Urogenitaal systeem en statistiek
HC Ontwikkeling, placentatie
De placenta ontstaat als resultaat van:
1. Bevruchting
2. Transport door de eileider
3. Celdelingen van het embryo
4. Implantatie van de baarmoederwand
5. Vorming van de chorionvlokken (villi)
6. Ontwikkeling van de placenta
Het heeft uiteindelijk 3 hoofdfuncties :
• Uitwisseling van zuurstof en voedingstoffen
• Afvoer van afvalstoffen
• Hormoonproductie (HCG, progesteron)
Foetaal vs. Maternaal deel
• Baby = chorion frondosum; hier blijven de villi groeien
• Moeder = decidua basalis (gemodificeerd endometrium)
• Placenta barrière: bloed van moeder en kind
mengt normaal niet , uitwisseling gebeurt via
diffusie door verschillende lagen
Bevruchting en implantatie:
• Ovulatie → eicel komt vrij uit de ovaria en
fimbriae “vegen” de eicel de eileider in
• Bevruchting → meestal in ampulla van de
eileider, het breedste deel van de tuba uterina
• Transport richting uterus → tijdens de reis deelt
het embryo zich voortdurend , eerst 2-cellig (dag
1), daarna 4 en 8 cellig (dag 3), vervolgens is het een morula (dag 4) en daarna een
blastocyst (dag 5)
• Implantatie → meestal rond dag 6-7 na de bevruchting en dan hecht het embryo zich
vast aan het endometrium
Het embryo komt van de eileider naar de baarmoeder door 2 belangrijke mechanismen in de
tuba uterine:
• Ciliën; dit zijn trilhaartjes die richting de uterus slaan en deze bewegen de eicel / zygote
vooruit
• Peristaltiek; spierlagen in de eileider trekken ritmisch samen net zoals in de darm en dit
zorgt er ook voor dat de eicel richting de baarmoeder beweegt
,Deze mechanismen zijn belangrijk, want als dit transport beschadigd raakt kan een embryo
blijven steken en het gevolg daarvan is een EUG (extra-uteriene zwangerschap) = een
buitenbaarmoederlijke zwangerschap, meestal in de eileider. De zona pellucida voorkomt
implantatie in de tuba. Het is een glycoproteïnelaag
rondom een eicel en het vroege embryo met als
functies:
• Bescherming
• Voorkomen van polyspermie
• Voorkomen van een te vroege implantatie
Op dag 5-6 breekt de blastocyst uit de zona pellucida
= hatching en pas daarna kan implantatie
plaatsvinden
Lagen van de baarmoeder: van buiten naar binnen
1. Perimetrium; bekleedt de buitenkant van de uterus , serosa (visceraal peritoneum) =
buikvlies
2. Myometrium; dikke spierlaag, deze geeft de menstruatiekrampen, weeën en
samentrekken van bloedvaten na de geboorte
o Buitenste longitudinale spierlaag
o Middelste vaatrijke laag = stratum vasculare
o Binnenste circulaire spierlaag
3. Endometrium; binnenste slijmvlieslaag, hierin vindt implantatie plaats,
ontstaat de placenta en treedt menstruatie op
o Bovenste laag = stratum functionale → deze groeit elke cyclus,
wordt voorbereid op zwangerschap en afgestoten bij
menstruatie.
o Onderste laag = stratum basale → blijft altijd aanwezig, bevat stamcellen en
basale delen van de klieren = hieruit groeit nieuw functioneel endometrium na
menstruatie. Basalis = basis = blijft bestaan
De bloedvoorziening van de uterus: uteriene arterie → boogartiëren → radiale arteriën → 2
takken
• Rechte arteriën blijven in stratum basale , dus deze blijven bestaan en hierdoor kan het
endometrium weer aangroeien
• Spiraal arteriën gaan naar het stratum functionale en deze zijn hormoongevoelig en
groeien elke cyclus mee
In de menstruatie wordt een deel van het endometrium dus afgestoten en hierdoor is het
endometrium in de proliferatieve fase vrij kaal (alleen stratum basale). Onder invloed van
oestrogeen uit de groeiende follikel ontstaat re-eptithelialisatie en wordt het oppervlak opnieuw
bekleed. Klieren, stroma en spiraalarteriën groeien in de proliferatie fase (dag 6-14). Na de
ovulatie krijg je de secretiefase→ corpus luteum produceert progesteron ter voorbereiding op
implantatie. Hierdoor worden de klieren groter (vullen met secreet), zwelt het stroma op en
bereiken spiraalarteriën het oppervlak en gaan kronkelen. In de menstruele fase is treedt bij
,geen zwangerschap de verdwijning van het corpus leteum op, waardoor de progesteron daalt en
de spiraalarteriën contraheren = ischemie = afstoting van stratum functionale = menstruatie.
• Proliferatiefase = hyperplasie = celdeling = meer cellen
• Secretiefase = hypertrofie = grotere cellen (niet meer delen)
• Menstruatiefase = daling progesteron = afstoting baarmoederwand
Endometrium verandering na innesteling = decidualisatie, het wordt decidua. De stromacellen
worden grote voedselrijke cellen: lipide accumulatie, meer glycogeenopslag, meer
glycosaminoglycanen, toename van bloedvaten en meer vaatpermeabiliteit. Het is
ontstekingsachtig zonder infectie. In de eerste weken heeft het embryo nog geen goed
ontwikkelde placenta en dus fungeert de decidua als een soort voorraadkast. Inductie wordt
opgewekt door trofoblastcellen → HCG, cytokinen en prostaglandinen.
Een blastocyst bestaat uit een embryoblast (binnenste celmassa) dat het embryo wordt en de
trofoblast (buitenste celmassa) dat de placenta wordt. Ook
heeft het een blastocystholte die met vocht gevuld is.
Hechten aan endometrium:
Trofoblast differentieert naar; dag 6-7
• Cytotrofoblast; binnenlaag
• Syncytiotrofoblast = dringt actief het endometrium binnen
Dag 7-8; blastocyst dringt verder naar binnen en de embryoblast splitst
waardoor epiblast en hypoblast ontstaan = de bilaminaire kiemschijf. De
epiblast = hieruit onstaan vruchtwater en het eigenlijk embryo. Hypoblast
groeit uit tot de dooierzak, die belangrijk is voor de eerste bloedtoevoer en
uitwisseling van voedingsstoffen. Op dag 8 ontstaat boven de epiblast de
amnionholte → wordt later vruchtwaterholte. Op dag 9 zit de blastocyst
vrijwel volledig in het endometrium en wordt de opening afgesloten met een
fibrine plug. Er ontstaan ook lacunae in de syncytiotrofoblast (holtes) waar
later moederlijk bloed in terechtkomt (12 weken). De syncytiotrofoblast breekt
maternale capillairen en klieren open en daardoor ontstaan verbindingen met
maternale sinusoïden en begint de eerste uitwisseling. Hypoblastcellen
bekleden de binnenkant van de blastocyst en daardoor ontstaat de primaire
dooierzak via het heuser membraan.
Navelstreng en holteontwikkeling:
Door groei van het amnion wordt hij steeds groter en daardoor worden de body stalk, de
allantois en de dooierzaksteel samen ingesloten en
versmelten uiteindelijk tot de navelstreng. Hierin zitten 2
arteriae umbilicales die voeren zuurstofarm bloed naar de
placenta, 1 vena umbilicalis die voert zuurstofrijk bloed terug
naar de foetus.
Voldragen zwangerschap; 2 foetale vliezen
, • Amnion; binnenste laag direct rond de foetus, bevat vruchtwater
• Chorion; buitenste foetale membraan, vormt het foetale deel van de placenta
Vasculogenese
1. Dooierzak; eerste bloedvorming
2. Embryo zelf; eerste circulatie
3. Placenta; uitwisseling met moeder
Villi ontwikkeling; primaire villus = cytotrofoblast en syncytiotrofoblast (geen bindweefsel, geen
bloedvaten), secundaire villus = extra-embryonaal mesoderm groeit naar binnen, tertiare villus =
in mesoderm ontstaan foetale bloedvaten waardoor uitwisseling mogelijk is (dag 21). De ruimte
tussen de villi heet de intervillieuze ruimte en hier bevindt zich moederlijk bloed , maar tot 12
weken alleen moederlijk serum, transsudaat en deciduaal kliersecreet. Dus foetaal bloed
binnen de villi en maternaal bloed buiten de villi → ze mengen niet.
De placenta barrière is in het eerste trimester relatief dik, veel lagen. Later in zwangerschap
wordt de barrière dunner om diffusie efficiënter te maken en verdwijnt de cytotrofoblast
grotendeels. Mens heeft een haemochoriale placenta wat inhoudt dat maternaal bloed in direct
contact staat met het chorion = zuurstof hoeft maar weinig lagen te passeren.
• Diffusie; O2 , CO2 , ureum, bilirubine, Na+, K+ en vetzuren
• Actief; aminozuren, calcium en vitamines → IgG = immuniteit
De circulatie; maternale bloed wordt ongeveer 3-4 keer per minuut ververst = placenta goed
doorbloed. Bloed stroomt langzaam de placenta binnen, voor betere diffusie en minder
beschadiging van de villi = bloeddruk neemt steeds meer af (laag-druk systeem). Bij pre-
eclampsie invaderen de trofoblasten de spiraalarteriën onvoldoende waardoor de arteriën smal
blijven en de weerstand hoog is → minder doorbloeding van de placenta
Endocriene functies;
• HCG; stimulatie placentaire progesteronproductie (corpus luteum in stand houden)
• HPL; stimulatie melkklieren, beïnvloedt maternale stofwisseling en zorgt dat er meer
glucose beschikbaar komt voor de foetus → energievoorziening van de foetus reguleren
door de insulinegevoeligheid van de moeder te veranderen
• Progesteron; voorkomt weeën ( myometrium relaxatie ) en zorgt voor lokale
immuunsuppressie (vaderlijk DNA)
• Oestrogeen; verhoogde uteriene doorbloeding, groei van uterus en betrokken bij initiatie
van de baring
HC Ontwikkeling, placentatie
De placenta ontstaat als resultaat van:
1. Bevruchting
2. Transport door de eileider
3. Celdelingen van het embryo
4. Implantatie van de baarmoederwand
5. Vorming van de chorionvlokken (villi)
6. Ontwikkeling van de placenta
Het heeft uiteindelijk 3 hoofdfuncties :
• Uitwisseling van zuurstof en voedingstoffen
• Afvoer van afvalstoffen
• Hormoonproductie (HCG, progesteron)
Foetaal vs. Maternaal deel
• Baby = chorion frondosum; hier blijven de villi groeien
• Moeder = decidua basalis (gemodificeerd endometrium)
• Placenta barrière: bloed van moeder en kind
mengt normaal niet , uitwisseling gebeurt via
diffusie door verschillende lagen
Bevruchting en implantatie:
• Ovulatie → eicel komt vrij uit de ovaria en
fimbriae “vegen” de eicel de eileider in
• Bevruchting → meestal in ampulla van de
eileider, het breedste deel van de tuba uterina
• Transport richting uterus → tijdens de reis deelt
het embryo zich voortdurend , eerst 2-cellig (dag
1), daarna 4 en 8 cellig (dag 3), vervolgens is het een morula (dag 4) en daarna een
blastocyst (dag 5)
• Implantatie → meestal rond dag 6-7 na de bevruchting en dan hecht het embryo zich
vast aan het endometrium
Het embryo komt van de eileider naar de baarmoeder door 2 belangrijke mechanismen in de
tuba uterine:
• Ciliën; dit zijn trilhaartjes die richting de uterus slaan en deze bewegen de eicel / zygote
vooruit
• Peristaltiek; spierlagen in de eileider trekken ritmisch samen net zoals in de darm en dit
zorgt er ook voor dat de eicel richting de baarmoeder beweegt
,Deze mechanismen zijn belangrijk, want als dit transport beschadigd raakt kan een embryo
blijven steken en het gevolg daarvan is een EUG (extra-uteriene zwangerschap) = een
buitenbaarmoederlijke zwangerschap, meestal in de eileider. De zona pellucida voorkomt
implantatie in de tuba. Het is een glycoproteïnelaag
rondom een eicel en het vroege embryo met als
functies:
• Bescherming
• Voorkomen van polyspermie
• Voorkomen van een te vroege implantatie
Op dag 5-6 breekt de blastocyst uit de zona pellucida
= hatching en pas daarna kan implantatie
plaatsvinden
Lagen van de baarmoeder: van buiten naar binnen
1. Perimetrium; bekleedt de buitenkant van de uterus , serosa (visceraal peritoneum) =
buikvlies
2. Myometrium; dikke spierlaag, deze geeft de menstruatiekrampen, weeën en
samentrekken van bloedvaten na de geboorte
o Buitenste longitudinale spierlaag
o Middelste vaatrijke laag = stratum vasculare
o Binnenste circulaire spierlaag
3. Endometrium; binnenste slijmvlieslaag, hierin vindt implantatie plaats,
ontstaat de placenta en treedt menstruatie op
o Bovenste laag = stratum functionale → deze groeit elke cyclus,
wordt voorbereid op zwangerschap en afgestoten bij
menstruatie.
o Onderste laag = stratum basale → blijft altijd aanwezig, bevat stamcellen en
basale delen van de klieren = hieruit groeit nieuw functioneel endometrium na
menstruatie. Basalis = basis = blijft bestaan
De bloedvoorziening van de uterus: uteriene arterie → boogartiëren → radiale arteriën → 2
takken
• Rechte arteriën blijven in stratum basale , dus deze blijven bestaan en hierdoor kan het
endometrium weer aangroeien
• Spiraal arteriën gaan naar het stratum functionale en deze zijn hormoongevoelig en
groeien elke cyclus mee
In de menstruatie wordt een deel van het endometrium dus afgestoten en hierdoor is het
endometrium in de proliferatieve fase vrij kaal (alleen stratum basale). Onder invloed van
oestrogeen uit de groeiende follikel ontstaat re-eptithelialisatie en wordt het oppervlak opnieuw
bekleed. Klieren, stroma en spiraalarteriën groeien in de proliferatie fase (dag 6-14). Na de
ovulatie krijg je de secretiefase→ corpus luteum produceert progesteron ter voorbereiding op
implantatie. Hierdoor worden de klieren groter (vullen met secreet), zwelt het stroma op en
bereiken spiraalarteriën het oppervlak en gaan kronkelen. In de menstruele fase is treedt bij
,geen zwangerschap de verdwijning van het corpus leteum op, waardoor de progesteron daalt en
de spiraalarteriën contraheren = ischemie = afstoting van stratum functionale = menstruatie.
• Proliferatiefase = hyperplasie = celdeling = meer cellen
• Secretiefase = hypertrofie = grotere cellen (niet meer delen)
• Menstruatiefase = daling progesteron = afstoting baarmoederwand
Endometrium verandering na innesteling = decidualisatie, het wordt decidua. De stromacellen
worden grote voedselrijke cellen: lipide accumulatie, meer glycogeenopslag, meer
glycosaminoglycanen, toename van bloedvaten en meer vaatpermeabiliteit. Het is
ontstekingsachtig zonder infectie. In de eerste weken heeft het embryo nog geen goed
ontwikkelde placenta en dus fungeert de decidua als een soort voorraadkast. Inductie wordt
opgewekt door trofoblastcellen → HCG, cytokinen en prostaglandinen.
Een blastocyst bestaat uit een embryoblast (binnenste celmassa) dat het embryo wordt en de
trofoblast (buitenste celmassa) dat de placenta wordt. Ook
heeft het een blastocystholte die met vocht gevuld is.
Hechten aan endometrium:
Trofoblast differentieert naar; dag 6-7
• Cytotrofoblast; binnenlaag
• Syncytiotrofoblast = dringt actief het endometrium binnen
Dag 7-8; blastocyst dringt verder naar binnen en de embryoblast splitst
waardoor epiblast en hypoblast ontstaan = de bilaminaire kiemschijf. De
epiblast = hieruit onstaan vruchtwater en het eigenlijk embryo. Hypoblast
groeit uit tot de dooierzak, die belangrijk is voor de eerste bloedtoevoer en
uitwisseling van voedingsstoffen. Op dag 8 ontstaat boven de epiblast de
amnionholte → wordt later vruchtwaterholte. Op dag 9 zit de blastocyst
vrijwel volledig in het endometrium en wordt de opening afgesloten met een
fibrine plug. Er ontstaan ook lacunae in de syncytiotrofoblast (holtes) waar
later moederlijk bloed in terechtkomt (12 weken). De syncytiotrofoblast breekt
maternale capillairen en klieren open en daardoor ontstaan verbindingen met
maternale sinusoïden en begint de eerste uitwisseling. Hypoblastcellen
bekleden de binnenkant van de blastocyst en daardoor ontstaat de primaire
dooierzak via het heuser membraan.
Navelstreng en holteontwikkeling:
Door groei van het amnion wordt hij steeds groter en daardoor worden de body stalk, de
allantois en de dooierzaksteel samen ingesloten en
versmelten uiteindelijk tot de navelstreng. Hierin zitten 2
arteriae umbilicales die voeren zuurstofarm bloed naar de
placenta, 1 vena umbilicalis die voert zuurstofrijk bloed terug
naar de foetus.
Voldragen zwangerschap; 2 foetale vliezen
, • Amnion; binnenste laag direct rond de foetus, bevat vruchtwater
• Chorion; buitenste foetale membraan, vormt het foetale deel van de placenta
Vasculogenese
1. Dooierzak; eerste bloedvorming
2. Embryo zelf; eerste circulatie
3. Placenta; uitwisseling met moeder
Villi ontwikkeling; primaire villus = cytotrofoblast en syncytiotrofoblast (geen bindweefsel, geen
bloedvaten), secundaire villus = extra-embryonaal mesoderm groeit naar binnen, tertiare villus =
in mesoderm ontstaan foetale bloedvaten waardoor uitwisseling mogelijk is (dag 21). De ruimte
tussen de villi heet de intervillieuze ruimte en hier bevindt zich moederlijk bloed , maar tot 12
weken alleen moederlijk serum, transsudaat en deciduaal kliersecreet. Dus foetaal bloed
binnen de villi en maternaal bloed buiten de villi → ze mengen niet.
De placenta barrière is in het eerste trimester relatief dik, veel lagen. Later in zwangerschap
wordt de barrière dunner om diffusie efficiënter te maken en verdwijnt de cytotrofoblast
grotendeels. Mens heeft een haemochoriale placenta wat inhoudt dat maternaal bloed in direct
contact staat met het chorion = zuurstof hoeft maar weinig lagen te passeren.
• Diffusie; O2 , CO2 , ureum, bilirubine, Na+, K+ en vetzuren
• Actief; aminozuren, calcium en vitamines → IgG = immuniteit
De circulatie; maternale bloed wordt ongeveer 3-4 keer per minuut ververst = placenta goed
doorbloed. Bloed stroomt langzaam de placenta binnen, voor betere diffusie en minder
beschadiging van de villi = bloeddruk neemt steeds meer af (laag-druk systeem). Bij pre-
eclampsie invaderen de trofoblasten de spiraalarteriën onvoldoende waardoor de arteriën smal
blijven en de weerstand hoog is → minder doorbloeding van de placenta
Endocriene functies;
• HCG; stimulatie placentaire progesteronproductie (corpus luteum in stand houden)
• HPL; stimulatie melkklieren, beïnvloedt maternale stofwisseling en zorgt dat er meer
glucose beschikbaar komt voor de foetus → energievoorziening van de foetus reguleren
door de insulinegevoeligheid van de moeder te veranderen
• Progesteron; voorkomt weeën ( myometrium relaxatie ) en zorgt voor lokale
immuunsuppressie (vaderlijk DNA)
• Oestrogeen; verhoogde uteriene doorbloeding, groei van uterus en betrokken bij initiatie
van de baring