2 DE STRUCTUUR VAN DNA
DNA heeft net zoals bij eiwitten structuren op verschillende niveau’s:
2.1 DE PRIMAIRE STRUCTUUR VAN DNA
• Aaneenschakeling van bouwstenen
o Basis bouwsteen = nucleotide, samenstelling:
▪ (Pentose)suiker (genummerd van 1-5 met accenten)
• Basen zonder accent, suikers met accent
• Bij DNA moet de suiker een 2’-deoxyribose (H-
atoom om 2’ en OH op 3’) zijn
o Dit zorgt voor onderscheid met RNA
want bij RNA ook OH-groep op 2’
▪ 1’ een stikstofhoudende base
• Enkele ring (pyrimidine) of dubbele ring (purine)
• Binding met suiker thv positie 9 (pyr) en positie 1 (pur)
• Uracil komt niet voor in DNA, enkel in RNA
▪ 5’ een fosfaatgroep
• Zorgt voor de binding van die suikers aan elkaar
• Nomenclatuur
o Base + pentose (zonder fosfaat) = nucleoside
o Base + pentose + fosfaat = nucleotide
o + 1 fosfaat = nucleoside monofosfaat
o + 2 fosfaten = nucleoside difosfaat
o + 3 fosfaten = nucleoside trifosfaat
▪ Bv. ATP: adenosine-trifosfaat: adenine (base) + pentose + 3 fosfaat
• Nucleotidebouwstenen worden aan elkaar gekoppeld en vormen een nieuw enkelstrengig
nucleïnezuur door afsplitsing van PPi en vorming van een nieuwe fosfodiesterbinding
• Directionaliteit
o 5’ een P-groep
o 3’ een OH-groep
2.2 DE SECUNDAIRE STRUCTUUR VAN DNA
• Secundaire structuur ontstaat door zwakke krachten
o Waterstofbruggen (GC-binding 3 en TA-binding 2)
• Strengen lopen antiparallel
• Rechtsdraaiend (van boven nr beneden nr buiten kijkend)
• Diameter helix: 2nm
• 1 complete draai: 10 basenparen
• Helix is asymmetrisch (kleine en grote groeve) =>
o De manier waarop de basen aan de
suikers worden gekoppeld zorgt voor het
ontstaan van de kleine en de grote
groeve
• Veel plaats bij de grote groeve: er zullen daar veel zwakke interacties
plaatsvinden
DNA heeft net zoals bij eiwitten structuren op verschillende niveau’s:
2.1 DE PRIMAIRE STRUCTUUR VAN DNA
• Aaneenschakeling van bouwstenen
o Basis bouwsteen = nucleotide, samenstelling:
▪ (Pentose)suiker (genummerd van 1-5 met accenten)
• Basen zonder accent, suikers met accent
• Bij DNA moet de suiker een 2’-deoxyribose (H-
atoom om 2’ en OH op 3’) zijn
o Dit zorgt voor onderscheid met RNA
want bij RNA ook OH-groep op 2’
▪ 1’ een stikstofhoudende base
• Enkele ring (pyrimidine) of dubbele ring (purine)
• Binding met suiker thv positie 9 (pyr) en positie 1 (pur)
• Uracil komt niet voor in DNA, enkel in RNA
▪ 5’ een fosfaatgroep
• Zorgt voor de binding van die suikers aan elkaar
• Nomenclatuur
o Base + pentose (zonder fosfaat) = nucleoside
o Base + pentose + fosfaat = nucleotide
o + 1 fosfaat = nucleoside monofosfaat
o + 2 fosfaten = nucleoside difosfaat
o + 3 fosfaten = nucleoside trifosfaat
▪ Bv. ATP: adenosine-trifosfaat: adenine (base) + pentose + 3 fosfaat
• Nucleotidebouwstenen worden aan elkaar gekoppeld en vormen een nieuw enkelstrengig
nucleïnezuur door afsplitsing van PPi en vorming van een nieuwe fosfodiesterbinding
• Directionaliteit
o 5’ een P-groep
o 3’ een OH-groep
2.2 DE SECUNDAIRE STRUCTUUR VAN DNA
• Secundaire structuur ontstaat door zwakke krachten
o Waterstofbruggen (GC-binding 3 en TA-binding 2)
• Strengen lopen antiparallel
• Rechtsdraaiend (van boven nr beneden nr buiten kijkend)
• Diameter helix: 2nm
• 1 complete draai: 10 basenparen
• Helix is asymmetrisch (kleine en grote groeve) =>
o De manier waarop de basen aan de
suikers worden gekoppeld zorgt voor het
ontstaan van de kleine en de grote
groeve
• Veel plaats bij de grote groeve: er zullen daar veel zwakke interacties
plaatsvinden