1. Inleiding
1. Het oog
1.1 Samenstelling
2 soorten lichtgevoelige receptoren:
Staafjes Kegeltjes
- Buiten het centrum van het oog - Op en rond de gele vlek
- Onderscheiden licht en donker - Reageren vooral op kleuren
- Nachtzicht, scotopisch zicht - Dagzicht, fotopisch zicht
- Grote lichtgevoeligheid - Geringe lichtgevoeligheid
- 3 soorten: elk gevoelig voor een bepaald
golflengtegebied
- Gele vlek:
o Centrale deel van het netvlies
o Kegeltjes die rechtstreeks verbonden zijn met een oogzenuwvezel
- Blinde vlek:
o Plaats waar de oogzenuw het oog verlaat
o Geen staafjes en kegeltjes
o Beide ogen compenseren elkaars blinde vlek
- Fovea:
o Centrum van het netvlies
o Inzinking van de gele vlek
o Grootste gezichtsscherpte
1
Colour Science Tiffany Volckaert
, 1.2 Verschijnselen
1.2.1 Helderheidsadaptatie
- Het oog bezit de eigenschap zich goed aan te passen aan de luminantie.
- Zowel bij een lage als een hoge luminantie zien we de omgeving
- Eens het oog aangepast is, blijf het aantal helderheidniveaus beperkt
Bijvoorbeeld: Van op een terras in de volle zon, naar binnen gaan waar het een nogal bruin
interieur is. Je zal eerst weinig zien, maar je ogen passen zich aan zodat je je omgeving wel ziet.
1.2.2 Kleuradaptatie
- De hoogste helderheid in een heersende verlichting als ‘wit’ gaan beschouwen
- Bijvoorbeeld: Rood licht als wit beschouwen waardoor een zwart-wit foto met een rode
schijn gewoon zwart-wit zal lijken.
Color constancy = Kleuradaptatie zorgt ervoor dat kleuren ‘constant blijven’. Als je een
voorwerp met een andere lichtbron verlicht, dan verandert de kleur die je waarneemt. Maar
als je je ogen de tijd geef zich aan te passen, dan zal het voorwerp weer dezelfde kleur krijgen.
Verklaring?
De kegeltjes raken vermoeid en worden minder gevoelig voor dat bepaalde kleur.
Bijvoorbeeld: De rode kegeltjes worden vermoeid en filteren het rood weg, dan springen
de groene en blauwe kegeltjes in.
1.2.3 Successief contrast
- Bepaalde delen van het netvlies die onder invloed staan van een bepaalde stimulus,
geven bij het wegvallen van die stimulus normaal een negatief beeld.
- Negatief beeld = de complementaire kleur
- Bijvoorbeeld: Als je focust op een blauwe rechthoek, zorgt dit voor vermoeide blauwe
kegeltjes. Als de blauwe rechthoek vervolgens wegvalt, werken de andere kegeltjes wel nog
en zal je even een groene rechthoek te zien krijgen.
2
Colour Science Tiffany Volckaert