Inleiding olod + hoofdstuk 1: wat is (ortho)(ped)agogie(k)
Richtinggevende kenmerken van het (ortho)(ped)agogisch handelen:
Richtinggevende kenmerken <--> definitie?
Vaktermen kunnen gooien op de juiste vraag
Brinkman – richtinggevende kenmerken:(niet allemaal kennen, voorbeelden
genoeg)
Psychosociale verandering
Psyché = alles wat je denkt, voelt en wilt
Sociaal = de verhouding tussen mensen
Samenvoeging = omdat psychisch en sociale niet van elkaar te
onderscheiden zijn
Beïnvloeden elkaar
Doelgericht
Verandering komt niet toevallig
-> is vooraf bedacht en gepland -> METHODISCH HANDELEN
= iets zo organiseren om het gewenste resultaat kan bereiken
= onbewust voor cliënt
Systematisch
Acties volgens een gepland en gestructureerd proces uitvoeren
Dingen kunnen nog wijzigen
Bewust (nadenken over alles, doordacht handelen!)
Gewenst door betrokkenen (verplichte hulpverlening bestaat eigenlijk
niet)
Cliënten gaan zich verzetten, vaak een lange periode van weerstand,
eerst een band opbouwen, loyaliteit
Niet wederzijds
Beroepsmatig (geen beste vriend worden van de cliënten, bij afscheid is
dit veel te moeilijk)
Waarde gebonden (wat vind jij van bepaalde visies)
,Je persoonlijke opvoedingsgeschiedenis:
Wortels
Jij verwacht iets van cliënten? Dan doe je het zelf ook goed, wat jij doet
kopieert de cliënt
Huidige bril – huidige maatschappelijke context
Deze situatie is niet mijn situatie, vanuit eigen leven
Betekenis die wij er ‘toen’ aan gegeven hebben
Voor iedereen anders – ook binnen gezin wat
Jij leuk vindt is niet voor iedereen hetzelfde (sinksefoor)
Herinneringen zijn veranderlijk
Patronen – willen, kunne, durven zien
Willen kijken naar wat er in mijn systeem zit willen bekijken, potjes niet
opendraaien maar wel over nadenken en durven voelen
Legaat – erfenis – verderzetten of verbeteren
Waarden en normen van thuis nadoen of net anders (mama-Wilfried
Ik heb iets graag is niet altijd hetzelfde bij cliënten.
Invloed op huidige manier van zijn:
Welke waarden en normen meegekregen?
Welke zijn jouw prioriteiten in je opvoedend handelen?
Wie was verantwoordelijk voor je opvoeding?
In welke sfeer werd je opgevoed?
Hoe gaan jullie thuis met elkaar om?
Welke concrete dagelijkse regeltjes waren er? Hoe werden die opgevolgd,
gecontroleerd, bestraft...?
Hoe werd er gefeest en met wie?
Wat weet jij over de pedagogische geschiedenis van je ouders,
grootouders... welke elementen komen terug in jouw opvoeding?
Is er een verband tussen je geschiedenis en het feit dat je nu voor deze
studie kiest?
...
Invloed referentiekader
‘Stevig verleden’ – ‘rooskleurig verleden’
, Meerwaarde nog belemmering
Stevig verleden is niet negatief om begeleider te worden, andersom ook
niet
Gezonde, kritische blik hebben over jezelf
Hanteren van je referentiekader
Gezonde kritische blik
Reflecteren
Kennis – vaardigheden – attituden!
Is geen voorwaarden voor een opvoedingsrelatie
Voorwaarden voor een opvoedingsrelatie:
2.1 Bij de opvoeder 2.2 Bij de zorgvrager
Zorgvrager aanvaarden als menselijk persoon (echt in contact willen gaan)
Gelijkwaardigheid -> Zorg op maat
Relatiebekwaamheid
Kansen scheppen voor zorgvrager
(Basis) vertrouwen
Betrokkenheid & beschikbaarheid
Relatiebekwaamheid
Kennis en vaardigheden
Bij de cliënt:
(Basis) vertrouwen!
Cliënten met hechtingsstoornissen hebben dit niet
Bij de opvoeder:
1. Echt in contact willen gaan
Gelijkwaardigheid – zorg op maat (
3. uitdagingen voorzien, faalervaringen laten ervaren
4. Begaan zijn met cliënten, geen medelijden – heldenrol, begeleider
blijven – geen vrienden (cliënt staat eerst, als het nodig is tijd maken om te
praten)