Bishops and Society
R. van Dam
Week 1
Bisschoppen door Constantijn veel belangrijker, ze kregen steeds meer functies.
Waren meestal notabelen.
Elke stad had één of meerdere bisschoppen(o.a. door religieuze twisten)
Elke bisschop had een apparaat van verscheidene geestelijken achter zich
Veel notabelen probeerden onder de functie van decuriones uit te komen(kostte veel geld),
bisschop aantrekkelijk alternatief. Als bisschop namelijk vrijgesteld van de plichten die de
decuriones hadden.
Priesters kregen immuniteit
Bisschoppen kwamen soms uit politieke functie, maar bijna nooit uit militaire. Er kwamen
hele bisschopsfamilies op omdat er gewiekste families waren die niet als decuriones wilden
werken.
Bisschoppen stonden in conflicten soms tegenover elkaar
Verschillen tussen geestelijkheid en de imperiale administratie:
Geestelijkheid veel groter
Binnen imperiale administratie was meer ambitie op hoger op te komen
o Bij geestelijkheid was er geen ‘hoger op’
Hierdoor was een bisschop voor de macht van de koning/keizer nooit
een gevaar en kon bisschoppen dus veel macht worden toevertrouwd
Bisschop moest altijd op zijn bisschopszetel blijven en kon geen ander -beter- voorstel
aannemen.
Kerken lagen vaak buiten de stad
Bisschoppen gingen zich zelfs met oorlog bezighouden, moesten zichzelf en lokale bevolking
soms verdedigen
Het beroep van bisschop gaf veel prestige
,The Sanctity of the Basilica of St Martin: Gregory of Tours and the Practice of Sanctuary in
the Merovingian Period
R. Meens
Week 1
Kloosters waren geschikt om politieke bannelingen naar toe te sturen.
Kerken werden veilige havens, vluchtelingen konden hier terecht, want kerk is heiligdom,
hier mag geen geweld worden gebruikt.
Veel criminelen vluchten daarom hierheen.
Dit werd ook gevoeld door de lokale bevolking, omdat soms de hele stad werd ‘bewaakt’ om
zo druk uit te oefenen.
Conclusies:
Het recht van heiligheid werd over het algemeen gerespecteerd
o Er werd wel druk uitgeoefend om de vluchtelingen terug te krijgen
De vluchteling speelde een cruciale rol in conflicten
o De geestelijken waren de scheidsrechters
,Het Leven van Karel de Grote
Einhard
Week 2
Karel was een sociale familieman.
Karel had veel vrouwen en kinderen.
Karel was een knappe, gezonde man.
Niemand kon beter zwemmen dan Karel.
Hij was goed bevriend met de paus.
Hij was leergierig.
Karel was een goede christen.
Hij kreeg nadat hij paus Leo geholpen had de titel: keizer.
Er was veel bijgeloof: er waren veel tekenen die op een naderende dood wezen, Karel zelf
hechtte er weinig waarde aan.
Een groot deel van Karels erfenis moest aan aalmoezen worden besteed.
‘A Place of Discipline’: Carolingian Courts and Aristocratic Youth
Matthew Innes
Week 2
Het hof zou volgens aartsbisschop Hincmar of Rheims(585) een ‘school’ moeten zijn en zo als
goed voorbeeld voor de samenleving dienen
Het hof was een sociale gemeenschap, geen geografische plaats
De aristocratische jeugd werd hier opgevoed
Hierdoor werden sterke banden tussen aristocraten geschapen
Vernedering werd gebruikt om discipline te kweken
Er was een duidelijke hiërarchie
Op het hof liepen veel wetenschappers rond
Jongelingen die een belangrijke functie in het verschiet lag, werden nog wel eens aan een
persoonlijkheidstest onderworpen.
Er waren verschillende wegen om het hof te bereiken:
Als hoge adellijke
Als klerk die op zoek was naar een meester en verdere educatie
Als getalenteerde jongeling
Met cadeaus werd je sociale status benadrukt, een zwaard voor een ridder en een mes voor
een keukenmeid.
,Space, Culture and Kingdoms in Early Medieval Europe
P. Fouracre
Week 2
Hoe was het mogelijk dat er na 500 op het grondgebied van het voormalige West-Romeinse
rijk zulke grote koninkrijken ontstonden?
Heeft invloed gehad op Europa vandaag de dag
Na de val van het Romeinse Rijk was het vroege middeleeuwse Europa arm naar Romeinse
begrippen. Het grootste verschil is dat er niet meer vanuit de staat belasting werd geheven
maar dat de "belasting" rechtstreeks naar de heer ging.
Toch bleven Romeinse staatsinstellingen wel gedeeltelijk bestaan. Dit kan je zien aan twee
belangrijke functies in de middeleeuwen: de bisschop en de graaf. Deze 2 functies komen uit
de Romeinse tijd en nemen hun belang mee.
4 grote staten: Italië, Spanje, Engeland en Frankrijk bepaald door Romeinse provincies,
Duitsland lag er net buiten.
De staten konden zo groot worden omdat ze een gemeenschappelijke cultuur hadden van
dezelfde gebruiken en geloven e.d. er zat geen bureaucratisch systeem achter en eigenlijk
waren ze groter dan dat ze konden belasten of effectief konden besturen.
Er waren veel grote landerijen, maar ook vrije landeigenaren(hoeveel is niet te in te
schatten)
Grond was de bron voor rijkdom
Lage opbrengst per vierkante meter
o Dus rijken hadden heel veel grond nodig
Rijken zochten contact met de koning
Hier zat het grote geld
o Hierdoor konden grote landen ontstaan
Er zat veel onderling verschil in wetten, maar er was een basis die als standaard gold
De uitoefening van wetten was pragmatisch
Er werd duidelijk onderscheid tussen vrij en onvrij gemaakt
Het beschermen van bezit werd erg belangrijk gevonden
Deze standaard was noodzakelijk voor grote staten
Geen kritiek op autoriteit katholieke kerk
Op hoven kwamen leiders van stammen en volken bij elkaar(oorzaak van grote rijken),
vooral voor rituele handelingen
Rijkdom werd vooral geuit in zichtbare rijkdom zoals: dure metalen en juwelen. De grootste
heren (lords) waren heel rijk en deelde veel van hun vermogen uit.
, De algemene ontwikkeling van Europa kan worden toegeschreven aan de Franken, want:
Er is een goede documentatie van een lange periode beschikbaar
Franken beïnvloeden buurlanden
o Europa werd Frankisch
Succes Franken:
Probeerden andere groepen te laten assimileren
Sommige volken boden verzet, tevergeefs
Vanaf 9e eeuw: fragmentatie
Verdeling onder de kleinzonen van Karel de Grote(is Fouracre het niet mee eens)
Invasies van voornamelijk Scandinaviërs(is Fouracre het niet mee eens)
Door toegenomen welvaart hadden lokale notabelen de koning niet meer nodig voor
hun welvaart
Sterke adellijke (familie) banden met kloosters
Adel neemt taak koning deels over
o Oude sociale hiërarchie verzwakt
o Je hoefde minder rijk te zijn om een heer te worden