= hoe het menselijk lichaam werkt
Lichaam = verbazingwekkende machine
- Talloze perfect gecoördineerde gebeurtenissen
- Complexe functies, zoals horen, zien, ademhalen zonder bewustzijn
- Trainen leidt tot aanpassingen om beter te presteren
Inspanningsfysiologie= studie naar hoe het lichaam zich fysiologisch aanpast tijdens inspanning.
1. Moleculen
1.1 Atomen en chemische bindingen
1.1.1 Atomen
Atomen zijn de bouwstenen van alles. Ze zijn zo klein dat je ze niet apart kan zien, zelfs niet met
sterke microscopen.
Een atoom bestaat uit:
o Protonen (positief geladen)
o Neutronen (geen lading)
o Elektronen (negatief geladen)
Protonen en neutronen zitten samen in de kern. Elektronen bewegen in een soort wolk of schillen rond
de kern.
Valentie elektron= elektron op de buitenste schil
In een atoom zijn er evenveel protonen als elektronen.
, De elektronen zitten in schillen:
o De eerste schil kan maximaal 2 elektronen bevatten.
o De volgende schillen kunnen maximaal 8
elektronen bevatten.
o De elektronen in de buitenste schil noem je valentie-
elektronen.
Het atoomnummer wordt bepaald door het aantal protonen in de kern.
Voorbeelden:
o Waterstof (H) → 1 proton → atoomnummer 1
o Koolstof (C) → 6 protonen
o Stikstof (N) → 7 protonen
o Zuurstof (O) → 8 protonen, 8 neutronen, 8 elektronen →
atoomnummer 8
Het menselijk lichaam bestaat vooral uit H, C, O en N. -> vormen samen onmisbare moleculen voor
ons lichaam.
Andere belangrijke maar minder voorkomende atomen zijn: calcium (Ca), magnesium (Mg), natrium
(Na), kalium (K) en fosfor (P). Ze zijn toch noodzakelijk voor een goede werking van het lichaam.
1.1.2 Chemische bindingen
Is de aantrekkende kracht tussen 2 of meer atomen waardoor
een chemische verbinding of molecule ontstaat
Stabiliteit door een volledig gevulde buitenste schil, een
edelgasconfiguratie (stabiele elektronenconfiguratie met 8
valentie elektronen)
Atomen vormen samen belangrijke moleculen in ons lichaam:
water, eiwitten, koolhydraten, vetten en energierijke fosfaten.
Ze doen dit via chemische bindingen, meestal met hun valentie-elektronen. -> streven naar 8 valentie
elektronen.
Hoeveel bindingen een atoom kan maken, hangt af van hoeveel elektronen het nog nodig heeft om zijn
buitenste schil te vullen:
o Waterstof heeft 1 elektron nodig → maakt 1 binding
o Koolstof heeft 4 elektronen nodig → maakt 4 bindingen
Er zijn verschillende soorten bindingen:
,Covalente binding Hierbij delen atomen elektronen.
o Tussen gelijke atomen (zoals O₂) → elektronen worden gelijk
gedeeld → niet-polaire covalente binding (sterke binding).
Gemeenschappelijk elektron in midden evenredig verdeeld.
o Tussen verschillende atomen (h2o) → elektronen worden
meer naar één atoom getrokken (onevenwicht) → er ontstaat
een klein ladingsverschil → polaire covalente binding.
Covalente bindingen zijn belangrijk in levende organismen.
Apolair polair
Ionenbinding
Hierbij worden elektronen overgedragen, niet gedeeld.
o Het ene atoom verliest elektronen → wordt positief geladen
o Het andere atoom krijgt elektronen → wordt negatief geladen
Deze geladen atomen noem je ionen.
Ionenbindingen zijn zwakker dan polaire covalente bindingen en vallen makkelijker uiteen in water.
Waterstofbrug
Bij water trekt zuurstof sterker aan de elektronen dan waterstof, zwakke binding
Daardoor wordt:
o Zuurstof een beetje negatief
o Waterstof een beetje positief
Positieve en negatieve delen trekken elkaar aan.
Deze aantrekkingskracht tussen watermoleculen noem je een waterstofbrug.
Waterstofbruggen zorgen ervoor dat water een hoger kookpunt heeft dan je zou
verwachten.
, 1.2 Water
1.2.1 Bouw
Water is het meest voorkomende molecuul in het lichaam.
De chemische formule is H₂O.
Dat betekent:
o 2 waterstofatomen (H)
o 1 zuurstofatoom (O)
Een molecuul is het kleinste deeltje dat nog echt water is.
Het zuurstofatoom vormt met beide waterstofatomen een polair covalente binding.
Zuurstof deelt telkens 1 elektron met waterstof. Zo ontstaat er tussen zuurstof en elk waterstofatoom
een gemeenschappelijk elektronenpaar.
1.2.2 Verdeling in het lichaam
Het lichaam bestaat grotendeels uit water:
o Man: ongeveer 60% water
o Vrouw: ongeveer 55% water
Vrouwen hebben gemiddeld meer vet (20–25%) dan
mannen (10–15%).
Vetweefsel bevat weinig water, daarom ligt het
percentage bij vrouwen lager.
Verdeling in compartimenten:
o Het lichaamswater is verdeeld in verschillende compartimenten (ruimtes) die gescheiden zijn
door membranen.
Door die membranen verschillen de concentraties opgeloste stoffen.
Er is wel uitwisseling mogelijk via passief en actief membraantransport.
Het lichaamsvocht wordt verdeeld in:
1. Intracellulair vocht
o Ongeveer 60% van het totale lichaamswater
o Bevindt zich in de cellen
o Grootste hoeveelheid water
2. Extracellulair vocht
Water buiten de cellen, onderverdeeld in:
➤ Interstitieel vocht
o Vocht rond de cellen
o Vormt samen het interstitium (milieu interieur)