Ontwikkelings
Psychologie
, HS4: vervolg op notities:
• Imitatie (nabootsing):
o Imitatie bij pasgeborenen van gelaatsuitdrukkingen (Meltzoff et al.)
¨ 12-21 dagen na de geboorte vertonen baby’s al imitatiegedrag van
gelaatsuitdrukkingen.
¨ Universeel fenomeen
¨ MAAR er zijn ook enkele nulstudies bij
Þ Geen volledig zekere kwestie
¨ De beweging zien is noodzakelijk om imitatie te vertonen (bv. tong uitsteken)
¨ Kan nog voorkomen 24 uur na de beweging
¨ 2-3 maanden oud (kindje is ouder) => dan is het moeilijker waar te nemen
(meer geïnteresseerd in andere dingen volgens Meltzoff)
o Automatische respons die in de tijd verdwijnt (reflex) <-> flexibele, willekeurige
vaardigheid
à Hoe imitatie interpreteren?
¨ Sterk controversieel
¨ Een jaar geleden: nieuwe meta-analyse
Þ Conclusie dat het in eerste instantie op die vroege babyleeftijd toch
gaat om een reflexmatig gebeuren
Þ Gaat in tegen wat Meltzoff zei
¨ Sociaal-communicatieve functie: baby’s imiteren om de interactie met
anderen te laten doorgaan.
• Motorische ontwikkeling:
o De evolutie van de motorische ontwikkeling breidt de mogelijkheden van het kind
geweldig uit
o Evolueert van ritmische stereotype bewegingen zonder specifiek doel
à Naar georganiseerde willekeurige bewegingen
¨ Evolueert van eerst ontwikkeling in de grove motoriek: zich in de omgeving
bewegen
¨ Ook ontwikkeling in de fijne motoriek: manuele vaardigheden (vooral in de
handen)
o Sociale relaties worden hier ook door beïnvloed.
à Ouders/opvoeders gaan grenzen moeten stellen aan het kind (kind mag niet alles
vastpakken)
o Kind kan dit ook gebruiken als vorm van communicatie (bv. wijzen)
• Trends in de motorische ontwikkeling:
1. Cephalocaudaal:
¨ “Hoofd naar staart” (letterlijk)
¨ Hoofd zal eerder ontwikkelen voor de armen en romp, en dan pas benen
2. Proximodistaal:
¨ Van centrum van lichaam naar buiten
¨ Eerst controle van het hoofd en de romp, daarna de armen en benen,
daarna de handen en voeten, vingers en tenen.
, o Er is een grote variatie tussen kinderen
Þ Volgorde in de motorische ontwikkeling is niet altijd volledig vaststaand.
o Er zijn heel wat kinderen die bv. kruipen overslaan, gaan niet kruipen
Þ Hebben geen ontwikkelingsachterstand/problemen.
• Motorische vaardigheden als een dynamisch systeem:
o Toenemende complexe actiesystemen
¨ Het verwerven van steeds complexere systemen die in actie moeten treden.
¨ Verschillende deelacties dienen gecoördineerd te worden en aangepast te
worden aan de omgeving
o Continu interactie met de omgeving
Þ Motoriek wordt steeds beter en beter afgestemd op die omgeving
o Die motorische ontwikkeling kan nooit volledig erfelijk bepaald zijn
o 4 factoren in elke nieuwe vaardigheid
1. Ontwikkeling centraal zenuwstelsel
2. Bewegingsmogelijkheden
3. Doel van het kind
4. Steun door de omgeving (fysieke omgeving!!!)
o Culturele variatie
¨ Niet in alle culturen op dezelfde manier hierop inspelen
• Ontwikkeling van de fijne motoriek:
o Vuistjes (geboorte -1ste weken)
o Prereaching:
¨ Pogingen om een object te pakken te krijgen, maar niet accuraat en geen
gecoördineerd grijpen (tot 2 maanden)
o Gericht reiken (vanaf 3 maanden), matuur reiken (5-6 maanden)
à 5-6 maanden: zelfs al reiken naar een object in het donker (eerst is het object
belicht geweest en dan doe je het licht uit) => Ze doen dit op grond van de
proprioceptieve informatie
o Grijpen:
¨ Met de handpalm (4 maanden), duimoppositie (7 maanden), evolueert naar
pincetgreep (9 maanden) (eerst met de zijkant van de wijsvinger, daarna met
de vingertop)
o Coördinatie tussen beide handen:
¨ Functionele asymmetrie: complementaire handelingen (5-6 maanden)
¨ Bv. met de ene hand iets vastnemen en met de andere hand fijner gaan
expoleren/verkennen
o Tussen 8 en 11 maanden: er komt aandacht vrij van de motorische bewegingen want
die worden meer en meer vanzelfsprekend. Om zich dan toch te kunnen gaan
aanpassen aan voorafgaande en daaropvolgende gebeurtenissen.
à Anticiperen
à Bv. aanloop nemen voor ze een bal wegstootten.
, • Ontwikkeling van perceptie:
o Relatie tussen motorische actie en perceptie
¨ Tussen wat je motorisch kan en wat je allemaal kan waarnemen (en
omgekeerd)
o Interactie van aangeboren disposities, ervaringen en hersenontwikkeling
o Voorwaarden voor emotionele en sociale ontwikkeling en taalontwikkeling
o Onderzoek via non-verbale responsen, operante conditionering, habituatie en
psychofysiologische metingen
• Tastzin:
o Baby’s zijn gevoelig voor aanraking:
¨ Reflexen
¨ Belangrijk voor interactie met de ouders (moeders herkennen hun baby door
tast)
¨ Strelen induceert responsief gedrag
o Baby’s zijn pijngevoelig (circumcisie = de besnijdenis)
o Via tast wordt de omgeving verkend
¨ Rond 6 maand piek van exploreren via de mond
• Smaak en geur:
o Zoet, zuur en bitter worden door pasgeborenen gediscrimineerd (kunnen
onderscheid maken)
à Verschillende gelaatsuitdrukkingen
o Voorkeur voor zoet (moedermelk is lichtjes zoet); smaak voorkeur kan geleerd
worden (bv. soyamelk bij baby’s die allergisch zijn voor koemelk
=> leerproces)
o Ook geurvoorkeur (ook hierbij leerprocessen):
¨ Banaan: ontspannen
¨ Rotte eieren: fronsen
o Bij vele dieren is geur belangrijk voor wederzijdse erkenning van moeder en kind
¨ Baby’s worden aangetrokken door de geur van hun moeder en moedermelk
¨ Omgekeerd ook herkenning van haar baby door de moeder
• Evenwicht:
o Gebaseerd op informatie van 3 types van sensorische stimulatie:
1. Vestibulair systeem
¨ Zit in het binnenoor è slakkenhuis è semicirculaire kanaaltjes
2. Proprioceptief
¨ De sensaties die je hebt in je huid, in je gewrichten, in je spieren
3. Optische flow
¨ Heeft te maken met het visuele aspect
Psychologie
, HS4: vervolg op notities:
• Imitatie (nabootsing):
o Imitatie bij pasgeborenen van gelaatsuitdrukkingen (Meltzoff et al.)
¨ 12-21 dagen na de geboorte vertonen baby’s al imitatiegedrag van
gelaatsuitdrukkingen.
¨ Universeel fenomeen
¨ MAAR er zijn ook enkele nulstudies bij
Þ Geen volledig zekere kwestie
¨ De beweging zien is noodzakelijk om imitatie te vertonen (bv. tong uitsteken)
¨ Kan nog voorkomen 24 uur na de beweging
¨ 2-3 maanden oud (kindje is ouder) => dan is het moeilijker waar te nemen
(meer geïnteresseerd in andere dingen volgens Meltzoff)
o Automatische respons die in de tijd verdwijnt (reflex) <-> flexibele, willekeurige
vaardigheid
à Hoe imitatie interpreteren?
¨ Sterk controversieel
¨ Een jaar geleden: nieuwe meta-analyse
Þ Conclusie dat het in eerste instantie op die vroege babyleeftijd toch
gaat om een reflexmatig gebeuren
Þ Gaat in tegen wat Meltzoff zei
¨ Sociaal-communicatieve functie: baby’s imiteren om de interactie met
anderen te laten doorgaan.
• Motorische ontwikkeling:
o De evolutie van de motorische ontwikkeling breidt de mogelijkheden van het kind
geweldig uit
o Evolueert van ritmische stereotype bewegingen zonder specifiek doel
à Naar georganiseerde willekeurige bewegingen
¨ Evolueert van eerst ontwikkeling in de grove motoriek: zich in de omgeving
bewegen
¨ Ook ontwikkeling in de fijne motoriek: manuele vaardigheden (vooral in de
handen)
o Sociale relaties worden hier ook door beïnvloed.
à Ouders/opvoeders gaan grenzen moeten stellen aan het kind (kind mag niet alles
vastpakken)
o Kind kan dit ook gebruiken als vorm van communicatie (bv. wijzen)
• Trends in de motorische ontwikkeling:
1. Cephalocaudaal:
¨ “Hoofd naar staart” (letterlijk)
¨ Hoofd zal eerder ontwikkelen voor de armen en romp, en dan pas benen
2. Proximodistaal:
¨ Van centrum van lichaam naar buiten
¨ Eerst controle van het hoofd en de romp, daarna de armen en benen,
daarna de handen en voeten, vingers en tenen.
, o Er is een grote variatie tussen kinderen
Þ Volgorde in de motorische ontwikkeling is niet altijd volledig vaststaand.
o Er zijn heel wat kinderen die bv. kruipen overslaan, gaan niet kruipen
Þ Hebben geen ontwikkelingsachterstand/problemen.
• Motorische vaardigheden als een dynamisch systeem:
o Toenemende complexe actiesystemen
¨ Het verwerven van steeds complexere systemen die in actie moeten treden.
¨ Verschillende deelacties dienen gecoördineerd te worden en aangepast te
worden aan de omgeving
o Continu interactie met de omgeving
Þ Motoriek wordt steeds beter en beter afgestemd op die omgeving
o Die motorische ontwikkeling kan nooit volledig erfelijk bepaald zijn
o 4 factoren in elke nieuwe vaardigheid
1. Ontwikkeling centraal zenuwstelsel
2. Bewegingsmogelijkheden
3. Doel van het kind
4. Steun door de omgeving (fysieke omgeving!!!)
o Culturele variatie
¨ Niet in alle culturen op dezelfde manier hierop inspelen
• Ontwikkeling van de fijne motoriek:
o Vuistjes (geboorte -1ste weken)
o Prereaching:
¨ Pogingen om een object te pakken te krijgen, maar niet accuraat en geen
gecoördineerd grijpen (tot 2 maanden)
o Gericht reiken (vanaf 3 maanden), matuur reiken (5-6 maanden)
à 5-6 maanden: zelfs al reiken naar een object in het donker (eerst is het object
belicht geweest en dan doe je het licht uit) => Ze doen dit op grond van de
proprioceptieve informatie
o Grijpen:
¨ Met de handpalm (4 maanden), duimoppositie (7 maanden), evolueert naar
pincetgreep (9 maanden) (eerst met de zijkant van de wijsvinger, daarna met
de vingertop)
o Coördinatie tussen beide handen:
¨ Functionele asymmetrie: complementaire handelingen (5-6 maanden)
¨ Bv. met de ene hand iets vastnemen en met de andere hand fijner gaan
expoleren/verkennen
o Tussen 8 en 11 maanden: er komt aandacht vrij van de motorische bewegingen want
die worden meer en meer vanzelfsprekend. Om zich dan toch te kunnen gaan
aanpassen aan voorafgaande en daaropvolgende gebeurtenissen.
à Anticiperen
à Bv. aanloop nemen voor ze een bal wegstootten.
, • Ontwikkeling van perceptie:
o Relatie tussen motorische actie en perceptie
¨ Tussen wat je motorisch kan en wat je allemaal kan waarnemen (en
omgekeerd)
o Interactie van aangeboren disposities, ervaringen en hersenontwikkeling
o Voorwaarden voor emotionele en sociale ontwikkeling en taalontwikkeling
o Onderzoek via non-verbale responsen, operante conditionering, habituatie en
psychofysiologische metingen
• Tastzin:
o Baby’s zijn gevoelig voor aanraking:
¨ Reflexen
¨ Belangrijk voor interactie met de ouders (moeders herkennen hun baby door
tast)
¨ Strelen induceert responsief gedrag
o Baby’s zijn pijngevoelig (circumcisie = de besnijdenis)
o Via tast wordt de omgeving verkend
¨ Rond 6 maand piek van exploreren via de mond
• Smaak en geur:
o Zoet, zuur en bitter worden door pasgeborenen gediscrimineerd (kunnen
onderscheid maken)
à Verschillende gelaatsuitdrukkingen
o Voorkeur voor zoet (moedermelk is lichtjes zoet); smaak voorkeur kan geleerd
worden (bv. soyamelk bij baby’s die allergisch zijn voor koemelk
=> leerproces)
o Ook geurvoorkeur (ook hierbij leerprocessen):
¨ Banaan: ontspannen
¨ Rotte eieren: fronsen
o Bij vele dieren is geur belangrijk voor wederzijdse erkenning van moeder en kind
¨ Baby’s worden aangetrokken door de geur van hun moeder en moedermelk
¨ Omgekeerd ook herkenning van haar baby door de moeder
• Evenwicht:
o Gebaseerd op informatie van 3 types van sensorische stimulatie:
1. Vestibulair systeem
¨ Zit in het binnenoor è slakkenhuis è semicirculaire kanaaltjes
2. Proprioceptief
¨ De sensaties die je hebt in je huid, in je gewrichten, in je spieren
3. Optische flow
¨ Heeft te maken met het visuele aspect