Wat is filosofie? Waarom filosofie?: les 1 (26/09/'25)
Wat is filosofie? Waarom Filosofie?
Filosofie is in eerste instantie het kritisch bevragen van de werkelijkheid:
Waarom zijn de dingen zoals ze zijn?
Of zijn ze niet zoals ze lijken?
Wat is rechtvaardigheid?
…
--> Niet enkel kritisch bevragen: de filosofie probeert theorieën te bedenken om
zulke vragen te beantwoorden of op zijn minst te verduidelijken.
--> Filosofen proberen ideeën en theorieën te ontwikkelen om de veelheid om ons
heen – de wereld, de werkelijkheid, de natuur en onszelf – te ordenen en
begrijpelijk te maken." (maar deze worden ook zelf in vraag gesteld)
Als we nadenken over onszelf en de wereld, moeten we ook stilstaan bij hoe we
onszelf begrijpen in relatie tot anderen en tot de wereld.
Het domein van de filosofie bestrijkt de gehele werkelijkheid.
De filosofie denkt na over:
De taal
Kunst
Politiek
Wetenschap
…
--> Al die domeinen worden door de filosofie op een kritische wijze benaderd.
(De filosofie is dus veelal een soort van meta-spreken over andere
wetenschapsdomeinen)
Conclusie = een filosoof stelt vooral veel vragen & blijft vragen!
De verwondering: het bestaan van de filosofie
De westerse filosofie ontstaat in 6de eeuw v.C. in het oude Griekenland
--> Verwondering als aanleider van het filosofes denken
Voor de 6de eeuw v.C = Grieks denken oraal, mondelinge overlevering door
middel van mythologie
,--> De hele werkelijkheid wordt gezien als heilig, doordrongen van goddelijke
krachten, en verbonden met geloof in magie en rituelen.
Homerus -- Ilias & de Odyssea: gaat over mythische verhalen
Hesiodus -- Theogonie: gaat over eerste poging tot verklaren en
ordenen van die mythologische werkelijkheid
Een redelijke verklaring voor het ontstaan van het heelal bieden deze mythes
niet
--> langzaam verliezen de Goden wat van hun status, de wereld word 'ontheiligd'
maar de vragen blijven wel bestaan.
Nieuw van de eerste filosofen: Ze zochten naar natuurlijke verklaringen voor de
werkelijkheid. Ze zagen orde én chaos in het heelal en probeerden dat te
begrijpen met behulp van de rede (logos) en door terug te gaan naar natuurlijke
principes.
Logos had aanvankelijk een ruimere betekenis:
1. Menselijk denken en spreken
Rede, argumentatie, uitleg, taalgebruik
2. Verhouding, ordening en bewijsvoering
Verhouding of proportie tussen dingen, manier om iets te verklaren
of te bewijzen.
3. Objectieve wetmatigheid in het heelal
De universele logica of orde die overal aanwezig is, los van
menselijke interpretatie.
Overgang van mythe naar logos: Filosofen gebruiken menselijke
rede in plaats van mythes om de wereld te verklaren.
Doel mythologie: Verklaren van de wereld en grote vragen, zonder
kritische twijfel aan de verhalen.
Doel filosofie: Ordenen van chaos en zoeken naar universele
beginselen en eerste oorzaken.
Werkwijze filosofen: Argumenten formuleren, abstract en
contemplatief nadenken, ‘weten om het weten’.
Natuurfilosofen of presocratici (Griekse filosofen die leefden vóór Socrates)
,Vroege natuurfilosofen (einde 7e–6e eeuw v.C.):
Thales, Anaximander, Anaximenes --> worden ook "Loniërs"
genoemd & afkomstig uit Milete
Probeerden het heelal te verklaren vanuit één oerprincipe (archê)
dat overal aanwezig is en alles bestuurt.
Focus op rede en natuur, niet op mythes.
Kernpunten per filosoof:
Thales: water als oerprincipe van alles.
Anaximander: het “onbegrensde” (ápeiron) als bron van alles.
Anaximenes: lucht als basis van alle dingen.
= Alle drie probeerden de veelheid van dingen te herleiden tot één beginsel en
kennis terug te brengen tot een paar duidelijke begrippen
De pythagoreërs
Ioniërs vs. Pythagoreërs
Ioniërs (Thales, Anaximander, Anaximenes): Legden de wereld uit
via kwalitatieve elementen zoals water, lucht of het onbegrensde.
Pythagoreërs: Legden het kwalitatieve uit via het kwantitatieve.
Ze zochten een meetkundige orde in de kosmos en hielden zich
bezig met muziek, astronomie, wiskunde, kosmologie en biologie.
Heraklitus (ca. 535 - 480)
Bekend om het idee van eeuwige verandering: alles stroomt
voortdurend, niets blijft hetzelfde (“panta rhei” – alles vloeit).
Voorbeeld: je kunt nooit twee keer in hetzelfde water stappen.
Tegenstellingen zoals jong-oud, slapen-wakker, ontstaan-vergaan,
mannelijk-vrouwelijk zijn twee kanten van dezelfde voortdurende
beweging.
De wereld bestaat uit een eeuwig vuur, dat constant in verandering
is.
Invloedrijk: inspireerde later onder andere Nietzsche.
Zijn visie:
Alles verandert voortdurend: niets is, alles wordt.
Achter deze verandering zit een verborgen eenheid en orde (logos).
Deze orde ontstaat uit tegenstellingen (bv. dag-nacht, leven-dood).
, Uit de spanning tussen tegenstellingen komt harmonie; zonder dat
zou er enkel chaos zijn.
Bekende uitspraak: “Oorlog is de vader van alle dingen” →
tegenstellingen zijn nodig voor beweging, verandering en eenheid in
het Al.
Parmenides van Elea (Ca. 515- ca 440 v.C.)
Bekend om de stelling: “Het zijnde is, het niet-zijnde is niet.”
Hij zag de werkelijkheid als één, blijvend en onveranderlijk → geen
veelheid, geen echte verandering.
Schreef het leergedicht Over de natuur:
a. Weg van de waarheid: leidt naar het zijn (filosofen).
b. Weg van de mening: leidt naar schijn (gewone mensen,
misleid door zintuigen).
Conclusie: verandering en veelheid zijn illusie, enkel het “zijnde” is
echt.
Wordt gezien als de belangrijkste denker van deze vroege periode.
Parmenides’ kernidee:
Worden (ontstaan en vergaan) kan niet bestaan, want dat
veronderstelt niet-zijn, en niet-zijn kan niet gedacht worden.
Dus: het zijnde is eeuwig en onveranderlijk.
Zijn en denken zijn hetzelfde → wat je werkelijk kunt denken, bestaat
ook; gedachten weerspiegelen het zijnde.
Parmenides' conclusie:
Omdat niet-zijn ondenkbaar is, is het zijn eeuwig, onveranderlijk en
één.
Het bestaat in een tijdloos ‘nu’, zonder begin, einde of doel.
Het zijn is volmaakt en begrensd, en daarom volgens Parmenides
bolvormig: overal gelijk en identiek.
De Sofisten
= een deskundige, leraar, meester
--> Weinig eigen geschriften bewaard; vooral bekend via Plato en Aristoteles
(waren als "slechte" afgebeeld).
Wat is filosofie? Waarom Filosofie?
Filosofie is in eerste instantie het kritisch bevragen van de werkelijkheid:
Waarom zijn de dingen zoals ze zijn?
Of zijn ze niet zoals ze lijken?
Wat is rechtvaardigheid?
…
--> Niet enkel kritisch bevragen: de filosofie probeert theorieën te bedenken om
zulke vragen te beantwoorden of op zijn minst te verduidelijken.
--> Filosofen proberen ideeën en theorieën te ontwikkelen om de veelheid om ons
heen – de wereld, de werkelijkheid, de natuur en onszelf – te ordenen en
begrijpelijk te maken." (maar deze worden ook zelf in vraag gesteld)
Als we nadenken over onszelf en de wereld, moeten we ook stilstaan bij hoe we
onszelf begrijpen in relatie tot anderen en tot de wereld.
Het domein van de filosofie bestrijkt de gehele werkelijkheid.
De filosofie denkt na over:
De taal
Kunst
Politiek
Wetenschap
…
--> Al die domeinen worden door de filosofie op een kritische wijze benaderd.
(De filosofie is dus veelal een soort van meta-spreken over andere
wetenschapsdomeinen)
Conclusie = een filosoof stelt vooral veel vragen & blijft vragen!
De verwondering: het bestaan van de filosofie
De westerse filosofie ontstaat in 6de eeuw v.C. in het oude Griekenland
--> Verwondering als aanleider van het filosofes denken
Voor de 6de eeuw v.C = Grieks denken oraal, mondelinge overlevering door
middel van mythologie
,--> De hele werkelijkheid wordt gezien als heilig, doordrongen van goddelijke
krachten, en verbonden met geloof in magie en rituelen.
Homerus -- Ilias & de Odyssea: gaat over mythische verhalen
Hesiodus -- Theogonie: gaat over eerste poging tot verklaren en
ordenen van die mythologische werkelijkheid
Een redelijke verklaring voor het ontstaan van het heelal bieden deze mythes
niet
--> langzaam verliezen de Goden wat van hun status, de wereld word 'ontheiligd'
maar de vragen blijven wel bestaan.
Nieuw van de eerste filosofen: Ze zochten naar natuurlijke verklaringen voor de
werkelijkheid. Ze zagen orde én chaos in het heelal en probeerden dat te
begrijpen met behulp van de rede (logos) en door terug te gaan naar natuurlijke
principes.
Logos had aanvankelijk een ruimere betekenis:
1. Menselijk denken en spreken
Rede, argumentatie, uitleg, taalgebruik
2. Verhouding, ordening en bewijsvoering
Verhouding of proportie tussen dingen, manier om iets te verklaren
of te bewijzen.
3. Objectieve wetmatigheid in het heelal
De universele logica of orde die overal aanwezig is, los van
menselijke interpretatie.
Overgang van mythe naar logos: Filosofen gebruiken menselijke
rede in plaats van mythes om de wereld te verklaren.
Doel mythologie: Verklaren van de wereld en grote vragen, zonder
kritische twijfel aan de verhalen.
Doel filosofie: Ordenen van chaos en zoeken naar universele
beginselen en eerste oorzaken.
Werkwijze filosofen: Argumenten formuleren, abstract en
contemplatief nadenken, ‘weten om het weten’.
Natuurfilosofen of presocratici (Griekse filosofen die leefden vóór Socrates)
,Vroege natuurfilosofen (einde 7e–6e eeuw v.C.):
Thales, Anaximander, Anaximenes --> worden ook "Loniërs"
genoemd & afkomstig uit Milete
Probeerden het heelal te verklaren vanuit één oerprincipe (archê)
dat overal aanwezig is en alles bestuurt.
Focus op rede en natuur, niet op mythes.
Kernpunten per filosoof:
Thales: water als oerprincipe van alles.
Anaximander: het “onbegrensde” (ápeiron) als bron van alles.
Anaximenes: lucht als basis van alle dingen.
= Alle drie probeerden de veelheid van dingen te herleiden tot één beginsel en
kennis terug te brengen tot een paar duidelijke begrippen
De pythagoreërs
Ioniërs vs. Pythagoreërs
Ioniërs (Thales, Anaximander, Anaximenes): Legden de wereld uit
via kwalitatieve elementen zoals water, lucht of het onbegrensde.
Pythagoreërs: Legden het kwalitatieve uit via het kwantitatieve.
Ze zochten een meetkundige orde in de kosmos en hielden zich
bezig met muziek, astronomie, wiskunde, kosmologie en biologie.
Heraklitus (ca. 535 - 480)
Bekend om het idee van eeuwige verandering: alles stroomt
voortdurend, niets blijft hetzelfde (“panta rhei” – alles vloeit).
Voorbeeld: je kunt nooit twee keer in hetzelfde water stappen.
Tegenstellingen zoals jong-oud, slapen-wakker, ontstaan-vergaan,
mannelijk-vrouwelijk zijn twee kanten van dezelfde voortdurende
beweging.
De wereld bestaat uit een eeuwig vuur, dat constant in verandering
is.
Invloedrijk: inspireerde later onder andere Nietzsche.
Zijn visie:
Alles verandert voortdurend: niets is, alles wordt.
Achter deze verandering zit een verborgen eenheid en orde (logos).
Deze orde ontstaat uit tegenstellingen (bv. dag-nacht, leven-dood).
, Uit de spanning tussen tegenstellingen komt harmonie; zonder dat
zou er enkel chaos zijn.
Bekende uitspraak: “Oorlog is de vader van alle dingen” →
tegenstellingen zijn nodig voor beweging, verandering en eenheid in
het Al.
Parmenides van Elea (Ca. 515- ca 440 v.C.)
Bekend om de stelling: “Het zijnde is, het niet-zijnde is niet.”
Hij zag de werkelijkheid als één, blijvend en onveranderlijk → geen
veelheid, geen echte verandering.
Schreef het leergedicht Over de natuur:
a. Weg van de waarheid: leidt naar het zijn (filosofen).
b. Weg van de mening: leidt naar schijn (gewone mensen,
misleid door zintuigen).
Conclusie: verandering en veelheid zijn illusie, enkel het “zijnde” is
echt.
Wordt gezien als de belangrijkste denker van deze vroege periode.
Parmenides’ kernidee:
Worden (ontstaan en vergaan) kan niet bestaan, want dat
veronderstelt niet-zijn, en niet-zijn kan niet gedacht worden.
Dus: het zijnde is eeuwig en onveranderlijk.
Zijn en denken zijn hetzelfde → wat je werkelijk kunt denken, bestaat
ook; gedachten weerspiegelen het zijnde.
Parmenides' conclusie:
Omdat niet-zijn ondenkbaar is, is het zijn eeuwig, onveranderlijk en
één.
Het bestaat in een tijdloos ‘nu’, zonder begin, einde of doel.
Het zijn is volmaakt en begrensd, en daarom volgens Parmenides
bolvormig: overal gelijk en identiek.
De Sofisten
= een deskundige, leraar, meester
--> Weinig eigen geschriften bewaard; vooral bekend via Plato en Aristoteles
(waren als "slechte" afgebeeld).