Algemeen recht & basisbegrippen
• Objectief recht: geheel van regels die voor iedereen gelden
• Gedragsregel: voorschrift voor wat je moet/niet moet doen
• Afdwingbaarheid: mogelijkheid om naleving via de rechter af te dwingen
• Uitvaardigen: officieel bekendmaken of opstellen van een regel
• Sanctie: straf of maatregel bij overtreding
• Straf: maatregel als reactie op misdrijf
• Misdrijf: ernstig strafbaar feit
• Hulpregel: regel die slechts in bepaalde gevallen geldt
• Subjectief recht: individueel recht dat iemand kan inroepen
• Rechtszekerheid: voorspelbaarheid en stabiliteit van het recht
Rechtsbronnen
• Rechtsbron: oorsprong van een regel (bv. wet, gewoonte, jurisprudentie)
• Wet in ruime zin: alle wettelijke regels, ook uitvoeringsbesluiten
• Wet in enge zin: formele wetten goedgekeurd door parlement
• Gewoonte: vaste praktijk die als recht wordt aanvaard
• Algemene rechtsbeginselen: basisregels die alle wetten overstijgen
• Rechtspraak: uitspraken van rechtbanken/hoven
• Rechtsleer: meningen van juristen over rech
Publiek- en privaatrecht
• Publiekrecht: regels tussen overheid en burgers
• Privaatrecht: regels tussen burgers onderling
• Grondwettelijk recht: regelt grondrechten en organisatie van staat
• Administratief recht: regelt werking overheid en administratie
• Strafrecht: regelt misdrijven en straffen
• Fiscaal recht: belastingen en heffingen
• Gerechtelijk recht: regels voor rechtsgang
Specifieke privaatrechtstakken
• Burgerlijk recht: algemene regels voor personen en goederen
o Personenrecht: rechten van natuurlijke en rechtspersonen
o Familierecht: huwelijk, gezin, ouderschap
o Huwelijksvermogensrecht: goederen- en financiële afspraken bij huwelijk
o Overeenkomstenrecht: regels bij contracten
o Zakenrecht: eigendom en bezit van goederen
o Erfrecht: regels bij nalatenschap
• Arbeidsrecht: rechten en plichten bij werk
• Sociale zekerheidsrecht: uitkeringen en sociale bescherming
• Gemengde rechtstak: mengvormen van publiek en privaat recht
Materieel & formeel recht
• Materieel recht: inhoudelijke rechten en plichten
• Formeel recht: procedures om rechten af te dwingen
• Aanvullend recht: regel geldt alleen als partijen niets anders afspreken
• Dwingend recht van openbare orde: verplicht, kan niet worden genegeerd
• Dwingend recht dat niet van openbare orde is: verplicht, maar geen fundamenteel belang
• Absolute nietigheid: handeling is van nul en generlei waarde
• Relatieve nietigheid: handeling is ongeldig voor bepaalde partijen
Rechtsfeiten & handelingen
• Rechtsfeit: feit dat rechtgevolgen heeft
o Bloot feit: gebeurt vanzelf, zonder wil
o Rechtshandeling: met bedoeling rechtsgevolg te creëren
o Feitelijke handeling: gedrag zonder juridische bedoeling
• Rechtsgevolg: gevolg dat het recht eraan koppelt
• Verbintenis (= schuld): verplichting tot iets
• Vorderingsrecht (= schuldvordering): recht om prestatie te eisen
• Schuldenaar: persoon die iets moet geven/doen
, • Schuldeiser: persoon die iets mag ontvangen
• Beding / clausule: specifieke afspraak in een contract
• Contractbreuk / wanprestatie: niet nakomen van verplichtingen
• Delict: onrechtmatige daad die schade veroorzaakt
• Gedingen / rechtsgang: procedure voor rechtspraak
Gerecht & procedure
• Gerechtigde: persoon die recht kan inroepen
• Geschil / geschillenbeslechting: conflict oplossen via recht
• Magistratuur / magistraten: rechters
• Minnelijk: in onderling overleg zonder rechter
• Onrechtmatig / wederrechtelijk: in strijd met het recht
• Ontbinding: beëindigen van een overeenkomst
• Ontvankelijk: zaak kan behandeld worden door rechtbank
• Rechtsmiddel: manier om uitspraak aan te vechten
• Rechtsopvolger: persoon die rechten overneemt
• Te goeder trouw: eerlijk handelen
• Te kwader trouw: bedrieglijk handelen
• Vordering: eis tot nakoming van een recht
• Zoals een bonus pater familias: handelen zoals een goede huisvader
Belangrijke ( jurdische termen uit deel 2)
Algemene staatsvormen & basisbegrippen
• Staatsrecht: deel van het recht dat de organisatie en werking van de staat regelt
• Democratie: staatsvorm waarbij het volk de macht uitoefent
• Autocratie: één persoon heeft alle macht
• Oligarchie: macht ligt bij een kleine groep
• Representatieve democratie: volk kiest vertegenwoordigers die beslissingen nemen
• Parlementaire democratie: regering is afhankelijk van het vertrouwen van het parlement
• Particratie: politieke partijen hebben veel invloed op het beleid
• Rechtsstaat: overheid is gebonden aan de wet en mensenrechten
• Politiestaat: overheid heeft bijna onbeperkte macht, weinig rechten voor burgers
• Monarchie: staatshoofd is een koning(in)
Regering & parlement
• Regeerakkoord: afspraken tussen coalitiepartijen over het beleid
• Regeringsverklaring: toelichting van het regeerakkoord in het parlement
• Beleidsverklaring: uitleg van het beleid door een minister
• Coalitie: partijen die samen regeren
• Oppositie: partijen die niet regeren
• Begroting: overzicht van inkomsten en uitgaven van de staat
• Kernkabinet: beperkt overlegorgaan van belangrijkste ministers
Driemachtenleer
• Driemachtenleer: scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht
• Wetgevende Macht: maakt wetten
• Uitvoerende Macht: voert wetten uit
• Rechterlijke Macht: spreekt recht
• Administratief: uitvoerend, bestuurstaak van de overheid
Federalisme & bevoegdheden
• Federalisme: macht verdeeld tussen federale staat en deelstaten
• Gemeenschappen: bevoegd voor persoonsgebonden zaken (bv. onderwijs, cultuur)
• Gewesten: bevoegd voor grondgebonden zaken (bv. ruimtelijke ordening)
• Persoonsgebonden aangelegenheden: zaken verbonden aan personen
• Grondgebonden aangelegenheden: zaken verbonden aan grondgebied
• Residuaire bevoegdheden: bevoegdheden die niet expliciet zijn toegewezen
• Asymmetrie van het Belgisch federalisme: Vlaanderen is gefusioneerd, Wallonië niet
• Confederatie: samenwerking van bijna zelfstandige staten