Waarnemen en observeren
1. Het didactisch model LO-BR
Om het didactisch handelen beter te begrijpen, moet je het didactisch proces analyseren. Bij het
observeren van leerprocessen zie je telkens dezelfde belangrijke aspecten terugkomen. Deze
aspecten en hun verbanden kan je overzichtelijk voorstellen in een schema= een didactisch model.
Zo’n model helpt bij het voorbereiden, geven en evalueren van lessen en biedt ook een algemeen
kader om over didactiek na te denken.
o Sporters = ontwikkelingspsychologie sem 1 &
leerpsychologie sem 2
o Leerdoelen = leerdoelen selecteren en formuleren
ET - LPD - lesdoelen – lesfasedoelen (les 2)
o Oefenstof = ABV’s & SBV’s leerlijnen!
o Krachtige setting = didactisch handelen
+ FA, LG, ADP’en
o Sportlesgever = er staan als leraar (preventief
klasmanagement, structuur, algemene afspraken
in de lessen, duidelijk en concreet zijn, etc);
Pedagogisch veilig sportklimaat
o Omgeving = materiaal, organisatievorm,
opstellingsvormen, veiligheid
o Gele ster
= zelfevaluatie en reflectie + breed evalueren (spiegel)
= voortdurende reflectie en bijsturing = zelfreflectie bijwerken
= breed evalueren van de student
Didactische sleutelvragen:
o In welke situatie begin ik? -> sporters, lesgever, omgeving
- Aan wie geef ik les?
- Welke kwaliteiten en vaardigheden heb ik als lesgever?
- In welke klas/groep en school/sportorganisatie werk ik?
- Met welke factoren moet ik rekening houden?
o Wat wil ik bereiken? -> leerdoelen
- Wat moet er volgens de maatschappij bereikt worden= onderwijsdoelen (eindtermen,
ontwikkelingsdoelen)
- Wat moet er volgende de school bereikt worden= leerplandoelen
- Wat moet er volgend de leerkracht bereikt worden= lesdoelen
- Hoe wordt er stapsgewijze opgebouwd naar de lesdoelen? Welke technische
aandachtspunten worden er deze les benadrukt? Deze verwachtingen worden vertaald in
lesfasedoelen.
1
, o Wat doe ik om mijn doelstellingen te bereiken? -> oefenstof, setting, omgeving, lesgever
- Welke oefenstof kies en hoe bouw ik die op?
- Welke organisatievorm gebruik ik?
- Hoe geef ik instructie, demo, feedback en foutenanalyse?
- Welk materiaal gebruik ik?
- Hoe regel ik klasmanagement en gedrag?
-
o Met welk resultaat heb ik mijn lessen/activiteiten gegeven? -> evaluatie, reflectie (gele ster)
- Zijn de doelen bereikt en in welke mate?
- Waren de doelen goed gekozen?
- Wat ging goed en wat kan beter?
- Was de organisatie efficiënt?
- Hoe remediëren en evalueren we?
- Hoe rapporteren we de resultaten?
Sportlesgever:
o Bekwaamheid
o Lesgeverstijl- en interactiestijl
o Persoonlijkheid
o Engagement
Sporters:
o Leerdoelen verworven? Voorkennis? Vaardigheden?
o Begaafdheid? Niveau? Leertempo?
o Behoeften? Interesses? Motivatie?
o Socio-economisch culturele achtergrond?
o Taalbeheersing?
o Groepsstructuur? Klasklimaat?
Omgeving:
o Praktisch organisatorische aspecten: grootte van de
sportaccommodatie, ligging in gebouw / op het terrein, buitenaccommodatie…
o Materiële accommodatie en uitrusting?
o Omgeving van de school/club? Stad? Dorp?
o Invloed van dag, week, seizoen, speciale activiteiten….
o Welk net? Welk leerplan?
o Welk schoolreglement?
o Welke (bestuurlijke) organisatie?
Definitie beginsituatie = Een geheel van persoonlijke, schoolse en
situationele gegevens die het opzetten en uitvoeren van
onderwijsprocessen om leerdoelen te bereiken, kunnen beïnvloeden.
Pedagagische beginsituatie
o Hoe kan je de algemene groeps(sfeer) omschrijven?
o Waar is welke leerling sociaal-emotioneel sterk in?
2
, o Zijn er leerlingen met bepaalde noden in deze situatie (vb. socio-emotioneel, medisch,
kansarmoede…)?
o Hoe is de relatie tussen de leerlingen onderling? En met de leerkracht?
o Zijn er actuele gebeurtenissen van tel?
Didactische beginsituatie
o Hoe doen de leerlingen het op lange termijn voor dit lesonderwerp?
o Wat is er belangrijk voor deze specifieke les of lessenreeks?
o Beheersen de leerlingen de basisoefenstof uit de vorige les?
o Kunnen de leerlingen complexere oefeningen aan?
o Naar welke begrippen kan je al verwijzen, welke begrippen moet je zelf aanbrengen?
Tips:
Algemene methodieken om de beginsituatie in te schatten – wat kan je doen?
o Observatie van de leerlingen binnen en buiten de lessen a.d.h.v. observatievragen of een checklist
(zie observatie-opdrachten stage)
o Analyse van voorgaande lessen, gebruikt lesmateriaal.
o Analyse van testen / resultaten.
o Studie van het leerplan van de voorgaande en de huidige les(senreeks)
o Interview met de LLN
o Gesprek met de LK’en (klasleerkracht, LO-leerkracht, …)
enkel relevante beïnvloedingsfactoren in kaart brengen voor de betreffende les!
2. Waarnemen en observeren
Regels correcte observatie:
o Doelgericht & systematisch= vooraf bepalen wat er
geobserveerd moet wordenn
Observatievraag formuleren -> wie- wat -waar-
wanneer? + checklist
o Nauwkeurig = exact aangeven wat er precies gebeurt
en hoe vaak een bepaald gedrag zich voordoet
Vermijd nietszeggende woorden, bv jelle lijkt
motorisch minder goed -> jelle trapt naast bal
Vermijd vage woorden, bv jelle is altijd als
eerste uit bij een tikspel -> jelle was vorige les
en deze les als eerste uit bij het kriskraktikspel
o Objectief = loskoppelen van persoonsgebonden houdingen, visies en emoties
Enkel feiten/ gegevens weergeven, geen interpretatie (subjectief)!
3
, Probleem van beïnvloeding:
Als observator heb je steeds een invloed op het gedrag van de geobserveerden.
Hoe kan je deze beïnvloeding zoveel mogelijk vermijden?
o Achteraan/ verborgen plaats nemen
o Jezelf vooraf (laten) voorstellen
o Zelf zo weinig mogelijk aandacht trekken!
o Een (verborgen) cameragebruiken
Voorbeeld van een checklist -> vooraf opstellen
Checklist ‘Werken in posten– observatie van leerkrachtengedrag’:
Heldere regels en afspraken over gedrag
De leerkracht geeft haar verwachtingen aan wat betreft:
het binnenkomen en verlaten van de zaal
het wisselen van de ene post naar de andere post
hulp vragen aan de leerkracht en de begeleiding tijdens het postenwerk
wat te doen als opdracht klaar is
Materiaal en ruimte, inrichting van het lokaal
De materialen en hulpmiddelen liggen klaar
Het materiaal is goed bereikbaar, kinderen weten het te vinden
De looproutes zijn goed georganiseerd; veel belopen delen blijven vrij
De ruimte in de zaal wordt maximaal benut
De leerkracht stelt zich centraal op voor demo / instructie
De leerkracht kan de verschillende activiteiten goed overzien tijdens de oefenmomenten; hij
kan alle leerlingen zien
Voorbeeld van observatieschema – fietsen
Criteria Lln A Lln B Lln C
De lln stapt met zijn/ haar fiets aan de hand Ja-neen Ja-neen Ja-neen
De lln stapt op signaal op zijn/haar fiets en vertrekt Ja-neen Ja-neen Ja-neen
onmiddellijk
De lln rijdt recht door een smalle strook Ja-neen Ja-neen Ja-neen
De lln fiets zonder vallen in slalom Ja-neen Ja-neen Ja-neen
De lln stopt gecontroleerd op signaal en stapt van Ja-neen Ja-neen Ja-neen
zijn/haar fiets
Probleem van de beïnvloeding:
o Als observator heb je steeds een invloed op het gedrag van de geobserveerden.
o Hoe kan je deze beïnvloeding zoveel mogelijk vermijden?
- Achteraan / verborgen plaats nemen
- Jezelf vooraf (laten) voorstellen
4