Anamnese
In de zorg → de ziektegeschiedenis zoals de patiënt die zich herinnert. Het is een vraaggesprek
tussen hulpverlener en patiënt.
• Wordt om de 2 jaar herhaald → vraag naar medicatie en ingrepen
Belang = is er medische zorg vooraf nodig, complicatierisico, gevolg van onderliggende
medische aandoening, gevolg van medische behandeling, thk belangrijk voor algehele
gezondheid, slaagkans, risico op acute situaties!
Wetgeving = routine vragen over gezondheidstoestand bespreken met patiënt en zo nodig
overleg met arts
Schriftelijke anamnese heeft meer voordelen dan mondelinge anamnese afname maar er zijn
wel implicaties van de antwoorden
Beperkingen van patiënt = beperkte kennis, onder-/overschatting van aandoeningen, niet
gediagnosticeerde aandoening, taalbarrière, culturele verschillen
Bestaat uit 3 onderdelen: algemene anamnese, medische anamnese, tandheelkundige
anamnese.
1. Algemene anamnese = administratieve gegevens patiënt
2. Medische anamnese = vragen polsen naar hart- en vaataandoeningen, aandoeningen van
het ademhalingsstelsel, andere medische aspecten, medicatiegebruik, levensstijl
a. Daarna wordt ASA score bepaald door behandelaar
Lichamelijk onderzoek/ extra-oraal
Kijk goed naar de algemene conditie van een patiënt, de extra-orale kenmerken. Deze kunnen
verhouding hebben tot de mondgezondheid.
Huid
Haematomen = bloeduitstorting, ophoping van bloed buiten de bloedvaten door beschadiging
Dehydratatie = uitdroging, de huid is niet meer soepel dit zie je ook terug in de mond
Cyanose = medische aandoening waarbij huid, slijmvlies en soms nagels blauwe kleur krijgen
door zuurstof tekort in bloed, te weinig zuurstof zorgt voor slechte doorbloeding > evt
onderliggende diabetes
,Xanthomen = ophoping van vet/talg in de huid → te hoog cortisol
Xanthelesmata = gele vet/talg ophoping rondom de ogen → te hoog cortisol
Icterus = gele verkleuring/ geelzucht wijst op een leveraandoening, mensen met Afrikaanse
afkomst hebben bv vaker last van hepatitis A.
Extreme bleekheid = door tekort aan zuurstof, vaak mensen met een zwak immuunsysteem
Epicanthus plooi = huidplooi van bovenste ooglid die de binnenste ooghoek bedekt
Hyperthyroïdie = ogen staan ver open, verschrikte uitstraling door te snel werkende schildklier
Arcus senilis = witgrijze ring aan buitenrand van hoornvlies van oog door afzetting van vetten
(lipiden) voornamelijk door te hoog cholesterol
Kaposi sarcomen = zeldzame vorm van kanker die ontstaat in de bekleding van bloed- en
lymfevaten
Bij oren letten op bij-oortje en jicht, en andere afwijkingen zoals acromegalie (groot oor). En bij
de hals letten op asymmetrie, en bijvoorbeeld zwellingen van schildklier (struma) en
lymfeklieren.
Tijdens keel onderzoek kijk je naar kleur, exsudaat (vloeistof), halitose, angina (kramp),
tonsillitis (ontstoken amandelen), geneesmiddelen, lever- en nieraandoeningen, roken,
tandsteen, paro, debris achterste deel tong (hard op tong)
Ademhaling = frequentie van een volwassene is +/- 12/minuut, bij hyperventilatie is dit hoger.
Je let op het ritme en pauzes tussen spreken, verder op de hulpademhalingsspieren in de hals en
schouders, en op bijvoorbeeld piepen wat afkomstig is van astma
Hartslag = kan je meten bij Arteria radialis (pols) en arteria carotis (hals), de frequentie is
gemiddeld 60-80 slagen/min in rust.
• Vertraagd = vasovagale collaps
• Verhoogd = anafylactische reactie
Onregelmatigheid kan wijzen op hartritmestoornissen en afwezigheid op een circulatiestilstand.
Verschillen in bloeddruk zijn: hypotensie (laag), hypertensie (hoog), normotensie (normaal)
, Farmacologie
Geneesmiddel = stof die wordt toegepast om ziekten of de gevolgen ervan tegen te werken en
genezing te bevorderen of te bewerkstelligen.
Causale therapie = wegnemen van de oorzaak
Symptomatische therapie = bestrijden van symptomen
Substitutietherapie = aanvullen van een tekort van lichaamseigen stoffen omdat ze te
weinig worden aangemaakt.
Diagnostiek = hulpmiddel om ziekte/gebrek vast te stellen
Farmacologie → bestudeert de inwerking van geneesmiddelen op het lichaam
Twee takken zijn medische farmacologie en toxicologie
Bestaat uit fases, je hebt de preklinische fase en de klinische fase die bestaat uit: 1. testen op
gezonde vrijwilligers, 2. kleine groepen patiënten, 3. Grote groep patiënten, 4. Surveillance na op
de markt brengen.
Pharmacogenomics = studie van hoe je DNA de reactie van je lichaam op medicijnen
beïnvloedt, met als doel om gepersonaliseerde medicatie op maat te bieden. Door je genetische
profiel te analyseren, kunnen artsen bepalen welk medicijn het meest effectief en veilig is voor
jou, en de juiste dosering bepalen, wat leidt tot betere gezondheidsresultaten. er medicament
verstaan
BCFI = Belgisch centrum voor farmacotherapeutische informatie
Farmacokinetiek = wat doet het lichaam met een geneesmiddel (focus op geneesmiddel)
Farmacodynamiek = wat doet het geneesmiddel met het lichaam (focus op lichaam)
, Farmacokinetiek
= wetenschap die zich bezig houdt met het effect van lichaam op geneesmiddelen.
Wat doet het lichaam met een geneesmiddel
ADME:
• Absorptie = hoe geneesmiddelen in de bloedbaan komen. Toedieningsweg heeft invloed op
biologische beschikbaarheid
Enteraal = toediening via maag darm kanaal
Parenteraal = toediening niet via maag darm kanaal, maar direct in lichaam
• Distributie = verwijst naar hoe geneesmiddelen in het lichaam worden verspreid. Mate van
verdeling van geneesmiddel hangt af van fysische en chemische eigenschappen. Binding
met plasma-eiwitten en doorbloeding speelt belangrijke rol.
manier van verpakken van medicatie zorgt ervoor of iets moeilijk of makkelijk op de plaats ter
bestemming raakt
• Metabolisme = meeste geneesmiddelen zijn chemisch actief en worden in het lichaam
gemetaboliseerd (stofwisseling).
First-pass effect in de lever → als je iets inneemt wat zich aan de buitenkant van lichaam
bevindt. (ook maag/darm stelsel). als er iets opgenomen wordt komt dit in MD stelsel en
word hier opgenomen maar product wat hierin gestopt is moet bestand zijn tegen zuur van
maag en basische omgeving van darmen. dit is vaak een product dat je niet wil laten
beïnvloeden door de omgeving. metabolisme van onze lever zet dit om in een werkzaam
bestanddeel
Metabolisme zorgt ervoor dat iets wordt geneutraliseerd/ verwijderd > kan langs stoelgang en
urine. Metaboliet in bloedbaan > urine.