Week 1
Leerstuk 1: opzet
Issue
Is er sprake van opzet?
Rule
Zuiver opzet/doelopzet = het willens en wetens handelen waarbij de wil primair gericht is op het doel
Application
Bv. “de wil van de verdachte is niet primair gericht op het doel, want …”
Conclusion
Er is geen sprake van zuiver/doelopzet
Rule
Voorwaardelijk opzet = het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans (r.o. 3.6 HR HIV-I)
Aanmerkelijke kans
o Aard van de gedraging en omstandigheden waaronder deze is verricht
o Naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk (objectieve toets)
o Aard van het gevolg mag niet mee worden geworden in de aanmerkelijkheid van de kans
Wetenschap (bewust)
o Vaststellen (verklaring)
o Veronderstellen objectivering, normativeren (algemene feit van bekendheid dat het gevolg een
aanmerkelijke kans heeft om in te treden, de verdachte is een normaal mens, verdachte wist dus dat
de aanmerkelijke kans bestond), behoudens contra-indicaties
Aanvaarden
o Verklaring verdachten of getuigen
o Uiterlijke verschijningsvorm
o Behoudens contra-indicaties, bv. Porsche-arrest, want eigen leven ook in gevaar gebracht
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld
aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg in zal treden (zie r.o. 3.6 HIV-I). Om de aanmerkelijke kans vast te stellen
moet er worden gekeken naar de omstandigheden waaronder deze is verricht, de aard van de gedraging en naar de
algemene ervaringsregels. De aard van het gevolg mag hierbij niet meewegen. Daarnaast moet worden gekeken of de
verdachte zich bewust was van deze aanmerkelijke kans; deze wetenschap moet worden vastgesteld of worden
verondersteld door te objectiveren en normativeren. Bovendien moet er bewezen worden of de verdachte deze kans
aanvaard. Hiervoor moet worden gekeken naar verklaringen van de verdachte of getuigen en uiterlijke
verschijningsvorm.
Application
Bv. “De uitdrukking van de verschijningsvorm is zo zeer gericht op het gevolg, dat we daaruit kunnen afleiden dat de
verdachte de aanmerkelijk kans bewust aanvaard heeft.” de enkele wetenschap volstaat
Conclusion
Er is wel/geen sprake van opzet.
NB: de aanmerkelijke kans heeft een kwalitatieve, een geen kwantitatieve benadering: de kans is niet afhankelijk van
de aard van het gevolg
,Wettelijke opzetvormen:
Opzettelijk zuivere opzetvorm, voorwaardelijk opzet volstaat
Oogmerk je bent pas strafbaar als je met het oogmerk van wederrechtelijkheid handelt, voorwaardelijk
opzet volstaat niet
Wetende dat, wist, wetenschap nadruk op het bewustzijnsaspect, op een bepaald bestanddeel gericht,
voorwaardelijk opzet volstaat
Ingeblikt vb. mishandeling, voorwaardelijk opzet volstaat
Terroristisch oogmerk als subjectief verzwarend bestanddeel
Dolus directus = zuiver of vol opzet
Dolus indirectus = noodzakelijkheids- of zekerheidsbewustzijn
Dolus eventualis = voorwaardelijkopzet of kansopzet
Noodzakelijkheids- of zekerheidsbewustzijn = het gevolg is niet primair gewild, maar het noodzakelijke gevolg van zijn
handelen
Bewuste schuld = verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid
Pro parte culpoos, pro parte doleus
Leerstuk 2: voorbedachte raad
Issue
Is er sprake van voorbedachte rade?
Rule
Voorbedachte raad = zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit + hij
moet niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling (zie r.o. 2.3 HR Voorbedachte raad II
Gelegenheid voor kalm + rustig beraad = voldoende tijd, deze tijd is een objectieve aanwijzing voor
voorbedachte raad (veronderstelt dat de verdachte deze tijd ook heeft benut)
Geen sprake van ogenblikkelijke gemoedsopwelling
Behoudens contra-indicaties:
o Plotselinge hevige drift
o Korte tijd tussen besluit en uitvoering
o Gelegenheid beraad pas tijdens uitvoering
Rechter vrij wanneer objectieve aanwijzing en contra-indicatie om afweging te maken
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich
gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in
een ogenblikkelijke gemoedsopwelling (zie r.o. 2.3 HR Voorbedachte raad II), zodat hij de gelegenheid heeft gehad na
te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de
vraag of sprake is van voorbedachte rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden
van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen
het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te
beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met
voorbedachten rade is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een
zwaarder gewicht toe te kennen. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter
uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachten rade heeft
, gehandeld.
Application
Bv. “Er is wel sprake van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar wel van de contra-indicatie plotselinge hevige
drift. Dit weegt echter niet zwaarder dan de gelegenheid voor rustig en kalm beraad en het feit dat er geen sprake is
van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.”
Conclusion
Er is wel/geen sprake van voorbedachte raad.
NB: een paar minuten bedenktijd is bij voorbedachte raad voldoende
NB: voorbedachte raad ziet niet toe op het of er van tevoren een plan is gemaakt
NB: voorbedachte raad kan samen met voorwaardelijk opzet
NB: bij de ogenblikkelijke gemoedsopwelling staat vooral het ‘ogenblikkelijke’ centraal
NB: voorbedacchte raad is een strafverzwarende omstandigheid
Femicide = vrouwen worden door hun ex-partners gedood
Vrouwen worden disproportioneel vaak geraakt door dodelijk geweld door hun (ex)-partners 67: 62/5
Arresten week 1
HIV I, HR 25 maart 2003, NJ 2003/552
Deze zaak draait om een verdachte die beschuldigd wordt van onbeschermd seksueel contact met een
minderjarige, terwijl hij wist dat hij besmet was met het HIV-virus. Ondanks zijn besmetting was hij ervan
overtuigd dat hij geen risico’s nam voor het overdragen van het virus, omdat hij dacht dat besmetting alleen
mogelijk was wanneer hij tijdens het seksuele contact klaarkwam. Hij verklaarde bovendien dat hij, sinds hij op
de hoogte was van zijn HIV-besmetting, altijd een condoom gebruikte tijdens seksuele handelingen.
R.o. 3.6: “Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens
heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of er sprake is van een aanmerkelijke
kans, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de aard van de gedraging en omstandigheden
waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te
stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar ervaringsregels
aanmerkelijk is te achten. De bewuste aanvaarding kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans
op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste
schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de
rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove)
onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van
voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele
getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is
omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en
de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke
verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-
indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg
heeft aanvaard.”
Voorbedachte raad II, HR 5 november 2013, NJ 2014/157