Leerdoelen:
- Benoemen in welke groepen de koolhydraten kunnen worden
ingedeeld naar molecuulgrootte
- De opbouw van monosacharides beschrijven en enkele bekende
hexosen en pentosen benoemen aan de hand van hun
structuurformule
- Enkele synoniemen geven voor glucose
- De molecuulformule benoemen van een disacharide
- Enkele bekende disachariden benoemen en aangeven uit welke
monosacchariden ze bestaan
- De molecuulformule benoemen van een polysacharide
- Enkele bekende polysachariden benoemen en herkennen aan hun
structuurformule
- Verschillen en overeenkomsten benoemen tussen de bekende
polysachariden
- Eigenschappen van polysachariden benoemen
- Beschrijven hoe de vertering van koolhydraten gaat.
Koolhydraten
- Belangrijkste energiebron (40-70%)
- Koolhydraten bestaan uit 3 soort atomen
- Koolstof C
- Waterstof H
- Zuurstof O
Bouw van een koolhydraat
De atomen in koolhydraten hebben vaste bindingsregels:
- Koolstof (C) → 4 bindingen
- Zuurstof (O) → 2 bindingen
- Waterstof (H) → 1 binding
,Deze atomen vormen samen een ringstructuur (suikerring), wat
kenmerkend is voor veel koolhydraten
Voorbeeld: glucose
- Brutoformule: C₆H₁₂O₆
- Dit betekent:
- 6 koolstofatomen
- 12 waterstofatomen
- 6 zuurstofatomen
Brutoformule = geeft aan hoeveel van elk atoom in het
molecuul zit.
Structuurformule
- In schematische tekeningen:
- Waterstofatomen worden vaak niet getekend
- OH-groepen worden meestal impliciet weergegeven (met een
streepje)
Soorten koolhydraten
Alle koolhydraten kun je indelen in twee hoofdgroepen
1. Polysacchariden
- Grote moleculen
- Bestaan uit veel monosacchariden aan elkaar
- Slecht oplosbaar in water
- Neutrale (niet-zoete) smaak
Voorbeelden:
- Zetmeel (planten)
- Glycogeen (opslagvorm in lever en spieren)
2. Sacchariden (suikers)
- Kleinere moleculen
, - Goed oplosbaar in water
- Zoete smaak
Binnen de suikers maak je nog een onderverdeling:
Monosacchariden
- Bestaan uit één suikerring/
structuur
- Kleinste eenheid van koolhydraten
Voorbeeld:
- Glucose, fructose, galactose
Disacchariden
- Bestaan uit twee monosacchariden aan elkaar gekoppeld
- Dit gebeurt altijd door een binding tussen OH- groepen
- Hierbij komt water vrij, glycosidische binding (suikerverbinding)
Voorbeelden:
- Maltose
- Sacharose (sucrose)
- Zelfde stof 2 namen, bietsuiker en rietsuiker
- Lactose
Aldoses en ketoses (soorten monosacchariden)
Bij monosacchariden kijk je o.a. naar de plaats van de dubbel gebonden
zuurstof (C=O)
Dit bepaalt of een suiker een aldose of een ketose is
Aldose
- Heeft een aldehydegroep (-CHO)
- De dubbelgebonden O zit aan het uiteinden van
het molecuul
- Dus C=O op het eerste koolstofatoom
- Glucose is een aldose
, Ketose
- Heeft een ketongroep (C=O)
- De dubbelgebonden O zit in het midden van de keten
- Dus C=O op een middenpositie
- Fructose is een ketose
Ringvorming
Die dubbelgebonden O (C=O) is reactief en kan reageren met een OH-
groep in hetzelfde molecuul
Hierdoor ontstaat een ringstructuur (cyclische vorm)
- Bij een aldose
- Vaak een 6-ring (pyranose)
- Bij een ketose
- Vaak een 5-ring (furanose)
De plaats van de C=O bepaald hoe de ring sluit en hoe groot die wordt
Lengte van de koolstofketen
Daarnaast deel je duikers in op basis van het aantal koolstofatomen
- Triose > 3 C atomen
- Pentose > 5 C atomen
- Hexose > 6 C atomen
Glucose en fructose zijn een hexose (6 C)
α- en β-glucose
Wanneer glucose een ringstructuur vormt ontstaat er een nieuw
belangrijk verschil bij koolstofatoom C1, je telt vanaf midden
rechts met de klok mee
Het verschil zit in de stand van de OH groep op C1
- α-glucose
- OH op C1 wijst naar beneden
- β-glucose
- OH op C1 wijst naar boven
Dit noem je isomeren, zelfde bruto formule met
een andere ruimtelijke structuur
- Zetmeel is een alpha structuur