Nora Lemmens, 1466542
Inhoudsopgave
Hoorcolleges.......................................................................................................................... 0
HC01 Introductie................................................................................................................ 0
HC02 / HC03 Nierfunctie I & II........................................................................................... 2
HC04 Regulatie van waterbalans.......................................................................................5
HC05 PU/PD...................................................................................................................... 7
HC06 Reactiepatronen NU I; macroscopie & glomerulopathieën...................................... 9
HC07 Volumeregulatie en oedeemvorming......................................................................17
HC08 Probleemgerichte aanpak dysurie..........................................................................21
HC09 Mictiereflex & probleemgerichte aanpak incontinentie...........................................23
HC10 Zuur-base homeostase.......................................................................................... 25
HC11 Kalium homeostase................................................................................................30
HC12 Nierfalen vs nierziekten..........................................................................................32
HC13 Nierfalen; de probleemgerichte aanpak................................................................. 34
E-modules, MTE’s en zelfstudies........................................................................................36
E-module ‘Histology; the urinary system’......................................................................... 36
Zelfstudie WC01...............................................................................................................42
Zelfstudie ‘Farmacotherapie bij oedeemvorming’.............................................................44
Zelfstudie ‘Farmacologische beïnvloeding urinewegen’...................................................51
Werkcollegeopdracht...........................................................................................................53
Ziekteleer.............................................................................................................................. 55
Renale disfunctie..............................................................................................................55
Nieraandoeningen............................................................................................................ 60
Disfunctie van de ureter, blaas en urethra........................................................................69
Aandoeningen van de urinewegen...................................................................................71
* Rechten van de afbeeldingen in dit document behoren aan de respectievelijke eigenaar.
,Hoorcolleges
HC01 Introductie
- Functie van de nieren:
● excretie
○ metabolieten, medicatie en toxinen
● homeostase
○ volume, osmolariteit, elektrolyten en bloed pH
● endocrien
○ erytrhopoëtine, renine (RAAS), prostaglandine en calcitriol (vit. D)
- Nieren ontstaan uit intermediair mesoderm in drie stappen:
1. pronefros → craniale buisstructuur, nooit functionele structuur in zoogdieren,
wordt afgebroken.
2. mesonefros → middelste buisstructuur excretiefunctie, wel functioneel in
zoogdieren, maar wordt afgebroken.
3. metanefros → definitieve functionele nier.
- Vissen en reptielen hebben voornamelijk mesonefros en geen metanefros.
- Ductus mesonefricus → oernierbuis, gaat richting de urogenitale sinus:
● wordt bij mannelijke dieren de zaadleider
● vormt de ureterknop richting de metanefros
- Op het moment dat de ductus mesonefricus aankomt bij de metanefros krijgt het een
signaal om het zich te gaan vertakken, waarop vervolgens:
● worden verzamelbuis, nierbekken en nierkelk gevormd door de ureterknop
● worden de proximale tubulus, distale tubulus en lus van Henle (nefron)
gevormd uit metanefrogene blasteem.
- Relatieve migratie → het metanefros ontstaat caudaal, maar doordat het embryo
gaat groeien komen de nieren steeds meer craniaal te liggen.
- Secundaire fusie → fusie van buiten naar binnen waarbij de (embryonale)
nierlobben aan elkaar groeien, zorgt voor diersoort verschillen, o.a. :
● multipapillair → meerdere papillen en nierkelken (o.a. rund, mens)
● unipapillair → één gefuseerde papil (o.a. paard, rat)
- Crista renalis → gefuseerde papillen bij een unipapillaire nier.
- Gelobd → nier met meerde lobben, zonder fusie.
- Glad → nier zonder lobben, met complete fusie.
- Gelobde multipapillaire nieren hebben geen (echt) nierbekken.
1
,- De nieren liggen dorsaal en retroperitoneaal met de rechter nier meer naar craniaal.
- Retroperitoneaal → aan een zijde omgeven door peritoneum
- Nefron → functionele eenheid van de nier, in aantal diersoortafhankelijk
● kunnen (bij zoogdieren) niet worden herstelt na schade
- Een nefron bestaat uit:
● nierlichaampje → glomerulus en kapsel van Bowman
● proximale tubulus
● lis van Henle
● distale tubulus
- Cortex → schors, buitenzijde van de nier met de nierlichaampjes.
- Medulla → merg, binnenzijde van de nier met de lis van Henle en afvoerbuizen
- Er zijn twee type nefronen:
● juxtamedullaire nefron → nefron meer in de medulla, langere lis van Henle
● corticale nefron → nefron meer in de cortex, kleinere lis van Henle
- De proximale tubulus:
● heeft microvilli, die dienen voor oppervlakte vergroting
om zo nutriënten op te kunnen nemen.
● is verantwoordelijk voor >60% van de reabsorptie van
water (en opgeloste stoffen)
- Iso-osmotisch → eerst filtratie van opgeloste stoffen,
waardoor water vervolgens mee wordt getrokken.
- Antidiuretisch hormoon (ADH) → vasopressine, bindt aan
zijn receptor op cellen van een verzamelbuisje worden er
aquaporines ingebouwd, waardoor water kan worden
opgenomen.
- Bloedvoorziening gaat via:
aorta abdominalis → a. renalis → interlobaire arterie →
boogarterie (op de overgang schors-merg) → interlobulaire
arterie → afferente arteriole → glomerulus → en dan…
● efferente arteriole → peritubulaire capillaire
● efferente arteriole → vasa recta
→ v. renalis → v. cava caudalis
- Bij de kat zijn de vaten van de nier zichtbaar in het kapsel. Dit is fysiologisch.
- Ontwikkeling van de blaas:
● op de verbinding met de allantois ontstaat de urineblaas
● de ureter sluit aan op de urineblaas
● ductus mesonefricus wordt ductus deferens bij de mens en migreert naar
caudaal en sluit daar aan op de urethra
- Nieren van vogels:
● het stikstof-eindproduct bij vogels is urinezuur (ureum bij zoogdieren)
● zowel reptiel-type nefron als zoogdier-type
● renaal poortader systeem → bloed uit het caudale deel van de lichaam
(poten, staart etc.) gaat via een vene naar het capillaire netwerk in de nieren,
maar alleen als de renale kleppen open staan (anders naar de vena cava)
2
, HC02 / HC03 Nierfunctie I & II
- Excretie bestaat uit:
● filtratie
● reabsorptie
● secretie.
- Peritubulaire capillairen → capillairen rondom de
proximale en distale tubuli
- Excretie → uitscheiding via de urine
- Secretie → transport van stoffen van het bloed naar de
urine.
- Bloedvoorziening:
● filtratie
○ afferente arteriole
○ glomerulus
○ efferente arteriole
● reabsorptie & secretie
○ peritubulaire capillairen
● concentrerend vermogen
○ vasa recta
- Per dag wordt er (bij de mens) gemiddeld 180 L voorurine per dag geproduceerd. De
gemiddelde urineproductie is 1,5 L. Dit is minder dan 1% van de alle voorurine.
- Filtratie kengetallen:
● Renale plasma flow (RPF) → hoeveelheid plasma die door de nieren gaat
● Glomerulaire filtratiesnelheid (GFR) → gefilterde deel van het plasma
● Filtratie fractie → GFR / RPF
- De GFR hangt af van:
● oppervlakte
● permeabiliteit
● Starling krachten (hydrostatische druk (P) & colloïd osmotische druk (π))
- In rust is de doorbloeding van de nier (bij de mens) gelijk aan ca. 22% van de cardiac
output, tot zo’n 1,1 L per minuut.
- Ca. 20% van het plasmavolume dat door de glomerulus gaat wordt gefilterd.
- Voor productie van 1 L urine is bij de hond tot wel 200 L bloed nodig
- Para-amino-hippuurzuur (PAH) → stof die gefiltreerd wordt en daarna ook volledig
gesecreteerd wordt, zonder reabsorptie, wordt gebruikt om de RPF te meten.
- Renale klaring / clearance → hoeveelheid plasma (ml) die per tijdseenheid (min)
van een bepaalde stof kan worden ontdaan, maat voor de renale plasmaflow
● Cx = Vurine x [x]urine / [x]plasma in ml/min
- Urine output (Vurine・[x]urine) = arteriële input - veneuze output (= cx・[x]plasma)
- Vergelijking van de clearance van stof X en inuline geeft informatie over uitscheiding:
● Cx / Cinuline < 1 → stof x wordt gereabsorbeerd door de tubuluscellen
● Cx / Cinuline > 1 → stof x wordt extra uitgescheiden door de tubuluscellen
● Cx / Cinuline = 1 → stof x komt alleen door filtratie in de urine
3