Uitwerking opdracht klinisch redeneren
,Inhoudsopgave
Stap 1: Probleemoriëntatie/ klinisch beeld..............................................................................................3
1.1 Situation.........................................................................................................................................3
1.2 Background....................................................................................................................................3
1.3 Assessment....................................................................................................................................4
1.4 Recommendation...........................................................................................................................6
Stap 2: Probleemanalyse.........................................................................................................................7
2.1 Orgaansystemen............................................................................................................................7
Stap 3: Aanvullend onderzoek en diagnose...........................................................................................10
3.1 Aanvullend onderzoek.................................................................................................................10
3.2 Medische diagnose......................................................................................................................12
3.3 Verpleegkundige diagnoses.........................................................................................................12
Stap 4: Klinisch beleid............................................................................................................................13
4.1 Medische behandeling.................................................................................................................13
4.2 Interventies verpleegproblemen.................................................................................................13
4.3 Betrokken zorgverleners..............................................................................................................16
4.4 Shared decision making...............................................................................................................16
Stap 5: Klinisch verloop..........................................................................................................................17
Stap 6: Evaluatie....................................................................................................................................19
Literatuurlijst.........................................................................................................................................20
, Stap 1: Probleemoriëntatie/ klinisch beeld
Om het probleem te oriënteren wordt de SBAR-methode gebruikt. Dit is een hulpmiddel om informatie
over een patiënt te verzamelen, over te dragen, in te brengen in een professioneel overleg over
gewijzigd lichamelijk/geestelijk beeld en consultaanvraag (Bakker, 2019).
1.1 Situation
Mevrouw S. is een alleenstaande, 30 jarige vrouw. Mevrouw is in het WKZ bevallen bij 37 weken en zes
dagen. Ze is sinds kort moeder van een dochter. Mevrouw is zwanger geworden middels een donorzaad
en IVF (in-vitrofertilisatie). Haar moeder wordt betrokken bij de bevalling en kraamtijd, als partner zijnde
van mevrouw. Mevrouw komt de achtste dag post partum naar de Verloskamers in het WKZ met koorts
en pijn in haar buik. Er is geen sprake van andere klachten. Mevrouw geeft flesvoeding aan haar
dochter.
1.2 Background
De AMPLE is een methode om informatie over de gezondheid van het slachtoffer te verkrijgen, zodat
risico´s voorkomen kunnen worden (Reiling, 2016).
Allergieën
Bij deze mevrouw zijn er geen allergieën bekend.
Medicatie
Mevrouw gebruikt geen medicatie.
Medische voorgeschiedenis (past)
Mevrouw is bekend met spinale musculaire atrofie type 3, dit is een spierziekte waarbij de spieren in het
bekken en de bovenarmen dunner worden (Spierziekten Nederland, z.d.). Mevrouw kan een klein stukje
lopen, maar is verder rolstoelafhankelijk.
Laatste maaltijd
Het is niet bekend wanneer en wat mevrouw voor het laatst heeft gegeten.
Laatste gebeurtenis (Event)
Mevrouw heeft tijdens haar zwangerschap last gehad van vaginaal bloedverlies en placenta praevia
marginalis (een laag liggende placenta). Dit is bij een zwangerschapsduur van 34 weken en 4 dagen
hersteld.
Mevrouw S. is acht dagen geleden bevallen, waarbij sprake was van langdurige gebroken vliezen (>24
uur), waardoor zij is ingeleid. Ze kreeg tijdens de bevalling pijnstilling middels een epiduraal en er is een
synto pomp aangesloten met het hormoon oxytocine, dit om de weeënactiviteit te stimuleren
(Zorginstituut Nederland, 2020). Echter gaf dit onvoldoende resultaat, wat uiteindelijk heeft geleid tot
een geboorte middels een vacuümextractie en er is een medio laterale episiotomie uitgevoerd. Een
vacuümextractie is een vaginale kunstverlossing waarbij de bevalling versneld kan worden, dit wordt
echter alleen gedaan wanneer er sprake is van een suboptimaal CTG en wanneer de vrouw in de
uitdrijvingsfase met het caput op H3 (W. Bredman, persoonlijke communicatie, 4 januari 2021). Hierbij
wordt er een cup geplaatst op de bovenkant van het hoofd van de baby. Er wordt vacuüm gezogen,
zodat de cup zich vastzuigt aan de schedel van de baby. Bij elke wee trekt de gynaecoloog mee, wanneer
de patiënt perst (St. Antonius Ziekenhuis, 2020). Het bloedverlies tijdens de bevalling was 600 ml.
Mevrouw krijgt een katheter geplaatst en nog 10 EH synto in verband met ruim vaginaal bloedverlies na
,Inhoudsopgave
Stap 1: Probleemoriëntatie/ klinisch beeld..............................................................................................3
1.1 Situation.........................................................................................................................................3
1.2 Background....................................................................................................................................3
1.3 Assessment....................................................................................................................................4
1.4 Recommendation...........................................................................................................................6
Stap 2: Probleemanalyse.........................................................................................................................7
2.1 Orgaansystemen............................................................................................................................7
Stap 3: Aanvullend onderzoek en diagnose...........................................................................................10
3.1 Aanvullend onderzoek.................................................................................................................10
3.2 Medische diagnose......................................................................................................................12
3.3 Verpleegkundige diagnoses.........................................................................................................12
Stap 4: Klinisch beleid............................................................................................................................13
4.1 Medische behandeling.................................................................................................................13
4.2 Interventies verpleegproblemen.................................................................................................13
4.3 Betrokken zorgverleners..............................................................................................................16
4.4 Shared decision making...............................................................................................................16
Stap 5: Klinisch verloop..........................................................................................................................17
Stap 6: Evaluatie....................................................................................................................................19
Literatuurlijst.........................................................................................................................................20
, Stap 1: Probleemoriëntatie/ klinisch beeld
Om het probleem te oriënteren wordt de SBAR-methode gebruikt. Dit is een hulpmiddel om informatie
over een patiënt te verzamelen, over te dragen, in te brengen in een professioneel overleg over
gewijzigd lichamelijk/geestelijk beeld en consultaanvraag (Bakker, 2019).
1.1 Situation
Mevrouw S. is een alleenstaande, 30 jarige vrouw. Mevrouw is in het WKZ bevallen bij 37 weken en zes
dagen. Ze is sinds kort moeder van een dochter. Mevrouw is zwanger geworden middels een donorzaad
en IVF (in-vitrofertilisatie). Haar moeder wordt betrokken bij de bevalling en kraamtijd, als partner zijnde
van mevrouw. Mevrouw komt de achtste dag post partum naar de Verloskamers in het WKZ met koorts
en pijn in haar buik. Er is geen sprake van andere klachten. Mevrouw geeft flesvoeding aan haar
dochter.
1.2 Background
De AMPLE is een methode om informatie over de gezondheid van het slachtoffer te verkrijgen, zodat
risico´s voorkomen kunnen worden (Reiling, 2016).
Allergieën
Bij deze mevrouw zijn er geen allergieën bekend.
Medicatie
Mevrouw gebruikt geen medicatie.
Medische voorgeschiedenis (past)
Mevrouw is bekend met spinale musculaire atrofie type 3, dit is een spierziekte waarbij de spieren in het
bekken en de bovenarmen dunner worden (Spierziekten Nederland, z.d.). Mevrouw kan een klein stukje
lopen, maar is verder rolstoelafhankelijk.
Laatste maaltijd
Het is niet bekend wanneer en wat mevrouw voor het laatst heeft gegeten.
Laatste gebeurtenis (Event)
Mevrouw heeft tijdens haar zwangerschap last gehad van vaginaal bloedverlies en placenta praevia
marginalis (een laag liggende placenta). Dit is bij een zwangerschapsduur van 34 weken en 4 dagen
hersteld.
Mevrouw S. is acht dagen geleden bevallen, waarbij sprake was van langdurige gebroken vliezen (>24
uur), waardoor zij is ingeleid. Ze kreeg tijdens de bevalling pijnstilling middels een epiduraal en er is een
synto pomp aangesloten met het hormoon oxytocine, dit om de weeënactiviteit te stimuleren
(Zorginstituut Nederland, 2020). Echter gaf dit onvoldoende resultaat, wat uiteindelijk heeft geleid tot
een geboorte middels een vacuümextractie en er is een medio laterale episiotomie uitgevoerd. Een
vacuümextractie is een vaginale kunstverlossing waarbij de bevalling versneld kan worden, dit wordt
echter alleen gedaan wanneer er sprake is van een suboptimaal CTG en wanneer de vrouw in de
uitdrijvingsfase met het caput op H3 (W. Bredman, persoonlijke communicatie, 4 januari 2021). Hierbij
wordt er een cup geplaatst op de bovenkant van het hoofd van de baby. Er wordt vacuüm gezogen,
zodat de cup zich vastzuigt aan de schedel van de baby. Bij elke wee trekt de gynaecoloog mee, wanneer
de patiënt perst (St. Antonius Ziekenhuis, 2020). Het bloedverlies tijdens de bevalling was 600 ml.
Mevrouw krijgt een katheter geplaatst en nog 10 EH synto in verband met ruim vaginaal bloedverlies na