1. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het Nederlands wettelijk bewijsstelsel?
Hoofdlijnen in paragraaf 14.2 en de feiten van algemene bekendheid paragraaf
14.6.2
Twee soorten bewijsstelsels:
- Vrije bewijsstelsels: laat de wet de rechter vrij in zijn oordeelsvorming. De wet
bevat dan dus geen regels met betrekking tot de vraag wanneer het feit bewezen
mag (of moet) worden geacht
o Stelsel van de bloot gemoedelijke overtuiging (conviction intime)
Voldoende is dat de rechter in gemoede overtuigd is van de schuld van de
verdachte. Die overtuiging volstaat, argumenten voor zijn beslissing hoeft
de rechter niet te geven. Kenmerkend bij juryrechtspraak.
o Stelsel van de beredeneerde overtuiging (conviction raisonée)
Rechter is wel verplicht om zijn beslissing te motiveren. Hij moet zijn
overtuiging beredeneren. Dus argumenten geven die de
bewezenverklaring kunnen dragen.
- Wettelijke bewijsstelsels: juist wel het geval
o Positief – wettelijk bewijsstelsel
De wet somt in dit stelsel de bewijsmiddel op waarvan de rechter gebruik
mag maken. Hij is daar dus aan gebonden. De rechter is verplicht om het
feit bewezen te verklaren als een bepaalde hoeveelheid bewijs
voorhanden is. veroordelen moet dus, ook als hij zelf niet van de schuld
van de verdachte is overtuigd. Heeft een theoretisch bestaan.
o Negatief – wettelijk bewijsstelsel (wat Nederland heeft, art 338 Sv)
Ook gebonden aan wettige bewijsmiddelen. Die binding is negatief van
aard. Rechter mag niet veroordelen als het door de wet voorgeschreven
minimum aan bewijs niet voorhanden is. Dat betekent dat hij moet
vrijspreken, ook als hij persoonlijk overtuigd is van de schuld van de
verdachte. Het stelsel verplicht de rechter echter niet om tegen zijn
overtuiging in te oordelen. De overtuiging van de rechter is voor een
bewezenverklaring vereist. Bij twijfel = vrijspreken (in dubio pro reo).
Grondregel is 338. Twee elementen te herkennen die kenmerkend
zijn voor dit bewijsstelsel. Derde kenmerk, ligt gesloten in een
aantal afzonderlijke voorschriften.
Rechter moet overtuigd zijn
De overtuiging moet zijn gegrond op wettige bewijsmiddel
(art 339 Sv)
Het minimum aan bewijs moet voorhanden zijn (art 342 lid
2 Sv, bewijs mag niet uitsluitend op een getuigenverklaring
zijn gebaseerd).
Nog twee andere elementen van het bewijsrecht die in art 338
staan
Het gaat om de vraag of de verdachte het ten laste gelegde
feit heeft begaan
Bewijsvraag alleen van toepassing bij beantwoording eerste
1
Hoofdlijnen in paragraaf 14.2 en de feiten van algemene bekendheid paragraaf
14.6.2
Twee soorten bewijsstelsels:
- Vrije bewijsstelsels: laat de wet de rechter vrij in zijn oordeelsvorming. De wet
bevat dan dus geen regels met betrekking tot de vraag wanneer het feit bewezen
mag (of moet) worden geacht
o Stelsel van de bloot gemoedelijke overtuiging (conviction intime)
Voldoende is dat de rechter in gemoede overtuigd is van de schuld van de
verdachte. Die overtuiging volstaat, argumenten voor zijn beslissing hoeft
de rechter niet te geven. Kenmerkend bij juryrechtspraak.
o Stelsel van de beredeneerde overtuiging (conviction raisonée)
Rechter is wel verplicht om zijn beslissing te motiveren. Hij moet zijn
overtuiging beredeneren. Dus argumenten geven die de
bewezenverklaring kunnen dragen.
- Wettelijke bewijsstelsels: juist wel het geval
o Positief – wettelijk bewijsstelsel
De wet somt in dit stelsel de bewijsmiddel op waarvan de rechter gebruik
mag maken. Hij is daar dus aan gebonden. De rechter is verplicht om het
feit bewezen te verklaren als een bepaalde hoeveelheid bewijs
voorhanden is. veroordelen moet dus, ook als hij zelf niet van de schuld
van de verdachte is overtuigd. Heeft een theoretisch bestaan.
o Negatief – wettelijk bewijsstelsel (wat Nederland heeft, art 338 Sv)
Ook gebonden aan wettige bewijsmiddelen. Die binding is negatief van
aard. Rechter mag niet veroordelen als het door de wet voorgeschreven
minimum aan bewijs niet voorhanden is. Dat betekent dat hij moet
vrijspreken, ook als hij persoonlijk overtuigd is van de schuld van de
verdachte. Het stelsel verplicht de rechter echter niet om tegen zijn
overtuiging in te oordelen. De overtuiging van de rechter is voor een
bewezenverklaring vereist. Bij twijfel = vrijspreken (in dubio pro reo).
Grondregel is 338. Twee elementen te herkennen die kenmerkend
zijn voor dit bewijsstelsel. Derde kenmerk, ligt gesloten in een
aantal afzonderlijke voorschriften.
Rechter moet overtuigd zijn
De overtuiging moet zijn gegrond op wettige bewijsmiddel
(art 339 Sv)
Het minimum aan bewijs moet voorhanden zijn (art 342 lid
2 Sv, bewijs mag niet uitsluitend op een getuigenverklaring
zijn gebaseerd).
Nog twee andere elementen van het bewijsrecht die in art 338
staan
Het gaat om de vraag of de verdachte het ten laste gelegde
feit heeft begaan
Bewijsvraag alleen van toepassing bij beantwoording eerste
1