Hoofdstuk 1: Validiteit
1. Betrouwbaarheid
In hoeverre is een testscore herhaalbaar onder gelijkblijvende condities?
• Herhaalbaarheid / consistentie = de meetfout in testscore X is klein
Betrouwbaarheid: noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor validiteit
• Betrouwbaarheid is een noodzakelijke voorwaarde
• Een hoge betrouwbaarheid is nodig voor een goede validiteit
• Een laag betrouwbare test kan niet valide zijn = veel meetfouten
• Betrouwbaarheid is geen voldoende voorwaarde
• Een betrouwbare test is niet per se valide
• Een hoog betrouwbare test kan onbedoeld iets anders meten.
2. Het begrip validiteit
1. Validiteit
Kenmerken: juist, nuttig, voorspellend vermogen, accuraat in gebruik, interpreteerbaar
Definitie: Het is de mate waarin de test aan zijn doel beantwoordt.
o Een test moet een bepaalde psychologische eigenschap correct representeren
o Een test moet in overeenstemming zijn met de theorie over deze eigenschap.
o De mate waarin men uitspraken kan doen over een persoon die verder gaan dan het
geobserveerde testgedrag (bv. rekenvaardigheid, geschiktheid als bedrijfsleider).
Validiteit is geen eigenschap van de test op zich
o Validiteit kan niet gezien kan worden als een eigenschap van de test zonder meer
o Er zijn verschillende doelen, dus verschillende vormen van validiteit
o Een test kan voor het ene doel valide zijn en voor het andere doel niet
Het gaat nooit om het testgedrag zelf: testgedrag zegt ons iets over ander gedrag
o Gedragingen die representatief zijn voor de gemeten eigenschap van de test (bv.
rekentest), maar die niet door de specifieke verzameling van items in die test werden
opgeroepen (bv. alle deelaspecten van het rekenbegrip)
o Gedragingen die representatief zijn voor andere eigenschappen (bv. geschiktheid
voor bedrijfsleider), die men met behulp van de testscore zou willen voorspellen (bv.
test voor algemene kennis).
Validiteit:
Is de sprong van testgedrag naar iets anders verantwoord?
o Wat is de mate waarin rechtvaardiging is gevonden?
Valideringsproces = proces van het verzamelen van evidentie voor deze rechtvaardiging
2. De test als voorspeller van ander gedrag r(test, criterium)
Voorspelling niet beperkt tot de toekomst
• Voorspelling van bepaald gedrag of een prestatie buiten de testsituatie.
• Een uitspraak doen over feiten waarvoor we geen directe evidentie hebben maar
waarover we een conclusie formuleren op basis van de kennis van gegevens
waarvan we veronderstellen dat ze met die feiten samenhangen
• Praktisch onderscheid i.f.v. tijdsaspect
• Predictie (toekomst)
• Paradictie (heden)
• Postdictie (verleden)
• Predictor = een voorspellende test
• Criterium = het gedrag buiten de test
1
1. Betrouwbaarheid
In hoeverre is een testscore herhaalbaar onder gelijkblijvende condities?
• Herhaalbaarheid / consistentie = de meetfout in testscore X is klein
Betrouwbaarheid: noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor validiteit
• Betrouwbaarheid is een noodzakelijke voorwaarde
• Een hoge betrouwbaarheid is nodig voor een goede validiteit
• Een laag betrouwbare test kan niet valide zijn = veel meetfouten
• Betrouwbaarheid is geen voldoende voorwaarde
• Een betrouwbare test is niet per se valide
• Een hoog betrouwbare test kan onbedoeld iets anders meten.
2. Het begrip validiteit
1. Validiteit
Kenmerken: juist, nuttig, voorspellend vermogen, accuraat in gebruik, interpreteerbaar
Definitie: Het is de mate waarin de test aan zijn doel beantwoordt.
o Een test moet een bepaalde psychologische eigenschap correct representeren
o Een test moet in overeenstemming zijn met de theorie over deze eigenschap.
o De mate waarin men uitspraken kan doen over een persoon die verder gaan dan het
geobserveerde testgedrag (bv. rekenvaardigheid, geschiktheid als bedrijfsleider).
Validiteit is geen eigenschap van de test op zich
o Validiteit kan niet gezien kan worden als een eigenschap van de test zonder meer
o Er zijn verschillende doelen, dus verschillende vormen van validiteit
o Een test kan voor het ene doel valide zijn en voor het andere doel niet
Het gaat nooit om het testgedrag zelf: testgedrag zegt ons iets over ander gedrag
o Gedragingen die representatief zijn voor de gemeten eigenschap van de test (bv.
rekentest), maar die niet door de specifieke verzameling van items in die test werden
opgeroepen (bv. alle deelaspecten van het rekenbegrip)
o Gedragingen die representatief zijn voor andere eigenschappen (bv. geschiktheid
voor bedrijfsleider), die men met behulp van de testscore zou willen voorspellen (bv.
test voor algemene kennis).
Validiteit:
Is de sprong van testgedrag naar iets anders verantwoord?
o Wat is de mate waarin rechtvaardiging is gevonden?
Valideringsproces = proces van het verzamelen van evidentie voor deze rechtvaardiging
2. De test als voorspeller van ander gedrag r(test, criterium)
Voorspelling niet beperkt tot de toekomst
• Voorspelling van bepaald gedrag of een prestatie buiten de testsituatie.
• Een uitspraak doen over feiten waarvoor we geen directe evidentie hebben maar
waarover we een conclusie formuleren op basis van de kennis van gegevens
waarvan we veronderstellen dat ze met die feiten samenhangen
• Praktisch onderscheid i.f.v. tijdsaspect
• Predictie (toekomst)
• Paradictie (heden)
• Postdictie (verleden)
• Predictor = een voorspellende test
• Criterium = het gedrag buiten de test
1