Oude Testament :
Abraham :
Een God die roept :
Abraham + Sara Abraham niet gelukkig
Land niet groot genoeg
“Er gaat een God overal met me mee”
→ Op weg met Sara naar een nieuw land
→ Daar zou er een groot volk en land voor hem zijn
Het verbond :
Abraham Praat met God Verbond tussen hen
→ God beschermt hem
→ Abraham leeft zoals God het wilt
God belooft hem een groot volk waar hij nu zit
Hagar en Ismaël :
Abraham + Sara Wonen 10 jaar in nieuwe land
Kunnen nog altijd geen kinderen krijgen
→ Oplossing : Hagar (dienstmeisje)
Wordt tweede vrouw van Abraham
Wat gebeurd er? Hager gedraagt zich niet meer onderdanig aan Sara
→ Ze was trots
→ Hagar is zwanger
→ Sara is jaloers en doet bazig over Hagar
→ Zoon Ismaël is geboren
Bezoek van drie mannen :
Jaren later Bezoek van drie mannen Hen in de watten leggen
Beginnen te praten met Abraham
→ Sara luistert af
→ Mannen zeggen dat Sara in dat jaar zwanger zal worden
→ Sara begint te lachen (omdat ze oud is)
→ Man hoort dat ze lacht
→ Sara liegt dat ze niet gelachen heeft
Abraham onderhandelt met God :
Abraham kent God goed Meer praten
1
,God wilt dat stad met slechte mensen verwoest wordt
→ Maar er zijn ook goede mensen
→ God zegt dat hij de stad niet zal verwoesten, Abraham krijgt gelijk
Isaak en Ismaël :
Sara Zwanger Bevalling van Isaak1
Ismaël en Hagar niet vriendelijk tegen Isaak
→ Sara zegt dat Abraham Hagar en Ismaël moet
wegsturen
→ Gaan woestijn in en water is op
→ Bijgestaan door God, zien waterput
Het offer van Isaak :
Abraham en Isaak op stap Gaan naar de berg
→ Willen ritueel doen
→ Bouwen altaar, hout erop en Isaak er op
→ Isaak was het offer
Wat nu?
→ Geritsel in de stuik, was een ram
→ Dood het dier als offer
Waarom wou Abraham zijn zoon offeren?
→ Dacht dat God dit wou, maar God wilt dat hij blijft leven
Isaak en Rebekka :
Abraham Stuurt iemand op pad om vrouw te zoeken voor Isaak
→ Dagen lang door de woestijn (hadden geschenken mee)
→ Hoe weet hij welke vrouw goed is?
Door de vriendelijkheid, de vrouw zou water halen voor hen
→ Rebekka (Familie van Nachor2) deed dit
→ Rebekka vertrok mee naar huis
Sara was ondertussen gestorven
Jakob :
Rode linzensoep :
Belangrijk om de oudste te zijn Doorgegeven van grootvader Abraham
1
= Lachertje
2
= Broer van Abraham
2
,Jakob en Esau Tweeling
→ Moeder is Rebekka
→ Jakob jongste, hij had hiel van Esau vastgehouden
→ Leken niet op elkaar
Esau
→ Groot, sproetig en behaard
Jakob
→ Kleiner, tengerder en glad
Isaak trots op Esau (stoer)
Rebekka is ook trots op Jakob (minder stoer, maar niet dom)
Wat gebeurde er? Esau had honger Jakob gekookt
→ Esau krijgt kom eten
→ In ruil voor eerstgeboorterecht
→ Esau stemde er mee in
De zegen :
Isaak Oud Wilt zegen doorgeven aan Esau
→ Rebekka wilt dit niet
→ Jakob moet geitenbokjes halen
→ Rebekka maakt deze klaar
→ Harige huid rond Jakob wikkelen
→ Isaak ziet niet meer goed
→ Herkent Jakob niet en spreekt zegen over hem uit
Esau komt binnen
→ Vader zegt dat zegen als is doorgegeven
→ Esau kwaad
→ Jakob moet weg van Rebekka (naar haar broer Laban)
→ God zegt dat hij Jakob zal blijven bijstaan
Lea en Rachel :
Jakob komt toe bij Laban Is meteen verliefd op Rachel
→ Spreekt af dat hij eerst 7 jaar moet werken, daarna
trouwen
→ Laban zegt dat Lea haar moet sluieren en met hem moet
trouwen
→ Jakob was woedend
Wat was de reactie van Laban?
→ Het is niet de gewoonte dat de jongste voor de oudste trouwt
→ Jakob werkt nog eens 7 jaar om Rachel als vrouw te hebben
Rachel kreeg liefde van Jakob, Lea kreeg kinderen
Terug thuis :
Jakob wilt terug naar eigen land
3
, Stuurt zijn kudde, kinderen en vrouwen voorop Om Esau goed
gezind te maken
Zet hen over de rivier, blijft zelf nog één nacht daar
→ Kon geen rust vinden
→ Naamsverandering van Jakob naar Israël (= God strijdt)
Omdat hij het gevoel had dat hij met God gevochten had
die nacht
Jakob ziet Esau
Beiden blij Jakob geeft geschenk om het goed te maken
Jozef :
Jozef droomt :
Jakob Heeft 12 zonen
→ Lea : 5 zonen en 1 dochter
→ Twee slavinnen : nog eens 4 zonen
→ Rachel : 2 lievelingszonen (Jozef en Benjamin)
Rachel gestorven bij zijn geboorte
Was veel bij Jozef
→ Jozef ging veel bij het bed van Jakob zitten
→ Jozef kreeg jas cadeau Liep er altijd mee rond, broers maakten
grapjes
Jozef krijgt dromen die hij verteld aan iedereen
→ “Ik was samen met jullie op het veld gaan
werken”
→ Broers ergeren zich hieraan
→ “De sterren en de hemel bogen voor mij”
→ Ook Jakob ergerde zich hieraan
Jozef wordt verkocht door zijn broers :
Jozef gaat bij broers Ze willen hem een lesje leren
→ Nemen Jozef vast en nemen jas af
→ Gooien hem in de put
Broers gaan eten
Komen op idee wanneer ze mennen zien Willen hem verkopen
→ Trekken hem uit de put
→ Koopwaren nemen hem mee naar
Egypte
Wat deden de broers?
→ Namen Jozef zijn jas, doppen het in bloed en zeggen dat hij opgegeten is door
dier
→ Jakob geloofde het en was ontroostbaar
4