Huiswerk rechtsvorming Debbie Jullens / 10.1 /
S3803430
Week 6 – 11 oktober 2018
2.6 Vragen bij vermogensrecht en absolute rechten
1. Onjuist, absolute rechten treft men aan in het goederenrecht.
2. Onjuist, art. 3:2a BW bepaalt dat dieren geen zaken zijn.
3. a. Onjuist, volgens art. 3:227 lid 1 BW is het recht dat op een ander goed,
dan een registergoed, is gevestigd, het recht van pand. Daarnaast bepaald
lid twee dat een recht van pand op een zaak zich uitstrekt over al hetgeen
de eigendom van de zaak omvat.
b. Juist, het zijn beide genotsrechten. Genotsrechten geven de gerechtigde
het recht van de zaak feitelijk gebruik te maken. 1
4. a. Onjuist, de opsomming van beperkte rechten en volledige rechten is in
de wet limitatief opgesomd. Volledige rechten zijn eigendomsrecht en
recht op een voortbrengselen van de menselijke geest. En beperkte
rechten rusten op goederen of op een zaak alleen. Art. 3:98 BW bepaalt
dan een beperkt recht wordt gevestigd op dezelfde wijze waarop het
betreffende goed wordt overgedragen.
b. Onjuist, de Hoge Raad geeft een richtlijn voor het onderscheid tussen
onroerend en roerend goed.
c. Onjuist, afhankelijke rechten zijn zekerheidsrechten en zij zijn verbonden
aan een vordering art. 3:7 BW.2
5. a. Juist, beperkte rechten kunnen worden onderverdeeld in genotsrechten
en zekerheidsrechten.
b. Onjuist, een bestanddeel is hetgeen volgens verkeersopvatting
onderdeel van een zaak uitmaakt. Art. 3:4 lid 1 BW. Volgens art. 5:3 BW is
de eigenaar van een zaak tevens eigenaar van al haar bestanddelen. 3
c. Onjuist, art. 3:235 BW bepaalt dat het de pandhouder verboden is
zichzelf het goed toe te eigenen, en moet de pandhouder de verkoop van
de zaak in het openbaar laten plaatsvinden. 4
1
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 245
2
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 252
3
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 235
4
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 256
, 6. Het betreft hier erfdienstbaarheid in de zin van art. 5:70 BW. Uit dit artikel
kan worden opgemaakt dat erfdienstbaarheid steeds is verbonden aan de
zaak. Persoonlijke erfdienstbaarheden kent ons recht niet. De eigenaar van
het heersende erf is ook de gerechtigde van de erfdienstbaarheid. Dat
betekent dat het niet alleen hij zelf betreft, maar ook zijn opvolgers dus in
dit geval Eelco, dit omdat de erfdienstbaarheid dus is verbonden aan de
zaak en niet aan de persoon. Erfdienstbaarheid is een absoluut recht, en
werkt tegen eenieder. Eelco is in deze verplicht de uitoefening van het
recht door Dirk mogelijk te maken. Eelco zit in casu dus fout, en daarmee
is de stelling juist.5 Onjuist, er staat niet expliciet aangegeven dat er
sprake is van erfdienstbaarheid. Art. 3:98 jo. art. 3:99 BW – doorlopen
erfpacht en vergoeding na einde erfpacht. Er is alleen iets
overeengekomen, en er is geen sprake van erfdienstbaarheid. Beperkte
recht is niet aanwezig, het is een gewone overeenkomst tussen partijen.
Eelco heeft dus gelijk. Wel is er sprake van wanprestatie, Peter was op
grond van de overeenkomst verplicht Dirk over zijn pad te laten lopen
gedurende de tijd dat Dirk er nog woonde. Dus hij is te kort geschoten in
de nakoming van de verbintenis.
6.3. Vragen bij de overdracht van een goed en vestiging van
beperkte rechten
7. a. Jan heeft een absoluut recht op de racefiets, namelijk het
eigendomsrecht. Het recht van één tegenover allen. Art. 5:1 BW is hierop
van toepassing. Hij is onmiddellijk bezitter van de fiets art. 3:107 BW.
b. Bram is de bezitter van de stadsfiets, hij weet dat de zaak niet van hem
is, maar hij heeft de pretentie eigenaar te zijn. Hij is geen eigenaar omdat
de levering door bezitsverschaffing als bedoeld in art. 3:107 BW niet op
rechtmatige wijze is gevolgd.
c. Peter is de onmiddellijk houder van de loterijfiets. Hij heeft een
rechtsverhouding met Jan, en deze rechtsverhouding heeft niet tot doel
dat de eigendom overgaat op Peter. Hij houdt de fiets door de fiets te
lenen. Art. 3:107 lid 4 jo. art. 3:108 BW.
d. Jan heeft een absoluut recht op de racefiets, namelijk het
eigendomsrecht. Het recht van één tegenover allen. Art. 5:1 BW is hierop
van toepassing. Houder voor zichzelf, dus onmiddellijk bezitter art. 3:107
BW.
e. In casu is er sprake van aanbod en aanvaarding. Peter wordt hierdoor op
grond van art. 5:1 BW eigenaar van de loterij fiets. Er is sprake van
levering met de korte hand. Peter had de fiets al onder zich omdat hij de
fiets in bruikleen had van Jan welke eigenaar was van de fiets. De
verkrijger van de zaak in dit geval Peter, en deze blijft dus bij Peter. Op
grond van de bruikleenovereenkomst is Peter houder van de fiets, die aan
Jan in eigendom toebehoort. Door de koopovereenkomst wordt Peter nu
van houder van de fiets tot bezitter/eigenaar daarvan. Feitelijke overgave
is in casu niet nodig. Bezitsverschaffing door feitelijke overgave kan
achterwege blijven door de tweezijdige verklaring van art. 3:115 BW, deze
is voor de rechtsgeldige levering voldoende.
f. Ja, een bezitter houdt de zaak voor zichzelf, en heeft de pretentie om
eigenaar te zijn. Door de overeenkomst die hij heeft gesloten is hij
eigenaar geworden, en tevens bezitter/houder van de fiets.
5
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 247-248
S3803430
Week 6 – 11 oktober 2018
2.6 Vragen bij vermogensrecht en absolute rechten
1. Onjuist, absolute rechten treft men aan in het goederenrecht.
2. Onjuist, art. 3:2a BW bepaalt dat dieren geen zaken zijn.
3. a. Onjuist, volgens art. 3:227 lid 1 BW is het recht dat op een ander goed,
dan een registergoed, is gevestigd, het recht van pand. Daarnaast bepaald
lid twee dat een recht van pand op een zaak zich uitstrekt over al hetgeen
de eigendom van de zaak omvat.
b. Juist, het zijn beide genotsrechten. Genotsrechten geven de gerechtigde
het recht van de zaak feitelijk gebruik te maken. 1
4. a. Onjuist, de opsomming van beperkte rechten en volledige rechten is in
de wet limitatief opgesomd. Volledige rechten zijn eigendomsrecht en
recht op een voortbrengselen van de menselijke geest. En beperkte
rechten rusten op goederen of op een zaak alleen. Art. 3:98 BW bepaalt
dan een beperkt recht wordt gevestigd op dezelfde wijze waarop het
betreffende goed wordt overgedragen.
b. Onjuist, de Hoge Raad geeft een richtlijn voor het onderscheid tussen
onroerend en roerend goed.
c. Onjuist, afhankelijke rechten zijn zekerheidsrechten en zij zijn verbonden
aan een vordering art. 3:7 BW.2
5. a. Juist, beperkte rechten kunnen worden onderverdeeld in genotsrechten
en zekerheidsrechten.
b. Onjuist, een bestanddeel is hetgeen volgens verkeersopvatting
onderdeel van een zaak uitmaakt. Art. 3:4 lid 1 BW. Volgens art. 5:3 BW is
de eigenaar van een zaak tevens eigenaar van al haar bestanddelen. 3
c. Onjuist, art. 3:235 BW bepaalt dat het de pandhouder verboden is
zichzelf het goed toe te eigenen, en moet de pandhouder de verkoop van
de zaak in het openbaar laten plaatsvinden. 4
1
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 245
2
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 252
3
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 235
4
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 256
, 6. Het betreft hier erfdienstbaarheid in de zin van art. 5:70 BW. Uit dit artikel
kan worden opgemaakt dat erfdienstbaarheid steeds is verbonden aan de
zaak. Persoonlijke erfdienstbaarheden kent ons recht niet. De eigenaar van
het heersende erf is ook de gerechtigde van de erfdienstbaarheid. Dat
betekent dat het niet alleen hij zelf betreft, maar ook zijn opvolgers dus in
dit geval Eelco, dit omdat de erfdienstbaarheid dus is verbonden aan de
zaak en niet aan de persoon. Erfdienstbaarheid is een absoluut recht, en
werkt tegen eenieder. Eelco is in deze verplicht de uitoefening van het
recht door Dirk mogelijk te maken. Eelco zit in casu dus fout, en daarmee
is de stelling juist.5 Onjuist, er staat niet expliciet aangegeven dat er
sprake is van erfdienstbaarheid. Art. 3:98 jo. art. 3:99 BW – doorlopen
erfpacht en vergoeding na einde erfpacht. Er is alleen iets
overeengekomen, en er is geen sprake van erfdienstbaarheid. Beperkte
recht is niet aanwezig, het is een gewone overeenkomst tussen partijen.
Eelco heeft dus gelijk. Wel is er sprake van wanprestatie, Peter was op
grond van de overeenkomst verplicht Dirk over zijn pad te laten lopen
gedurende de tijd dat Dirk er nog woonde. Dus hij is te kort geschoten in
de nakoming van de verbintenis.
6.3. Vragen bij de overdracht van een goed en vestiging van
beperkte rechten
7. a. Jan heeft een absoluut recht op de racefiets, namelijk het
eigendomsrecht. Het recht van één tegenover allen. Art. 5:1 BW is hierop
van toepassing. Hij is onmiddellijk bezitter van de fiets art. 3:107 BW.
b. Bram is de bezitter van de stadsfiets, hij weet dat de zaak niet van hem
is, maar hij heeft de pretentie eigenaar te zijn. Hij is geen eigenaar omdat
de levering door bezitsverschaffing als bedoeld in art. 3:107 BW niet op
rechtmatige wijze is gevolgd.
c. Peter is de onmiddellijk houder van de loterijfiets. Hij heeft een
rechtsverhouding met Jan, en deze rechtsverhouding heeft niet tot doel
dat de eigendom overgaat op Peter. Hij houdt de fiets door de fiets te
lenen. Art. 3:107 lid 4 jo. art. 3:108 BW.
d. Jan heeft een absoluut recht op de racefiets, namelijk het
eigendomsrecht. Het recht van één tegenover allen. Art. 5:1 BW is hierop
van toepassing. Houder voor zichzelf, dus onmiddellijk bezitter art. 3:107
BW.
e. In casu is er sprake van aanbod en aanvaarding. Peter wordt hierdoor op
grond van art. 5:1 BW eigenaar van de loterij fiets. Er is sprake van
levering met de korte hand. Peter had de fiets al onder zich omdat hij de
fiets in bruikleen had van Jan welke eigenaar was van de fiets. De
verkrijger van de zaak in dit geval Peter, en deze blijft dus bij Peter. Op
grond van de bruikleenovereenkomst is Peter houder van de fiets, die aan
Jan in eigendom toebehoort. Door de koopovereenkomst wordt Peter nu
van houder van de fiets tot bezitter/eigenaar daarvan. Feitelijke overgave
is in casu niet nodig. Bezitsverschaffing door feitelijke overgave kan
achterwege blijven door de tweezijdige verklaring van art. 3:115 BW, deze
is voor de rechtsgeldige levering voldoende.
f. Ja, een bezitter houdt de zaak voor zichzelf, en heeft de pretentie om
eigenaar te zijn. Door de overeenkomst die hij heeft gesloten is hij
eigenaar geworden, en tevens bezitter/houder van de fiets.
5
J.W.P. Verheugt, 2018, p. 247-248