Les 1 - Module 1
Markten en
Course
Prijzen
Markten en
Exam
Prijzen
Status Done
Date 12/02/2026
Determinanten vd Vraag
Inleiding
de consument = gezin dat consumptiebeslissingen neemt en de onderneming neemt productiebeslissingen
→ Aangezien een gezin bestaat uit vers leden die hun economische beslissingen op elkaar afstellen, nemen we aan dat het gezin uit één
persoon bestaat
Rationeel beslissingsgedrag = best mogelijk alternatief w gekozen uit verz. van mogelijke alternatieven
Enkele Totale budget dat bestemd is voor AK van consumptiegoederen ligt vast → exogeen gegeven
Veronderstellingen
Inkomen = Budget = Totale uitgaven → verwaarlozen sparen (= inkomen - bestedingen)
Vraagfunctie
Algemene vraagfunctie ve individuele consument: qiV = fi {p, pa , pb , ..., y, seizoen, gezinsgrootte, ...}
Met q V de vraag naar goed i, die afhangt van:
prijs van goed i (p)
prijs van andere goederen (pa en pb )
inkomen y vd consument
…
Inzicht in consumentengedrag betekent inzicht in effect van deze vers factoren
Prijzen en Inkomen
Concentreren enkel op het effect v prijzen en inkomen
Beslissingsprobleem:
Goederen kopen die voor zichzelf het best zijn → nastreven van eigenbelang, nut
Mogelijkhedenverzameling: verz. van alle goederenbundels die haalbaar zijn met het gegeven budget onder de gegeven prijzen vd vers
goederen
,→ Bepaald door budgetbeperking, die bepaald w door prijzen en inkomen
Stel: je wilt bepalen hvl T-shirts en films je best koopt, gegeven je budget
T-shirts (aantal) Totaal nut Marginaal nut Films (aantal) Totaal nut Goederenbundel T-shirts Films
1 22 22 1 16 P 4 0
2 43 21 2 31 Q 3 2
3 63 20 3 45 R 2 4
4 81 18 4 58 S 1 6
5 97 16 5 70 T 0 8
6 111 14 6 81 T-shirts en films geven mij nut, maar iedere extra
7 123 12 7 91 eenheid geeft mij minder & minder extra nut →
8 133 10 8 100 Hoe meer ik van iets heb, hoe lager marginaal nut
Prijselasticiteit
Eigen prijselasticiteit εp meet de (relatieve) verandering id vraag naar een goed bij een
∣εp ∣ > 1: prijselastische vraag
(relatieve) verandering id prijs v dat goed: ∣εp ∣ < 1: prijsinelastische vraag
%Δq Δq /q V V V ∣εp ∣ = ∞: perfect prijselastische vraag
= = ∣εp ∣ = 0: perfect prijsinelastische vraag
%Δp Δp/p
Uiteindelijke effect ve prijsverandering is de resultante van …:
Substitutie-effect: als p ↑, w andere goederen relatief aantrekkelijker → V ↓ omdat (relatief) duurder geworden goederen vervangen w
door (relatief) goedkoper geworden goederen
→ Dit effect is doorgaans negatief
Inkomenseffect: als p ↑, daalt koopkracht van Y en dus wijzigt budgetbeperking
→ Dit effect kan positief zijn; daling (stijging) van Y leidt tot een lagere (hogere) consumptie vh goed = normaal goed
→ Dit effect kan negatief zijn; daling (stijging) van Y leidt tot een hogere (lagere) consumptie vh goed = inferieur goed
Normaal is het totale prijseffect negatief
Giffengoederen = inferieure goederen waarbij negatieve inkomenseffect > substitutie-effect
→ V ↑ als p ↑
Illustratief voorbeeld omtrent Ierse hongersnood
Consumptie met voedingswaarde 10 om te overleven Goed Prijs in jaar 0 Prijs in jaar 1 Voedingswaarde
Consument beschikt over budget = €24 Vlees 10 x €2 10 x €1 3
Aardappelen 1 x €4 2 x €7 1
Enkel vlees en aardappelen, geen substituten
Uitleg:
Originele consumptie is niet meer betaalbaar
Enige manier om aan voedingswaarde 10 te geraken is door minder vlees en meer aardappelen te consumeren
p van aardappelen ↑ → V naar aardappelen ↑
Inkomenselasticiteit
Inkomenselasticiteit meet de (relatieve) verandering id vraag naar een goed bij een (relatieve) verandering ih inkomen vd consument:
(Δq/q) Δq y
εp = = .
(Δy/y) Δy q
Gevallen:
εp > 0: normaal goed
εp < 0: inferieur goed
⚠︎ sommige goederen zijn niet-inferieur bij lage inkomens, maar w inferieur bij hogere inkomens vb. instant noedels
Budgetaandeel: waarde van wi geeft dus het aandeel budget y dat besteed wordt aan elk goed i
p i . qi
wi =
y
2 categorieën normale goederen:
εp > 1: luxegoederen, budgetaandeel neemt toe wanneer y ↑
εp < 1: noodzakkelijke goederen, budgetaandeel neemt af wanneer y ↑
Markten en
Course
Prijzen
Markten en
Exam
Prijzen
Status Done
Date 12/02/2026
Determinanten vd Vraag
Inleiding
de consument = gezin dat consumptiebeslissingen neemt en de onderneming neemt productiebeslissingen
→ Aangezien een gezin bestaat uit vers leden die hun economische beslissingen op elkaar afstellen, nemen we aan dat het gezin uit één
persoon bestaat
Rationeel beslissingsgedrag = best mogelijk alternatief w gekozen uit verz. van mogelijke alternatieven
Enkele Totale budget dat bestemd is voor AK van consumptiegoederen ligt vast → exogeen gegeven
Veronderstellingen
Inkomen = Budget = Totale uitgaven → verwaarlozen sparen (= inkomen - bestedingen)
Vraagfunctie
Algemene vraagfunctie ve individuele consument: qiV = fi {p, pa , pb , ..., y, seizoen, gezinsgrootte, ...}
Met q V de vraag naar goed i, die afhangt van:
prijs van goed i (p)
prijs van andere goederen (pa en pb )
inkomen y vd consument
…
Inzicht in consumentengedrag betekent inzicht in effect van deze vers factoren
Prijzen en Inkomen
Concentreren enkel op het effect v prijzen en inkomen
Beslissingsprobleem:
Goederen kopen die voor zichzelf het best zijn → nastreven van eigenbelang, nut
Mogelijkhedenverzameling: verz. van alle goederenbundels die haalbaar zijn met het gegeven budget onder de gegeven prijzen vd vers
goederen
,→ Bepaald door budgetbeperking, die bepaald w door prijzen en inkomen
Stel: je wilt bepalen hvl T-shirts en films je best koopt, gegeven je budget
T-shirts (aantal) Totaal nut Marginaal nut Films (aantal) Totaal nut Goederenbundel T-shirts Films
1 22 22 1 16 P 4 0
2 43 21 2 31 Q 3 2
3 63 20 3 45 R 2 4
4 81 18 4 58 S 1 6
5 97 16 5 70 T 0 8
6 111 14 6 81 T-shirts en films geven mij nut, maar iedere extra
7 123 12 7 91 eenheid geeft mij minder & minder extra nut →
8 133 10 8 100 Hoe meer ik van iets heb, hoe lager marginaal nut
Prijselasticiteit
Eigen prijselasticiteit εp meet de (relatieve) verandering id vraag naar een goed bij een
∣εp ∣ > 1: prijselastische vraag
(relatieve) verandering id prijs v dat goed: ∣εp ∣ < 1: prijsinelastische vraag
%Δq Δq /q V V V ∣εp ∣ = ∞: perfect prijselastische vraag
= = ∣εp ∣ = 0: perfect prijsinelastische vraag
%Δp Δp/p
Uiteindelijke effect ve prijsverandering is de resultante van …:
Substitutie-effect: als p ↑, w andere goederen relatief aantrekkelijker → V ↓ omdat (relatief) duurder geworden goederen vervangen w
door (relatief) goedkoper geworden goederen
→ Dit effect is doorgaans negatief
Inkomenseffect: als p ↑, daalt koopkracht van Y en dus wijzigt budgetbeperking
→ Dit effect kan positief zijn; daling (stijging) van Y leidt tot een lagere (hogere) consumptie vh goed = normaal goed
→ Dit effect kan negatief zijn; daling (stijging) van Y leidt tot een hogere (lagere) consumptie vh goed = inferieur goed
Normaal is het totale prijseffect negatief
Giffengoederen = inferieure goederen waarbij negatieve inkomenseffect > substitutie-effect
→ V ↑ als p ↑
Illustratief voorbeeld omtrent Ierse hongersnood
Consumptie met voedingswaarde 10 om te overleven Goed Prijs in jaar 0 Prijs in jaar 1 Voedingswaarde
Consument beschikt over budget = €24 Vlees 10 x €2 10 x €1 3
Aardappelen 1 x €4 2 x €7 1
Enkel vlees en aardappelen, geen substituten
Uitleg:
Originele consumptie is niet meer betaalbaar
Enige manier om aan voedingswaarde 10 te geraken is door minder vlees en meer aardappelen te consumeren
p van aardappelen ↑ → V naar aardappelen ↑
Inkomenselasticiteit
Inkomenselasticiteit meet de (relatieve) verandering id vraag naar een goed bij een (relatieve) verandering ih inkomen vd consument:
(Δq/q) Δq y
εp = = .
(Δy/y) Δy q
Gevallen:
εp > 0: normaal goed
εp < 0: inferieur goed
⚠︎ sommige goederen zijn niet-inferieur bij lage inkomens, maar w inferieur bij hogere inkomens vb. instant noedels
Budgetaandeel: waarde van wi geeft dus het aandeel budget y dat besteed wordt aan elk goed i
p i . qi
wi =
y
2 categorieën normale goederen:
εp > 1: luxegoederen, budgetaandeel neemt toe wanneer y ↑
εp < 1: noodzakkelijke goederen, budgetaandeel neemt af wanneer y ↑