Samenvatting scheikunde hoofdstuk 1
Chemisch rekenen
1. Atoombouw en periodiek systeem
- Elektronenschillen: elektronenbanen rond de kern van een atoom.
- Atoommodel van Bohr: atoom bestaat uit negatief geladen elektronen die in banen om een
kleine kern van positief geladen protonen en neutrale neutronen heen cirkelen.
- De lading van een proton en een elektron wordt het elementair ladingskwantum (e)
genoemd (Binas tabel 7A).
- Atoomnummer: aantal protonen dat zich in de kern van een atoom bevindt.
- Isotopen: atomen die hetzelfde aantal protonen in de kern hebben, maar een verschillend
aantal neutronen (Binas tabel 25A).
- Massagetal: de som van het aantal protonen en neutronen in de kern van een atoom.
- Atomaire massa-eenheid (u): eenheid om atoommassa’s en moleculaire massa’s in uit te
drukken.
- Relatieve atoommassa (A): gemiddelde van de atoommassa’s van de verschillende isotopen.
- Elke periode in het periodiek systeem komt overeen met een elektronenschil.
- Elementen met vergelijkbare eigenschappen staan onder elkaar in groepen.
- Valentie-elektronen: elektronen in de buitenste schil van een atoom.
- Elektronenconfiguratie: de verdeling van de elektronen over de schillen.
- Edelgassen: elementen in groep 18. Zeer stabiele deeltjes door de edelgasconfiguratie.
- Halogenen: elementen in groep 17. Nemen makkelijk een elektron op.
- Alkalimetalen: elementen in groep 1. Staat makkelijk een elektron af.
- Aardalkalimetalen: elementen in groep 2.
- Het periodiek kan grofweg worden opgedeeld in de metalen en de niet-metalen.
- BrINClHOF: moleculen opgebouwd uit twee dezelfde atomen.
- Synthetische elementen: geen natuurlijke elementen.
2. De hoeveelheid stof
- Relatieve molecuulmassa (M): som van de relatieve atoommassa’s van de atomen waaruit
het molecuul is opgebouwd.
- De hoeveelheid stof (n), ook wel chemische hoeveelheid genoemd, is een grootheid om het
aantal atomen en moleculen uit te drukken. De eenheid waarin dit wordt gegeven, is de mol.
Chemisch rekenen
1. Atoombouw en periodiek systeem
- Elektronenschillen: elektronenbanen rond de kern van een atoom.
- Atoommodel van Bohr: atoom bestaat uit negatief geladen elektronen die in banen om een
kleine kern van positief geladen protonen en neutrale neutronen heen cirkelen.
- De lading van een proton en een elektron wordt het elementair ladingskwantum (e)
genoemd (Binas tabel 7A).
- Atoomnummer: aantal protonen dat zich in de kern van een atoom bevindt.
- Isotopen: atomen die hetzelfde aantal protonen in de kern hebben, maar een verschillend
aantal neutronen (Binas tabel 25A).
- Massagetal: de som van het aantal protonen en neutronen in de kern van een atoom.
- Atomaire massa-eenheid (u): eenheid om atoommassa’s en moleculaire massa’s in uit te
drukken.
- Relatieve atoommassa (A): gemiddelde van de atoommassa’s van de verschillende isotopen.
- Elke periode in het periodiek systeem komt overeen met een elektronenschil.
- Elementen met vergelijkbare eigenschappen staan onder elkaar in groepen.
- Valentie-elektronen: elektronen in de buitenste schil van een atoom.
- Elektronenconfiguratie: de verdeling van de elektronen over de schillen.
- Edelgassen: elementen in groep 18. Zeer stabiele deeltjes door de edelgasconfiguratie.
- Halogenen: elementen in groep 17. Nemen makkelijk een elektron op.
- Alkalimetalen: elementen in groep 1. Staat makkelijk een elektron af.
- Aardalkalimetalen: elementen in groep 2.
- Het periodiek kan grofweg worden opgedeeld in de metalen en de niet-metalen.
- BrINClHOF: moleculen opgebouwd uit twee dezelfde atomen.
- Synthetische elementen: geen natuurlijke elementen.
2. De hoeveelheid stof
- Relatieve molecuulmassa (M): som van de relatieve atoommassa’s van de atomen waaruit
het molecuul is opgebouwd.
- De hoeveelheid stof (n), ook wel chemische hoeveelheid genoemd, is een grootheid om het
aantal atomen en moleculen uit te drukken. De eenheid waarin dit wordt gegeven, is de mol.