Nederlands 1.1
ALGEMENE INLEIDING
Ontwikkelingsdoelen = streefdoelen einde kleuterscholen
Eindtermen = minimumdoelen einde lagere school
Taalcompetentie = geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om
geschreven, gesproken en multimodale teksten te begrijpen, evalueren en te gebruiken zodat:
1 Volwaardige deelname aan samenleving mogelijk wordt
2 Eigen doelen gerealiseerd kunnen worden
3 De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld
Taalkennis = wat iemand bewust en onbewust weet over allerlei aspecten van taal
Functies taal
Conceptualiserende functie (zaken benoemen/ ordenen)
Communicatieve functie
Expressieve functie (emoties uitdrukken)
Sociale functie (lln praten over tiktok, dit kan niet met grootouders)
Zeven didactische principes van taalkrachtig onderwijs
1 Taalkrachtig onderwijs stimuleert een positieve talige grondhouding
a. Veilige oefencontext bieden, talige repertoire van leerlingen omarmen, hoge
verwachtingen koesteren (uitdagend genoeg)
b. Basis/ fundament voor de volgende zes principes
c. Manier waarop je onderwijs vormgeeft & houding en voorbeeldgedrag van leerkracht
2 Taalkrachtig onderwijs is contextrijk
a. Taal krijgt betekenis door contexten
i. Biedt veel en rijk taalaanbod en verbind dat met de interesses en de leefwereld
van de kinderen, en met hun eerder opgedane ervaringen. Zo kan taal
verworven worden.
ii. Werk motiverend
iii. Vertrek: concrete materialen, vragen en situaties verbinden met abstracte
inhouden
iv. Voorkennis oproepen
3 Taalkrachtig onderwijs is functioneel
a. Taal wordt functioneler als het dient om allerlei andere doelen te bereiken en dus een
middel wordt om betekenisvolle taken op te lossen. (vb. stappenplan bloembol)
i. Bij uitwerking taken: talig doel voor ogen houden
b. Functioneel doel: verhoogt motivatie en betrokkenheid
c. Functionaliteit zorgt voor uitdaging (vb. taken op hoog niveau)
4 Taalkrachtig onderwijs is (inter)actief
a. Leerlingen kunnen veel van elkaar leren
b. Input en feedback van leerkracht krijgen
c. Kansen om actief te leren
d. Leraar-leerling interactie
i. Input (persoonlijk taalaanbod) + feedback (ondersteuning)
ii. Taalstimulerend reageren (verbreden, verrijken, verbeteren bv. door
denkstimulerende vragen, rijke verwoording, opinievragen …)
e. Leerling-leerling interactieve
1
, i. Interactiekansen bieden (homogene of heterogene groepjes)
5 Taalkrachtig onderwijs geeft ondersteuning
a. Ondersteuning door feedback terwijl leerling aan het lezen/ luisteren/ spreken/ schrijven
is
i. Combinatie van:
1. Feedback: huidige stand van zaken
2. Feed-up: gewenste leeruitkomst
3. Feedforward: beschrijving stap die nodig is om bij de gewenste
leeruitkomsten te belanden
b. Scaffolding en modeling om kloof te overbruggen
i. Scaffolding: zeer gerichte ondersteuning geven om leerlingen trapje hoger te
doen geraken
ii. Modeling: modelgedrag leerkracht (hardopdenken voordoen hoe leerlingen
strategieën kunnen toepassen)
c. Kansen om te differentiëren
d. Individuele en klassikale ondersteuning
6 Taalkrachtig onderwijs heeft aandacht voor impliciet en expliciet leren
a. Impliciet = onbewust taal oppikken
b. Expliciet = bewust inzoomen op talige aspecten (vb. schooltaalwoorden)
i. Incidenteel (toeval, niet gepland) = voorbeeld: leerlingen stellen vraag over een
bepaald woorden
ii. Intentioneel (gepland) = voorbeeld: les taal over werkwoord, voorbereide les)
c. Expliciete aandacht voor strategieën en vormelijke aspecten + modelen hoe leerlingen
deze kunnen toepassen = ‘focus on form’
d. Goede voorbereiding, keuze en meerdere oefenkansen (transfer)
7 Taalkrachtig onderwijs biedt kansen tot reflectie
a. Nadenken/ reflecteren over proces, product, vooruitgang om leren te ondersteunen
b. Voor, tijdens en/ of na
c. Reflectie op initiatief van de leraar
d. Reflectie door medeleerlingen
e. Tijd en ruimte om te reflecteren
Soorten vaardigheden
Receptieve vaardigheden (luisteren en lezen)
o Ontvangen
Productieve vaardigheden (spreken en schrijven)
o Zelf produceren
Schriftelijke vaardigheden (lezen en schrijven)
Mondelinge vaardigheden (luisteren en spreken)
LUISTEREN EN SPREKEN
Verschillen mondelinge taal en schriftelijke taal
= mondeling: minder tijd om na te denken over boodschap
= schriftelijk: je kan nadenken over boodschap
Gelijkenissen mondelinge taal en schriftelijke taal
= bij beiden produceer je een boodschap en geef je die door (productieve vaardigheden)
= je produceert of verwerkt taaluitingen
2
ALGEMENE INLEIDING
Ontwikkelingsdoelen = streefdoelen einde kleuterscholen
Eindtermen = minimumdoelen einde lagere school
Taalcompetentie = geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om
geschreven, gesproken en multimodale teksten te begrijpen, evalueren en te gebruiken zodat:
1 Volwaardige deelname aan samenleving mogelijk wordt
2 Eigen doelen gerealiseerd kunnen worden
3 De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld
Taalkennis = wat iemand bewust en onbewust weet over allerlei aspecten van taal
Functies taal
Conceptualiserende functie (zaken benoemen/ ordenen)
Communicatieve functie
Expressieve functie (emoties uitdrukken)
Sociale functie (lln praten over tiktok, dit kan niet met grootouders)
Zeven didactische principes van taalkrachtig onderwijs
1 Taalkrachtig onderwijs stimuleert een positieve talige grondhouding
a. Veilige oefencontext bieden, talige repertoire van leerlingen omarmen, hoge
verwachtingen koesteren (uitdagend genoeg)
b. Basis/ fundament voor de volgende zes principes
c. Manier waarop je onderwijs vormgeeft & houding en voorbeeldgedrag van leerkracht
2 Taalkrachtig onderwijs is contextrijk
a. Taal krijgt betekenis door contexten
i. Biedt veel en rijk taalaanbod en verbind dat met de interesses en de leefwereld
van de kinderen, en met hun eerder opgedane ervaringen. Zo kan taal
verworven worden.
ii. Werk motiverend
iii. Vertrek: concrete materialen, vragen en situaties verbinden met abstracte
inhouden
iv. Voorkennis oproepen
3 Taalkrachtig onderwijs is functioneel
a. Taal wordt functioneler als het dient om allerlei andere doelen te bereiken en dus een
middel wordt om betekenisvolle taken op te lossen. (vb. stappenplan bloembol)
i. Bij uitwerking taken: talig doel voor ogen houden
b. Functioneel doel: verhoogt motivatie en betrokkenheid
c. Functionaliteit zorgt voor uitdaging (vb. taken op hoog niveau)
4 Taalkrachtig onderwijs is (inter)actief
a. Leerlingen kunnen veel van elkaar leren
b. Input en feedback van leerkracht krijgen
c. Kansen om actief te leren
d. Leraar-leerling interactie
i. Input (persoonlijk taalaanbod) + feedback (ondersteuning)
ii. Taalstimulerend reageren (verbreden, verrijken, verbeteren bv. door
denkstimulerende vragen, rijke verwoording, opinievragen …)
e. Leerling-leerling interactieve
1
, i. Interactiekansen bieden (homogene of heterogene groepjes)
5 Taalkrachtig onderwijs geeft ondersteuning
a. Ondersteuning door feedback terwijl leerling aan het lezen/ luisteren/ spreken/ schrijven
is
i. Combinatie van:
1. Feedback: huidige stand van zaken
2. Feed-up: gewenste leeruitkomst
3. Feedforward: beschrijving stap die nodig is om bij de gewenste
leeruitkomsten te belanden
b. Scaffolding en modeling om kloof te overbruggen
i. Scaffolding: zeer gerichte ondersteuning geven om leerlingen trapje hoger te
doen geraken
ii. Modeling: modelgedrag leerkracht (hardopdenken voordoen hoe leerlingen
strategieën kunnen toepassen)
c. Kansen om te differentiëren
d. Individuele en klassikale ondersteuning
6 Taalkrachtig onderwijs heeft aandacht voor impliciet en expliciet leren
a. Impliciet = onbewust taal oppikken
b. Expliciet = bewust inzoomen op talige aspecten (vb. schooltaalwoorden)
i. Incidenteel (toeval, niet gepland) = voorbeeld: leerlingen stellen vraag over een
bepaald woorden
ii. Intentioneel (gepland) = voorbeeld: les taal over werkwoord, voorbereide les)
c. Expliciete aandacht voor strategieën en vormelijke aspecten + modelen hoe leerlingen
deze kunnen toepassen = ‘focus on form’
d. Goede voorbereiding, keuze en meerdere oefenkansen (transfer)
7 Taalkrachtig onderwijs biedt kansen tot reflectie
a. Nadenken/ reflecteren over proces, product, vooruitgang om leren te ondersteunen
b. Voor, tijdens en/ of na
c. Reflectie op initiatief van de leraar
d. Reflectie door medeleerlingen
e. Tijd en ruimte om te reflecteren
Soorten vaardigheden
Receptieve vaardigheden (luisteren en lezen)
o Ontvangen
Productieve vaardigheden (spreken en schrijven)
o Zelf produceren
Schriftelijke vaardigheden (lezen en schrijven)
Mondelinge vaardigheden (luisteren en spreken)
LUISTEREN EN SPREKEN
Verschillen mondelinge taal en schriftelijke taal
= mondeling: minder tijd om na te denken over boodschap
= schriftelijk: je kan nadenken over boodschap
Gelijkenissen mondelinge taal en schriftelijke taal
= bij beiden produceer je een boodschap en geef je die door (productieve vaardigheden)
= je produceert of verwerkt taaluitingen
2