechts één persoonsvorm.
Ik zal vanavond zeker naar de training gaan. Zaterdag is er een wedstrijd.
(=twee enkelvoudige zinnen)
Gebruik geen bestaand woord of een naam. Dat is gemakkelijk te raden.
(=twee enkelvoudige zinnen)
Wanneer je enkelvoudige zinnen samenvoegt, dan krijg je een samengestelde
zin. Je vindt in die zinnen meestal verschillende persoonsvormen.
Ik zal vanavond zeker naar de training gaan, want er is een wedstrijd.
(=één samengestelde zin)
Gebruik geen bestaand woord of een naam omdat dat gemakkelijk te raden is.
(=één samengestelde zin)
Nevenschikking en onderschikking