20. Electric circuits
§20.1 Electromotive force and current
Elektromotorische kracht/bronspanning 𝜺: Het maximale verschil tussen de positieve lading en
negatieve lading. Wordt bepaald door de bron (chemische reacties).
Elektrische stroom 𝑰: De hoeveelheid lading per tijdseenheid. Elektronen gaan van min naar plus;
∆𝑞
stroom gaat de andere kant op. 𝐼 = ∆𝑡
§20.2 Ohm’s law
𝑈 𝐿
Weerstand 𝑹: 𝑅 = 𝐼 en 𝑅 = 𝜌 𝐴
Als er veel spanning op een gloeilamp staat, dan is er meer stroom en de weerstandsverschil in een
draadje is groot de draad gaat zich ‘verzetten’ draad wordt warm minder stroom.
Halfgeleiders: Hoe warmer de draad, des te minder is de weerstand. Door de spanning is er meer
energie en kunnen elektronen uit hun schil ‘springen’.
§20.3 Resistance and resistivity
PTC: Positieve temperatuur coefficient. Het veroorzaakt een verschil in de temperatuur. Metalen. ∝> 0.
De weerstand neemt toe bij een hogere temperatuur.
NTC: Negatieve temperatuur coëfficiënt. Half geleiders. ∝< 0
De weerstand van een materiaal hangt af van de temperatuur. Dit kan je uitdrukken als volgt:
𝜌 = 𝜌0 [1 + 𝛼(𝑇 − 𝑇0 )]
α is afhankelijk van de temperatuur. Als α positief is, dan is de temperatuur hoger. Als α negatief is, dan
is de temperatuur lager.
§20.4 Electric power
𝐸
𝑃=
𝑡
𝑞 𝐸
𝑃 = 𝑈 ∙ 𝐼 met 𝐼 = 𝑡 en 𝑈 = 𝑞
𝑈2
𝑃=
𝑅
1 𝑘𝑊ℎ = 3,60 ∙ 106 𝐽
§20.5 Alternating current
𝑈 = 𝑈0 sin(2𝜋𝑓𝑡) geeft de sinusoïde weer van een generator. In radialen!
𝑈 𝑉0
𝐼= = ∙ sin(2𝜋𝑓𝑡) → 𝐼 = 𝐼0 sin(2𝜋𝑓𝑡)
𝑅 𝑅
𝑃 = 𝑈 ∙ 𝐼=𝑈0 sin(2𝜋𝑓𝑡) ∙ 𝐼0 sin(2𝜋𝑓𝑡) = 𝐼0 ∙ 𝑈0 𝑠𝑖𝑛2 (2𝜋𝑓𝑡)
𝐼0 𝑈0
𝑃=( ) ( ) = 𝐼𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓 ∙ 𝑈𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓
√2 √2
2
2
𝑈𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓
𝑃 = 𝐼𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓 ∙ 𝑈𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓 → 𝑃 = 𝐼𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓 ∙𝑅 → 𝑃 =
𝑅
§20.1 Electromotive force and current
Elektromotorische kracht/bronspanning 𝜺: Het maximale verschil tussen de positieve lading en
negatieve lading. Wordt bepaald door de bron (chemische reacties).
Elektrische stroom 𝑰: De hoeveelheid lading per tijdseenheid. Elektronen gaan van min naar plus;
∆𝑞
stroom gaat de andere kant op. 𝐼 = ∆𝑡
§20.2 Ohm’s law
𝑈 𝐿
Weerstand 𝑹: 𝑅 = 𝐼 en 𝑅 = 𝜌 𝐴
Als er veel spanning op een gloeilamp staat, dan is er meer stroom en de weerstandsverschil in een
draadje is groot de draad gaat zich ‘verzetten’ draad wordt warm minder stroom.
Halfgeleiders: Hoe warmer de draad, des te minder is de weerstand. Door de spanning is er meer
energie en kunnen elektronen uit hun schil ‘springen’.
§20.3 Resistance and resistivity
PTC: Positieve temperatuur coefficient. Het veroorzaakt een verschil in de temperatuur. Metalen. ∝> 0.
De weerstand neemt toe bij een hogere temperatuur.
NTC: Negatieve temperatuur coëfficiënt. Half geleiders. ∝< 0
De weerstand van een materiaal hangt af van de temperatuur. Dit kan je uitdrukken als volgt:
𝜌 = 𝜌0 [1 + 𝛼(𝑇 − 𝑇0 )]
α is afhankelijk van de temperatuur. Als α positief is, dan is de temperatuur hoger. Als α negatief is, dan
is de temperatuur lager.
§20.4 Electric power
𝐸
𝑃=
𝑡
𝑞 𝐸
𝑃 = 𝑈 ∙ 𝐼 met 𝐼 = 𝑡 en 𝑈 = 𝑞
𝑈2
𝑃=
𝑅
1 𝑘𝑊ℎ = 3,60 ∙ 106 𝐽
§20.5 Alternating current
𝑈 = 𝑈0 sin(2𝜋𝑓𝑡) geeft de sinusoïde weer van een generator. In radialen!
𝑈 𝑉0
𝐼= = ∙ sin(2𝜋𝑓𝑡) → 𝐼 = 𝐼0 sin(2𝜋𝑓𝑡)
𝑅 𝑅
𝑃 = 𝑈 ∙ 𝐼=𝑈0 sin(2𝜋𝑓𝑡) ∙ 𝐼0 sin(2𝜋𝑓𝑡) = 𝐼0 ∙ 𝑈0 𝑠𝑖𝑛2 (2𝜋𝑓𝑡)
𝐼0 𝑈0
𝑃=( ) ( ) = 𝐼𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓 ∙ 𝑈𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓
√2 √2
2
2
𝑈𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓
𝑃 = 𝐼𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓 ∙ 𝑈𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓 → 𝑃 = 𝐼𝑒𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑓 ∙𝑅 → 𝑃 =
𝑅