OPGAVEN WERKGROEP 1: HEFFINGSTECHNIEKEN
Opgave 1
Bij naheffing van aangiftebelasting is in art.20 AWR in tegenstelling tot art. 16AWR niet het
vereiste van een nieuw feit opgenomen. Wat is hiervan de achterliggende gedachte?
Een inspecteur mag van de aangifte afwijken blijkens art 11 AWR. Bij navorderen geldt het
vereiste van een nieuw feit. Als de inspecteur het onderzoek niet goed heeft gedaan, is er sprake
van een ambtelijk verzuim en mag niet nagevorderd worden. Bij een aanslagbelasting is het de
inspecteur die formaliseert ex art 11 AWR. Voor navordering moet voldaan worden aan de
vereisten van art 16 AWR: nieuw feit en kwade trouw, art 16 lid 2 AWR.
Aangiftebelasting: belastingplichtige dient aangifte in en betaalt ook meteen, deze formaliseert de
belastingschuld ex art. 19 AWR. Als het niet klopt, kan er nageheven worden door de inspecteur
op grond van art 20 AWR. Naheffen gebeurt door middel van een naheffingsaanslag. Hier geldt
niet het vereiste van een nieuw feit en kwade trouw of een andere uitzondering speelt hier niet.
Naheffen kan eigenlijk altijd indien te weinig is betaald of te veel is teruggekregen, tenzij er strijd
is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur (: zoals het vertrouwensbeginsel)
Opgave 2
Joker B.V. heeft over het jaar 2007 aangifte vennootschapsbelasting gedaan en daarbij ook een
kopie van de jaarrekening gevoegd. De inspecteur neemt uitgebreid de tijd om de ingediende
aangifte en de bijlagen te bestuderen. Hij stelt ook een groot aantal schriftelijke vragen en neemt
ruim de tijd om de antwoorden op deze vragen te bestuderen. Uiteindelijk legt hij in december
2010 de aanslag vennootschapsbelasting 2007 op, overeenkomstig de ingediende aangifte. De
aanslag krijgt een dagtekening 30 december 2010. Door technische storingen wordt de aanslag pas
in januari 2011 verzonden. Joker B.V. ontvangt de aanslag op 10 januari 2011.
a. Is deze aanslag rechtsgeldig opgelegd?
Allereerst, dient er gekeken te worden naar wat voor heffingssysteem er is en of het een tijdstip-
of tijdvakbelasting is. In casus gaat het om de vpb dit is een aanslagbelasting. Hiervoor moet
gekeken worden in de materiele wet zelf, vaak staat het in een van de laatste bepalingen (: art 24
lid 1 vpb). De vpb is eveneens een tijdvakbelasting. De aanslag wordt opgelegd door de inspecteur:
art 11 lid 1 AWR. De belastingschuld ontstaat op 31 december 2007 op grond van art. 11 lid 4
AWR. Tot 3 jaar na het einde van het tijdvak kan een aanslag worden opgelegd dit vloeit voort uit
art. 11 lid 3 AWR. Aanslagtermijn eindigt dus op 31 december 2010. Een aanslag met een
dagtekening van 30 december 2010 kan dus rechtsgeldig worden opgelegd. Echter, de HR heeft
bepaald in BNB 2014/182 dat ook bij aanslagen is het latere moment van ontvangst
doorslaggevend. De aanslag is buiten het termijn vastgesteld en vervalt daardoor. De dagtekening
was dan wel binnen het termijn, echter doordat de verzenden te laat was is de aanslag niet
rechtsgeldig opgelegd.
Uitzondering: termijn van drie jaar met daarbij het verleende uitstel voor het indienen van
de aangifte. Stel dat de aangifte ingediend moet worden op 1-3-2008 (: aangifte over 2007).
Er wordt vervolgens 6 maanden uitstel verleend en dus moet de aangifte ingediend worden
voor 1-9-2008. Termijn voor het opleggen van een aanslag is dan 3 jaar + 6 maanden
Opgave 1
Bij naheffing van aangiftebelasting is in art.20 AWR in tegenstelling tot art. 16AWR niet het
vereiste van een nieuw feit opgenomen. Wat is hiervan de achterliggende gedachte?
Een inspecteur mag van de aangifte afwijken blijkens art 11 AWR. Bij navorderen geldt het
vereiste van een nieuw feit. Als de inspecteur het onderzoek niet goed heeft gedaan, is er sprake
van een ambtelijk verzuim en mag niet nagevorderd worden. Bij een aanslagbelasting is het de
inspecteur die formaliseert ex art 11 AWR. Voor navordering moet voldaan worden aan de
vereisten van art 16 AWR: nieuw feit en kwade trouw, art 16 lid 2 AWR.
Aangiftebelasting: belastingplichtige dient aangifte in en betaalt ook meteen, deze formaliseert de
belastingschuld ex art. 19 AWR. Als het niet klopt, kan er nageheven worden door de inspecteur
op grond van art 20 AWR. Naheffen gebeurt door middel van een naheffingsaanslag. Hier geldt
niet het vereiste van een nieuw feit en kwade trouw of een andere uitzondering speelt hier niet.
Naheffen kan eigenlijk altijd indien te weinig is betaald of te veel is teruggekregen, tenzij er strijd
is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur (: zoals het vertrouwensbeginsel)
Opgave 2
Joker B.V. heeft over het jaar 2007 aangifte vennootschapsbelasting gedaan en daarbij ook een
kopie van de jaarrekening gevoegd. De inspecteur neemt uitgebreid de tijd om de ingediende
aangifte en de bijlagen te bestuderen. Hij stelt ook een groot aantal schriftelijke vragen en neemt
ruim de tijd om de antwoorden op deze vragen te bestuderen. Uiteindelijk legt hij in december
2010 de aanslag vennootschapsbelasting 2007 op, overeenkomstig de ingediende aangifte. De
aanslag krijgt een dagtekening 30 december 2010. Door technische storingen wordt de aanslag pas
in januari 2011 verzonden. Joker B.V. ontvangt de aanslag op 10 januari 2011.
a. Is deze aanslag rechtsgeldig opgelegd?
Allereerst, dient er gekeken te worden naar wat voor heffingssysteem er is en of het een tijdstip-
of tijdvakbelasting is. In casus gaat het om de vpb dit is een aanslagbelasting. Hiervoor moet
gekeken worden in de materiele wet zelf, vaak staat het in een van de laatste bepalingen (: art 24
lid 1 vpb). De vpb is eveneens een tijdvakbelasting. De aanslag wordt opgelegd door de inspecteur:
art 11 lid 1 AWR. De belastingschuld ontstaat op 31 december 2007 op grond van art. 11 lid 4
AWR. Tot 3 jaar na het einde van het tijdvak kan een aanslag worden opgelegd dit vloeit voort uit
art. 11 lid 3 AWR. Aanslagtermijn eindigt dus op 31 december 2010. Een aanslag met een
dagtekening van 30 december 2010 kan dus rechtsgeldig worden opgelegd. Echter, de HR heeft
bepaald in BNB 2014/182 dat ook bij aanslagen is het latere moment van ontvangst
doorslaggevend. De aanslag is buiten het termijn vastgesteld en vervalt daardoor. De dagtekening
was dan wel binnen het termijn, echter doordat de verzenden te laat was is de aanslag niet
rechtsgeldig opgelegd.
Uitzondering: termijn van drie jaar met daarbij het verleende uitstel voor het indienen van
de aangifte. Stel dat de aangifte ingediend moet worden op 1-3-2008 (: aangifte over 2007).
Er wordt vervolgens 6 maanden uitstel verleend en dus moet de aangifte ingediend worden
voor 1-9-2008. Termijn voor het opleggen van een aanslag is dan 3 jaar + 6 maanden