cova
les 1
1) Communicatiemodel
Schema 1 Roman Jakobson:
- Informatieoverdracht -> taal dient om informatie over te brengen
- Sociale profilering -> bewust of onbewust geven we tijdens onze communicatie
ook informatie over onze sociale achtergrond
Schema 2:
- Aandacht wordt besteed aan de rollen die communicatiepartners ten opzichte
van elkaar hebben (hiërarchisch of gelijkwaardig, zakelijk of vriendschappelijk) en
het belang van interpretatie
, Zender
- De persoon die de communicatie van start laat gaan door een boodschap naar de
ontvanger te sturen
Ontvanger
- De persoon aan wie de boodschap is gericht
Boodschap
- De eigenlijke inhoud van de communicatie tussen zender en ontvanger
Context
- Het referentiekader waarin de communicatie plaatsvindt, de situatie waarin men
zich bevindt, de voorkennis die de partijen hebben over het onderwerp waarover
ze praten. kan enkel goed verlopen als alle factoren door alle partijen goed
begrepen worden. Het spreekt dan ook voor zich dat van de betrokken partijen
verwacht wordt, dat ze dezelfde voorkennis hebben over het onderwerp en de
gesprekssituatie
Code
- De vorm waarin de boodschap wordt verstuurd, hoeft niet noodzakelijk een taal
in enge zin te zijn (Nederlands, Engels, Frans), zij kan ook bv. gebarentaal,
brailleschrift of pictogrammen zijn
Contact
- De relatie tussen zender en ontvanger, relatie ontstaat naar aanleiding van de
communicatie
Medium/kanaal
- Het middel om je boodschap aan de ontvanger over te brengen, bv. brieven,
internet, stem en signalen
Bedoeling
- Wat de zender met zijn boodschap wil bereiken, drie belangrijke bedoelingen:
informeren, overtuigen en aansporen
Ruis
- De elementen die de communicatie tussen zender en ontvanger negatief
beïnvloeden, er bestaat ‘externe ruis’ (verkeer) en ‘interne ruis’ (=
zenuwachtigheid, geëmotioneerdheid, heesheid)
Feedback
- Wederkerigheid van communicatie, de zender is immers niet altijd zender, hij kan
ook ontvanger worden als de oorspronkelijke ontvanger de zender wordt door te
repliceren op de boodschap van de oorspronkelijke zender
Proces van coderen en decoderen
- De zender zet in gedachten om in taal (= coderen) en dat de ontvanger de
boodschap weer in gedachten omzet en probeert te begrijpen wat de zender
precies bedoeld (= decoderen)
Inhoud
- De boodschap van de communicatie, wat er tussen twee partijen gezegd wordt
Relatie
- De rollen die de gespreksparten ten opzichte van elkaar hebben
Perceptie
- De inhoud en relatie waargenomen/gepercipieerd worden: interpretatie van de
inhoud, rekening houden met de rollen
Waardering en respect
les 1
1) Communicatiemodel
Schema 1 Roman Jakobson:
- Informatieoverdracht -> taal dient om informatie over te brengen
- Sociale profilering -> bewust of onbewust geven we tijdens onze communicatie
ook informatie over onze sociale achtergrond
Schema 2:
- Aandacht wordt besteed aan de rollen die communicatiepartners ten opzichte
van elkaar hebben (hiërarchisch of gelijkwaardig, zakelijk of vriendschappelijk) en
het belang van interpretatie
, Zender
- De persoon die de communicatie van start laat gaan door een boodschap naar de
ontvanger te sturen
Ontvanger
- De persoon aan wie de boodschap is gericht
Boodschap
- De eigenlijke inhoud van de communicatie tussen zender en ontvanger
Context
- Het referentiekader waarin de communicatie plaatsvindt, de situatie waarin men
zich bevindt, de voorkennis die de partijen hebben over het onderwerp waarover
ze praten. kan enkel goed verlopen als alle factoren door alle partijen goed
begrepen worden. Het spreekt dan ook voor zich dat van de betrokken partijen
verwacht wordt, dat ze dezelfde voorkennis hebben over het onderwerp en de
gesprekssituatie
Code
- De vorm waarin de boodschap wordt verstuurd, hoeft niet noodzakelijk een taal
in enge zin te zijn (Nederlands, Engels, Frans), zij kan ook bv. gebarentaal,
brailleschrift of pictogrammen zijn
Contact
- De relatie tussen zender en ontvanger, relatie ontstaat naar aanleiding van de
communicatie
Medium/kanaal
- Het middel om je boodschap aan de ontvanger over te brengen, bv. brieven,
internet, stem en signalen
Bedoeling
- Wat de zender met zijn boodschap wil bereiken, drie belangrijke bedoelingen:
informeren, overtuigen en aansporen
Ruis
- De elementen die de communicatie tussen zender en ontvanger negatief
beïnvloeden, er bestaat ‘externe ruis’ (verkeer) en ‘interne ruis’ (=
zenuwachtigheid, geëmotioneerdheid, heesheid)
Feedback
- Wederkerigheid van communicatie, de zender is immers niet altijd zender, hij kan
ook ontvanger worden als de oorspronkelijke ontvanger de zender wordt door te
repliceren op de boodschap van de oorspronkelijke zender
Proces van coderen en decoderen
- De zender zet in gedachten om in taal (= coderen) en dat de ontvanger de
boodschap weer in gedachten omzet en probeert te begrijpen wat de zender
precies bedoeld (= decoderen)
Inhoud
- De boodschap van de communicatie, wat er tussen twee partijen gezegd wordt
Relatie
- De rollen die de gespreksparten ten opzichte van elkaar hebben
Perceptie
- De inhoud en relatie waargenomen/gepercipieerd worden: interpretatie van de
inhoud, rekening houden met de rollen
Waardering en respect