Nora Lemmens, 1466542
Inhoudsopgave
Hoorcolleges.......................................................................................................................... 1
HC01 Hechtmaterialen en hechtmethoden........................................................................ 1
HC02 Buikanatomie........................................................................................................... 8
HC03 Injectietechnieken...................................................................................................11
Werkcolleges........................................................................................................................ 13
WC01 Wondbehandeling................................................................................................. 13
WC02 Buikanatomie.........................................................................................................24
WC03 Buikchirurgie..........................................................................................................33
Practica................................................................................................................................. 39
PR01 Basale chirurgische technieken I............................................................................39
PR02 Basale chirurgische technieken II...........................................................................42
PR03 Aseptiek..................................................................................................................43
PR04 Injectiematerialen................................................................................................... 46
,Hoorcolleges
HC01 Hechtmaterialen en hechtmethoden
- Hechtnaalden worden beschreven:
● doorsnede van de naald
● buiging van de naald
● verbinding van de naald
- Doorsnede → vorm van de naald, vorm van het gat dat
wordt gemaakt, zoals (op volgorde van afbeelding):
● round, cutting, reverse cutting en spatula
- De snijdende (cutting) naald heeft een ‘snede’ naar boven
gericht en snijdt daardoor makkelijker door weefsel.
- De reverse snijdende naald heeft juist ‘snedes’ parallel aan
de huid (en dus loodrecht op de hechting) loopt en scheurt
dus minder snel door.
- Buiging → mate van kromming in een naald,
onderverdeeld in:
● 2/8 gebogen
● 3/8 gebogen
● 4/8 gebogen
● 5/8 gebogen
● (schaatsnaald, rechte naald)
- Verbinding → manier waarop de naald met de draad is verbonden, verdeeld in:
● atraumatische verbinding → naald met een gat in het uiteinde waarin de
draad gestopt wordt en vast wordt gehouden door dit aan te knijpen
○ minder trauma doordat er geen dubbelgeslagen draad door gaat
● losse naald → naald met een oog, waardoor de naald gevoerd wordt
○ verend oog → oog is open aan de bovenkant zodat de draad er
doorheen getrokken kan worden, het oog in
- Keuze van hechtmateriaal is afhankelijk van:
● treksterkte
● (ongewenste) weefselreactie
● plaats voor vestigen van infectie
● hanteringseigenschappen
● chemische eigenschappen
○ niet resorbeerbaar (onoplosbaar)
○ resorbeerbaar (oplosbaar
● structuur
○ multifilament (gevlochten)
○ monofilament (eenkernig)
- Natuurlijke hechtmaterialen:
resorbeerbaar niet resorbeerbaar
monofilament staaldraad
multifilament catgut (schapendarm) staaldraad, zijde
1
,- Synthetische hechtmaterialen:
resorbeerbaar niet resorbeerbaar
monofilament polyglecaprone polyamide (Nylon)
(Monocryl) polypropylene (Prolene)
polydioxanone (PDS)
polyglycolate (Maxon)
multifilament polyglycolzuur (Dexon) polyamide (Nylon)
polyglactin 910 (Vicryl) polyester (Dacron,
Mersilene)
- Metric maat → diameter van de draad in tiende mm
● 0,7 metric wordt gebruikt voor de cornea, 2 metric voor darm en grotere
maten voor spierlagen
- USP → hybride maat tussen dikte en treksterkte
● een ander hechtmateriaal met dezelfde USP hoeft niet even dik te zijn
● 0 USP (midden) wordt gebruikt voor spierlagen, 6-0 USP voor de cornea en 6
USP voor spierlagen
- Over treksterkte:
● niet resorbeerbaar materiaal is sterk en blijft dat
● niet resorbeerbaar materiaal is geschikt voor:
○ huid
○ waar zeer lang treksterkte nodig is
● er is verschil in snelheid van resorbeerbaarheid
● resorbeerbaarheid wordt uitgedrukt in tijd tot 50% treksterkte
○ vicryl rapide → 5 dagen
○ monocryl → 1 week
○ vicryl → 3 weken
○ PDS → 6 weken
- Geïnfecteerd niet resorbeerbaar materiaal moet verwijderd worden (is niet makkelijk!)
- Inert → hechtmateriaal heeft géén interactie met het weefsel, geen reactie
● o.a. staal (schroeven, titanium nietjes, draad)
● polypropyleen reactie < polyamide reactie
● catgut heeft veel weefselreactie (ontsteking)
- Catgut → cattlegut, draad van de submucosa van schapendarm, mag humaan niet
meer gebruikt worden vanwege prionen (BSE) en veterinair zelden gebruikt.
● zeer grote kans op weefselreactie en infectie
- Vestigen van een infectie:
● gevlochten → grote kans op infectie, antibiotica en afweer dringen niet goed
door, infectie eindigt pas bij oplossen of verwijderen van draad
● monofilament → geen bacteriën in de draad, alleen op
- Hanteringseigenschappen (minst belangrijk):
● gevlochten draad → makkelijker, minder springerig, makkelijker knopen
● monofilament → in dunne maten goed genoeg hanteerbaar
○ >2 USP (5 metric) wordt eigenlijk niet gebruikt
- Je kiest voor monofilament als:
● de hechting tot in de buitenwereld loopt
● de wond al gecontamineerd is bij hechten (trauma, fistels, etc.)
2
, - Je kiest voor niet resorbeerbaar materiaal als:
● materiaal ‘eindeloos’ sterk moet blijven
● de huid gehecht wordt (moet wel op tijd verwijderd worden)
- Je kiest voor resorbeerbaar materiaal als:
● je diepere lagen hecht
● de wond snel genoeg weer sterk is
● huidhechtingen niet meer naderhand verwijderbaar zijn (leeuw)
- Doorlopende hechting → één lange naad over grotere lengte, met één knoop
● sneller met minder hechtmateriaal
● verdeelt druk beter (iedere steek zit even strak)
● bij breken van één stuk ligt gelijk de hele hechting los
- Onderbroken hechting → meerdere hechtingen met allemaal apart één knoop
● bij traumatische wonden zonder bloedvoorziening (moet wss. toch los)
● bij verwachting tot aflopen van wondvocht (enkele hechtingen verwijderen)
● bij precieze appositie (hoekpunten)
- Methoden om de huid te sluiten:
● subdermaal (intracutaan) → verborgen hechting met oplosbare draad,
gouden standaard bij paard en GD, geeft nette littekens
● onderbroken hechtingen
● nietjes → vooral waar snelle sluiting van belang is (o.a. in de OK)
● feston → doorlopende hechting
- Barbed suture → hechtdraad met weerhaakjes waardoor er géén knoop gelegd
hoeft te worden.
- Voorbeeldcasus: traumatische winkelhaak wond op
metatarsus van een paard.
● gehecht met monofilament
● onderbroken én doorlopend gehecht
● dik hechtmateriaal vanwege spanning
- Voorbeeldcasus: Ruin met een zaadstrengfistel na castratie
(open wond). Wat vragen we na bij de arts die de castratie heeft
uitgevoerd?
● Wat voor hechtmateriaal is er gebruikt? (oplosbaar of
onoplosbaar, of catgut)
- Voorbeeldcasus: Recidief navelbreuk die alleen met een
net (alloplastiek) gesloten kan worden. Van welk materiaal
is dit bij voorkeur gemaakt?
● onoplosbaar monofilament
3