WETENSCHAPSFILOSOFIE
1.
2.
3.
4. HT 4: Normatieve benaderingen v/d wetenschappelijke methode
→ bepaalde criteria opgelegd aan de wetenschap (waar men moet aan voldoen)
4.1. Het verband theorie-werkelijkheid
° doel wetenschap: op duurzame wijze vat krijgen op (een bep onderdeel van) de
werkelijkheid, en dit door deze beter te kunnen
* begrijpen = verklarende functie
* manipuleren = voorspellende functie
° filosofische vraag = deze naar de betrouwbaarheid van wetenschappelijke kennis
→ concreet: criteria bepalen waaraan wetenschappelijke uitspraken moeten voldoen,
willen zij dat “autoritaire” label waard zijn
° link met logica als het bepalen v/d kwaliteit van uitspraken (als product van
redeneringen)
streeft naar kwaliteitscriterium
→ beeld v/d werkelijkheid ophangen (theorieën,…) -- deeltje v/d werkelijkheid (bep domein van
fenomenen) -- inzicht krijgen
→ begrijpen, verklaren v/d werkelijkheid
→ overlevingskracht: anticiperen, manipuleren (voorspellen)
→ adhv criteria
→ kijken naar methode die verband tss theorie en werkelijkheid weergeeft
° idealiter: duidelijke afbakening wat wel/geen wetenschap is = “demarcatie” (geen twijfel)
→ niet evident! bv moeilijk als men slechts naar uitspraken zelf kijkt (veel onzin wordt op
zeer ‘geleerde’ en samenhangende wijze gebracht)
° probleem: zich (moeten) verlaten op getuigenis
→ mogelijke oplossing: daarnaast zich ook concentreren op de methode of ‘de weg naar’
kennis als kwaliteitstoets: wég met willekeur!
° de eis v/e duidelijk aantoonbaar systematische manier van denken/handelen kan op
diverse manieren worden ingevuld
beweringen: wat is wetenschappelijk en wat niet?
→ hoe ben je tot die bewering gekomen?
→ op systematische manier? (verzamelen van bewijsmateriaal - plausibel? - reproduceerbaarheid?)
, ° we moeten ons uitspreken over 2 dimensies verbonden aan kennis: een empirische
(zintuiglijke) en een rationele (theoretische)
→ vertaald in 2 types van wetenschappelijke redenering: inductief en deductief redeneren
→ deductie: zoals in logica → indien uitgangspunten waar zijn, dan moet ook de conclusie
dat zijn (vb: indien ‘alle katten zijn zoogdieren’ en ‘Arthur is een kat’, dan zeker ‘Arthur is een zoogdier’)
wetenschappelijke manier:
- verfijnen & uitbreiden van zintuiglijke vermogen, ervaringen → inductief (vertrekkend v/d
observaties - veralgemening mogelijk? patroon?)
- theoretische vlak → deductief (vertrekken v/d theorie - voorspelling)
° niet alle redeneringen zijn van die aard, maw de geg leiden soms slechts met bep
waarschijnlijkheid tot de conclusie (bv: indien ‘elke ochtend bij droog weer maakt mijn buurman een
wandeling’ en ‘het regent niet vanochtend’, dan wellicht ‘mijn buurman zal straks een wandeling maken’)
° inductie = veel toegepaste methode, ook/vooral in dagelijks leven, maar niet sluitend, dus
niet iedereen tevreden ermee!
→ dit vertaalt zich in uiteenlopende eisen over het verband theorie-ervaring (v/d
werkelijkheid)
4.2. Verificatieleer
° zeer strenge opvatting: enkel direct verifieerbare waarnemingsrapporten (1) of logische
bewerking (2) daarvan zijn aanvaardbaar als wetenschappelijke uitspraken (vb: water tot 100°C
opgewarmd, kookt)
→ betrouwbaarheid wet kennis opbouwen: theorieën herleiden tot de bouwstenen (absolute zekerheid)
→ is deze eis te veralgemenen binnen wetenschap?
→ 4 problemen!
● universele uitspraken
○ hét doel v/d wetenschap = wetten formuleren, dus veralgemenen tot
universele beweringen
○ vb: (∀𝑥)((𝑀𝑥 & ∼ 𝐾𝑥) ⊃ (𝐸𝑥 ∨ 𝑅𝑥)) → zulke uitspraken zijn per definitie niet
verifieerbaar (vb: toekomst ≠ verifieerbaar)
○ immers: zijn slechts logisch herleidbaar tot een oneindige conjunctie van
particuliere waarnemingen
● tijdsgebonden uitspraken
○ niet slechts alle instanties vandaag, maar ook in verleden en toekomst zijn
evident niet beschikbaar
○ voor verleden betreft dit zelfs particuliere feiten: vergt andere methode (ihb
bronnenkritiek)
○ gerelateerd aan (Hume’s) kritiek op inductie mbt kennis v/d toekomst
(steeds onzeker)
1.
2.
3.
4. HT 4: Normatieve benaderingen v/d wetenschappelijke methode
→ bepaalde criteria opgelegd aan de wetenschap (waar men moet aan voldoen)
4.1. Het verband theorie-werkelijkheid
° doel wetenschap: op duurzame wijze vat krijgen op (een bep onderdeel van) de
werkelijkheid, en dit door deze beter te kunnen
* begrijpen = verklarende functie
* manipuleren = voorspellende functie
° filosofische vraag = deze naar de betrouwbaarheid van wetenschappelijke kennis
→ concreet: criteria bepalen waaraan wetenschappelijke uitspraken moeten voldoen,
willen zij dat “autoritaire” label waard zijn
° link met logica als het bepalen v/d kwaliteit van uitspraken (als product van
redeneringen)
streeft naar kwaliteitscriterium
→ beeld v/d werkelijkheid ophangen (theorieën,…) -- deeltje v/d werkelijkheid (bep domein van
fenomenen) -- inzicht krijgen
→ begrijpen, verklaren v/d werkelijkheid
→ overlevingskracht: anticiperen, manipuleren (voorspellen)
→ adhv criteria
→ kijken naar methode die verband tss theorie en werkelijkheid weergeeft
° idealiter: duidelijke afbakening wat wel/geen wetenschap is = “demarcatie” (geen twijfel)
→ niet evident! bv moeilijk als men slechts naar uitspraken zelf kijkt (veel onzin wordt op
zeer ‘geleerde’ en samenhangende wijze gebracht)
° probleem: zich (moeten) verlaten op getuigenis
→ mogelijke oplossing: daarnaast zich ook concentreren op de methode of ‘de weg naar’
kennis als kwaliteitstoets: wég met willekeur!
° de eis v/e duidelijk aantoonbaar systematische manier van denken/handelen kan op
diverse manieren worden ingevuld
beweringen: wat is wetenschappelijk en wat niet?
→ hoe ben je tot die bewering gekomen?
→ op systematische manier? (verzamelen van bewijsmateriaal - plausibel? - reproduceerbaarheid?)
, ° we moeten ons uitspreken over 2 dimensies verbonden aan kennis: een empirische
(zintuiglijke) en een rationele (theoretische)
→ vertaald in 2 types van wetenschappelijke redenering: inductief en deductief redeneren
→ deductie: zoals in logica → indien uitgangspunten waar zijn, dan moet ook de conclusie
dat zijn (vb: indien ‘alle katten zijn zoogdieren’ en ‘Arthur is een kat’, dan zeker ‘Arthur is een zoogdier’)
wetenschappelijke manier:
- verfijnen & uitbreiden van zintuiglijke vermogen, ervaringen → inductief (vertrekkend v/d
observaties - veralgemening mogelijk? patroon?)
- theoretische vlak → deductief (vertrekken v/d theorie - voorspelling)
° niet alle redeneringen zijn van die aard, maw de geg leiden soms slechts met bep
waarschijnlijkheid tot de conclusie (bv: indien ‘elke ochtend bij droog weer maakt mijn buurman een
wandeling’ en ‘het regent niet vanochtend’, dan wellicht ‘mijn buurman zal straks een wandeling maken’)
° inductie = veel toegepaste methode, ook/vooral in dagelijks leven, maar niet sluitend, dus
niet iedereen tevreden ermee!
→ dit vertaalt zich in uiteenlopende eisen over het verband theorie-ervaring (v/d
werkelijkheid)
4.2. Verificatieleer
° zeer strenge opvatting: enkel direct verifieerbare waarnemingsrapporten (1) of logische
bewerking (2) daarvan zijn aanvaardbaar als wetenschappelijke uitspraken (vb: water tot 100°C
opgewarmd, kookt)
→ betrouwbaarheid wet kennis opbouwen: theorieën herleiden tot de bouwstenen (absolute zekerheid)
→ is deze eis te veralgemenen binnen wetenschap?
→ 4 problemen!
● universele uitspraken
○ hét doel v/d wetenschap = wetten formuleren, dus veralgemenen tot
universele beweringen
○ vb: (∀𝑥)((𝑀𝑥 & ∼ 𝐾𝑥) ⊃ (𝐸𝑥 ∨ 𝑅𝑥)) → zulke uitspraken zijn per definitie niet
verifieerbaar (vb: toekomst ≠ verifieerbaar)
○ immers: zijn slechts logisch herleidbaar tot een oneindige conjunctie van
particuliere waarnemingen
● tijdsgebonden uitspraken
○ niet slechts alle instanties vandaag, maar ook in verleden en toekomst zijn
evident niet beschikbaar
○ voor verleden betreft dit zelfs particuliere feiten: vergt andere methode (ihb
bronnenkritiek)
○ gerelateerd aan (Hume’s) kritiek op inductie mbt kennis v/d toekomst
(steeds onzeker)