Escrito por estudiantes que aprobaron Inmediatamente disponible después del pago Leer en línea o como PDF ¿Documento equivocado? Cámbialo gratis 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Vista previa 10 fuera de 60 páginas
Resumen

Samenvatting Biochemie Tandheelkunde| Prof Van Lint| KU Leuven | 2025/26

Document preview thumbnail
Vista previa 10 fuera de 60 páginas

Samenvatting van biochemie gegeven door Johan van lint. De samenvatting is gebaseerd op zijn boek, ik heb het samengevat van 300 pg naar ongeveer 60 pg. Zelf heb ik een 16/20 gehaald op het vak (samen met moleculaire biologie F.Claessens). Alles wat je moet kennen staat erin met fotos, ik heb vooral opsomming gebruikt ipv volledige zinnen. LET OP: gemaakt met donkere achtergrond, je kan veranderen naar witte en veel verschil is er niet. Kzeg het maar.

Vista previa del contenido

Moleculaire biologie – prof lint


H1: biomoleculen
Inleiding
AZ benoeming gebeurt via:

- Gebruik van cijfers → begint links of rechts, hoe verder je gaat hoe hoget het cijfer
o Meestal begin je zodat de hoofdketen het grootst is + de zijketens het
laagste nummer hebben
- Gebruik van letters → C met carboxyl & amide groep is de alfa, dan krijg je de beta,
delta, …

AZ wordt opgedeeld in groepen met gemeenschappelijke kenmerken, waarvan we moeten
kennen:

- De 3 & 1 letter benamingen
- Algemene pK (= dus rond de 2 bv)
- pK van de R-groepen



Functies van biomoleculen
de functionele of R groep van een biomolecule & de geografie of 3D vorm bepalen de functie van
het biomoleculen

- Vb is thalidomide, een geneesmiddel gebruikt tegen zwangerschapmisselijkheid → bij
foutieve draaiing wordt S-thalidomide gevormd dat kan leiden tot geboorte afwijkingen.
o Moeilijk te zien in 2D vorm!

De R-groep zorgt voor de indeling & functies van biomoleculen:
Non polaire AZ + alifatische R-groepen

- Glycine
o Het enige niet-assymetrische AZ
o Bezit geen / kleine zijketens:
▪ grotere conformationele flexibiliteit (= minder sferische hinder bij roteren)
▪ draagt weinig bij hydrofobe interacties

- Alanine, valine, leucine, isoleucine, methionine
o Inerte & alifatische zijketen → neiging samen te clusteren in eiwitten, wat ze stabiliseert
o Non-polair en hydrofoob
o Hebben geen functionele groepen
▪ Drm wordt alanine soms gebruikt om specifieke AZ’s in een eiwit te vervangen om te testen hoe belangrijk
het oorspronkelijk AZ is voor een functie


AZ met aromatische R-groepen (= cyclisch)

- Fenylalanine
o Zeer hydrofoob & apolair
o Weinig reactief

, - Tyrosine
o Heeft een R-keten met een OH groep = Handig bij signaaltransducties, tyrosine absorbeert uv-
intermediar polair licht → gebruikt voor bestuderen van eiwitten
o Door OH groep:
▪ Deelname met waterstofbruggen - Spectrofotometer meet absorptie van licht door
▪ Belangrijke functionele groep in eiwitstaal → verg met standaardstalen geeft % aan
enzymen & eiwitten eiwit (= meer van het AZ – meer licht geabsorbeerd)
o Kan gefosfolyseerd worden = fosfaatgroep kan
er aan binden waardoor functie kan veranderen

- Tryptofaan
o Intermediar polair door N op indolring
o Zeldzaam


AZ met polaire, ongeladen R-groepen

- Cysteïne
o De sulfhydryl R-groep verleent zijn polariteit
o AZ ioniseert op licht alkalische pH
o Door oxidatie kan het een disulfide vormen (= cystine), kan in
eiwitten disulfidebruggen vormen dat voor stabiliteit, opvouwing,
… leidt
o Cysteine vaak als belangrijke groep in katalystisch centrum van een enzyme → kan H afgeven waardoor het kan
binden met de substraat

- Serine en threonine
o Polariteit door OH groepen (= dezelfde voordelen: gefosfolyseerd & H-bruggen)
- Asparagine en glutamine
o Amiden voor de zuren (= NH2)
o Relatief polair
o Kunnen H+ doneren of opvangen

AZ met niet-polaire geladen R groepen

- Proline
o Cyclische structuur = matig polair
o Amino groep wordt in rigide conformatie gehouden:
▪ Reduceert flexibiliteit
▪ Vormt geen NH2 door binding met alifatische zijketen = niet deelnemen aan H-bruggen

o Bevordert door structuur vorming van een knik / bocht in peptideketen:
▪ Door bochten is er variatie aan polypeptides en dus functies
▪ 2 AZ met een peptidebinding kunnen in cis of trans – configuratie
komen door bochten. Vaak is trans gunstiger omdat de R groepen zo
ver mogelijk staan (= minder sferische hinder). MAAR bij proline komt
het in de cis – config verder van de R groepen toe = gunstiger




AZ met positief geladen R-groepen

- Arginine en lysine
o Lysine heeft 2de primaire aminogroep
o Arginine heeft + geladen guanidongroep
o Beide pKa van 10 = sterk + geladen

o Histidine

, o Imidazol R-groep = veelzijdige zijketen, kan elektrofiel, nucleofiel, …
zijn
o Enige met ioniseerbare zijketen dat in pKa 7 voorkomt → bij normale
pH komt dus 50/50 geladen of ongeladen voor
o Niet-geladen vorm heeft een N-atoom dat elektrofiel is = donor voor H-
bruggen
o Andere N-atoom zonder H een nucleofiel = effectieve katalysator voor bij enzymen

AZ met negatief geladen R-groepen




- Aspariginezuur & glutaminezuur
o Carboxylgroepen → pKa van 3,65 & 4,25
o Volledig geioniseerd bij pH 7 en dus polair
o Sterke negatieve lading = metalen & kationen binden

,Basiseigenschappen vd verschillende suikers
Wat is de structuur & rol van enkele mono- disachariden



Kunnen herkennen in welke grote groep suikers zitten, en de
afgeleiden van die groepen!!




Kunnen ontstaan door reductie van de carbonylgroepen van
aldosen en ketosen
- Zorgen voor vorming van alditols = lineaire moleculen die
niet kunnen cycliseren

Suikeralcohols Hoog sorbitolgehalte in het oog is betrokken bij ontstaan van
cataract bij diabetes → hoge glucose % activeren aldose pathway
(= glucose → sorbitol). Sorbitol stapelt op in oog en trekt door
osmose water aan tot ontstaan cataract


Deoxysuikers Suikers waarbij 1 of meer hydroxylgroepen vervangen werden door
een H-atoom




Suikeresters Bevatten fosfaatesters (of andere?), belangrijk bij bv fructose en
glucose voor metabole activiteit




Bevatten een aminogroep (ipv hydroxylgroep) op de C-2 positie,
vaak gevonden in polysachariden

Aminosuikers Aminogroepen kunnen geacetyleerd worden
- Vb is D-glucosamine → N-acetylglucosamine

Muraminezuur & neuraminezuur zijn componenten van
polysachariden in de celmembranen → opzoeken als belangrijk, in
boek

,Wat is de structuur en de rol van enkele fysiologische belangrijke polysachariden?
Inleiding

- Polysachariden zijn suikerpolymeren, kunnen verschillen que bestanddelen, type bindingen, lengte, …
- Homopolysachariden = bevatten slechts 1 monomeer → heteropolysachariden bevatten meer
- Polysachariden hebben GEEN vastgelegd moleculair gewicht, komt doordat het geen matrijs voor translatie bevat maar
afh is vd enzymen die gaan katalyseren



Structuur en rol van glycogeen, zetmeel, cellulose & peptidoglycans

o = vertakt homopolyscharide, bestaande uit glycose eenheden
o 3D vorm vooral een gevouwde spiraal
o Bevat 2 soorten glucosepolymeren:
▪ Amylose bestaat uit lange onvertake ketens van
glucosemoleculen, verbonden door a1 – 4
▪ Amylopectine bestaat uit vertakte (om de 25 residus)
glucosemoleculen ketens, a1 – 6

- Glycogeen
o Belangrijkste opslagpolysacharide van dierelijke cellen
o Polymeer zoals zetmeel, alleen veel meer vertakt
o Glycogeen speciale structuur:
▪ In realiteit is glycogeen meer gestructureerd zoals foto
▪ Elke tak is kort met eigen vertakkingen → makkelijk voor enzymen om op de
uiteindes te inwerken & degraderen
▪ G in foto staat voor glycogenine = klein eiwitje, staat in voor herkenning door de
eiwitten

- Cellulose
o = lineaire, onvertake molecule bestaande uit glucose eenheden (gebonden door B1 – 4)
o Lineaire structuur heeft gevolgen tot de eigenschappen van cellulose:
▪ Zorgt voor vrije rotatie
▪ Stabielste structuur wanneer units 180° gedraaid zijn tov hun buren
▪ De vele zijketens die uitsteken zorgt voor grote mogelijkheid tot H-
bruggen = sterkte

o Meeste dieren kunnen geen B1 – 4 bindinge afbreken, termieten & herkauwers
wel door symbiotische bacteriën
o Chitine is de hoofdcomponent van harde exoskeletten & is onverteerbaar
▪ Komt doordat de polymeren die op hetzelfde vlak liggen, parallel liggen en
door de zijketens vele H-bruggen kunnen vormen. Tenslotte zijn er meerdere
vlakken die OOK nog eens gebonden zijn

- Peptidoglycans
o Vormen een rigide component vd bacteriële celwand → lineaire polymeren liggen zij aan zij in celwand,
verbonden met elkaar door kleinere AZ = peptide-crosslinks
▪ Beschermt ook tegen osmose
o Heteropolymeer, B1 – 4 gebonden met N-acetylglucosamine & N-
acetylmuraminezuur

o Enzym lysozyme doodt bacteriën door hydrolyse van de B1 – 4 bindingen
▪ Aanwezig in tranen = belangrijke verdediging
o Penicilline en andere verwante antibiotica doden bacteriën door remmen vd
synthese van deze peptide-crosslinks → verlies sterkte

,Wat zijn glycosaminoglycans?
= Familie van polymeren opgebouwd uit herhalende disacharide-subunits. Een van de
2 is altijd N-acetylglucosamine of N-acetylgalactosamine, de ander meestal een -
uronzuur

- Soms wordt een vd hydroxyls veresterd met een sulfaat → zorgt voor hoge
densiteit van negatieve ladingen (KENMERKEND!). Om afstotingen te vermijden
nemen de polymeren een lineaire structuur aan
- Belangrijk bij extracellulaire matrixxen
- Specifiek patroon van gesulfateerde en niet – “ zorgt voor herkenning van
proteineliganden die gaan binden
- Kunnen covalent binden met extracellulaire proteïnen → proteoglycans

Voorbeelden

- Hyalonzuur
o Heeft glasachtige uitzicht
o Werkt als glijmiddel bij gewrichten, geeft aan oogbal gelachtige consistentie, belangrijke component bij
extracellulaire matrixen (= rol bij spankracht)
o Hyaluronidase kan de glycosidische bindingen van hyalonzuur opsplitsen → meer poreus → belangrijk bij
zaadcellen om in eicel te komen
- Chondroitinesulfaat = draagt bij spansterkte van kraakbeen, pezen, …
- Dermatansulfaat = plooibaarheid vd huid, bloedvaten, …
- Keratansulfaten = komen voor in nagels, kraakbeen, … zorgen voor stevigheid
- Heparine
o natuurlijk anticoagulans, remt stolling
o Heeft hoogste negatieve ladingsdensiteit
o Gezuiverd heparine toegevoegd aan bloedstalen voor analyse bij bloed transfusie



Wat zijn glycoconjugaten?
= verbindingen bestaande uit suikerpolymeren & eiwitten, lipiden of andere proteïnen. Men onderscheidt proteoglycans,
glycoproteinen en glycolipiden


proteoglycans

- = macromoleculen die in het plasmamembraan of ECM zitten, waar GAG moleculen (=
koolhydraten / suikerketens) gekoppeld zijn aan het membraaneiwit
- Basiseenheid bestaat uit een “core-protein” met daaraan vastgehechte GAG’s
o Meestal een serine gebonden met een trisacharidebrug
o GAG’s zijn dominerende deel = bepaalt vooral biologische activiteit → vaak voorzien van
bindingsplaatsen voor andere eiwitten

- Belangrijke eenheid van bindweefsel (vb kraakbeen), gaan non-covalente bindingen aan met andere
proteoglycans voor sterkte & rekbaarheid
- Sommige proteoglycans kunnen aggregaten vormen = aggrecans
o Enorme complexen van meerdere core-proteinen, gebonden aan 1 molecule hyalonzuur
o Binden aan collageen van kraakbaan, rol bij spankracht

,Extra: extracellulaire matrix of ECM. Foto toont ruw idee van wat ECM allemaal inhoudt, bevat een
jungle van nyalen (= kunnen vanalles zijn zoals collageen, proteoglycans, …). De gele dikke strepen
zijn moleculen van fibronectine → intagrergen met transmembraan eiwitten voor samenstelling ECM
(= afh van weefsel dus)

Verplaatsing van cellen (ECM hier dan) gebeurt via integrenes, zijn de receptoren van de cellen die
gaan intagreregn met fibronectine & cytokinesan dat de cel signaal geven.



Glycoproteinen

- = koolhydraatrijke eiwitten, de koolhydraatgedeeltes zijn kleiner & diverser dan bij GAG’s van proteoglycans
- Vooral aan te treffen bij functionele eiwitten zoals transpor, smeer, antistoffen, …

- Structuur
o Koolhydraatgedeelte verbonden door:
▪ glycosidische binding met de – OH van Ser of Thr = O-linked
glycoproteins
▪ N-glycosidische bindin met amidestikstof van Asn = N-linked
glycoproteins
o Bevat vertake suikers (= KENMERKEND)
o Complexer qua samenstellingen

- Wat is de rol vd suikertakken in glycoproteinen
o Modulatie van fysicochemische eigenschappen zoals oplosbaarheid, lading, …
o Bescherming tegen proteolyse
o Beinvloeden van proteolytische processing van eiwitten tot kleinere eenheden
o Betrokken in biologische, embryonale & differentiatie activiteiten
▪ Invloed op plaats van metastering van tumorcellen → glycoprot zorgen voor affiniteit tov weefsel & dus
plek waar ze gaan hechten
o Beinvloeden intracelulaire “reisascpecten “ (= sortering, secretie, insertie v eiwitten)



Glycolipiden

- = lipiden bevatten cobalent gebonden oligosacharidegroepen, voorbeelden zijn de gangliosiden & lipopolysachariden
- Gangliosiden
o Zijn membraanlipiden van eukaryote cellen
o Polaire kop vh lipide vormt een complex met siaalzuur & andere
monsacharideresidus
o Vb: bloedgroep antigenen A,B en O
▪ Lipide zorgt voor inbouw in membraan, suiker gedeelte steekt dan uit
▪ O kan aan ied geven → heeft geen extra gen zoals Galactose (B) of N-
acetylgalactosamine (A)

- Lipopolysachariden
o Membraanlipiden, bevatten lange lipide staarten voor inbouw in membranen
o NIET aangemaakt door ons lichaam, maar door bacteriën → vaak primaire doelwitten vd
antistoffen in ons lichaam
▪ Bacteriën onderscheidt in welke antistof ze activeren = serotypes
▪ Sommige zijn toxisch → bloeddrukdaling → toxic shock syndrome

,Oligosacharide-lectine interacties

- Oligosachariden kunnen intagregen met lectines (= eiwit met grote affiniteit voor suiker)
- Gebruikt door zowel bacteriën als eigen-cellen (T-lymfocyten)
o Bacteriën hebben lectines die adhesie vd bacterie aan de cel OF intrede van hun toxine
mogelijk maken
o T-lymfocyten gebruiken het voor transport & binding. De T-cel wordt eerst vertraagd door
binding met glycoprotein met affiniteit aan P-selectines (= rolling), dan volgt een 2de
interactie met een 2de glycoprotein voor adhesie & extravasatie
o Ook virussen kunnen hechten aan cel via hemagluttine (HA) lectine




Basiseigenschappen van de verschillende vetten
Overzichtschema van soorten lipiden




Hoofdinfo dat je moet weten is de 3 grote hoofdklassen (= gesatuureerde, verzadigd, ongesatureerd & vertake / cyclisch), de kleine
namen (capric, lauric, …) en verband tussen smeltpunt en lengte kennen.

- Verzadigd eindigt vaak met -IC of -INE → onverzadigd vaak met -leic, -lenic


Structuur en rol van de vetzuren

- Structuur
o Lange koolwaterstofketen met terminale carboxylgroep
o Verzadigd bevatten GEEN dubbele C = C bindingen, onverzadigde vetzuren WEL
o Smeltpunt bepaalt door lengte & graad van verzadeging
▪ Verzadigde vetzuren → lineaire structuur = efficiënte ‘packing’
▪ Hoe meer dubbele bindingen, hoe minder efficiënt. Hoe langer het vetzuur hoe sterke de interacties &
efficiënter
- Rol
o Vetzuren zijn belangrijke metabole brandstof & voor membranen
o Onverzadigde vetzuren zijn gezonder → verhogen cholesterol gehalte niet
o Eiwitten kunnen gemodoficeerd worden door toevoeging vetzuurstraat
o Vetzuurderivaten als hormonen of ‘second messengers’

Structuur en rol van triglyceriden

- Structuur

, o Bestaan uit 3 vetzuren verbonden in een esterbinding met glycerol. Kunnen 3 dezelfde of
verschillende vetzuren zijn
o Non-plair, hydrofoob en onoplosbaar
- Rol
o In meeste eukerayoten cellen als opslagplaats voor metale brandstof
o Zelf ook opgeslagen voor energie & biosynthetische precursors
▪ Koolstofatomen zijn veel meer gereduceerd → levert meer energie
▪ Zijn niet-gehrydateerd (= dragen geen water mee) →kan je in grotere kilo’s opgeslagen
worden & blijven langer goed
o Isolatie tegen lage temp
▪ Walvissen hebben dikke vetlaag voor isolatie & meer buoyancy → triglycerides hebben lager soortelijk
gewicht dan water
o Triglyceriden met onverzadigde vetzuren gaan minder efficiënt ‘gepacked’ zijn en zijn daarom gezonder


Glycerofosfolipiden

- Structuur
o 2 vetzuren verbonden met esterbinding aan glycerol (C 1’ en 2’); een sterk
polaire / geladen groep = kopgroep (C 3’) en fosfaat
▪ Kopgroep vaak een alcohol, indien niet = fosfatidinezuur
- Rol
o Kunnen de klassieke lipidedubbellaag vormen
o Kan een ‘second messenger’ vormen = phosphatidyinositol
o Verdeling vd verschillende sorten glycerofosfolipiden verschilt per orgaan,
weefsel, cel, …

Sfingolipiden

- Structuur
o Net zoals fosfolipiden = polaire kopgroep & 2 non-polaire staarten MAAR
bevatten sfingosine
▪ Kan mono / oligosachariden bevatten of fosfaat + choline =
sfingomyelines
▪ Als geen polaire kopgroep, alleen een H = ceramide

▪ 3 grote soorten zonder fosfaat:
• Cerebroside = spingolipide met 1 sacharide
• Globosiden = sphingolipide met 2 – 4 sachariden
• Ganglioside = complexer met meerdere sacharide takken
- Rol
o Vooral in neuronen als herkennings – of bindingsplaats voor andere
moleculen
o Koolhydraatonderdelen kunnen bloedgroep bepalen
o Lage % aan gangliociden veroorzaken differentiatie van neurale tumorcellen
o Belangrijk bij ‘lipid rafts’:
▪ Lokale gebieden in plasmamembraan waar lipidensamenstelling anders is dan omgeving
▪ Voorkomen van specifieke lipiden → maken aanhechting bepaalde signaaltransductie-eiwitten mogelijk =
specifiek microdomein

Sterols

, - Structuur
o Karakteristiek is een steroidekern bestaande uit 4 gefusioneerde ringen
▪ Steroidekern is relatief rigide
▪ Vaak amfibatisch karakter (= hydrofoob & hydrofiele stukken)
- Rol
o Vooral in membranen, best vb is cholesterol
o Dienen soms ook als precursoren voor synthese van moleculen:
▪ Steroidehormone = krachtige signaalmoleculen voor genexpressie
▪ Galzouten = detergenten in darmen




Fosfatidylinositols

- Zijn gefosfolyseerde deviraten en werken op verschillende niveaus om de werking vd cel te regelen
- Fosfatidylinositol – 4,5 – bifosfaat:
o Dient als bindingplaats of anker voor proteïnen
o Reservoir voor de productie van ‘second messenger’ moleculen, worden geproduceerd wanneer extracellulaire
factoren binden aan hun receptor

o Vb: G proteïnen binden met GTP → fosfolipase C geactiveerd
▪ Hydrolyseert fosfatidylinositol – 4,5 – bifosfaat en vormt IP3 + diaglycerol
▪ IP3 laat Ca2+ vrij en samen met diaglycerol aciveert het protein kinase C
▪ Kinase C gaat dan fosfaten inbouwen op welbepaalse plaatsen &
eiwitten

o … bifosfaat kan worden gefosforyleerd tot P13-Kinase → kinase = fosfaat
inbouwen
▪ PI 4,5 P2 omgezet → activeert kinase PDK ½ → activeert AKT / KPB
▪ AKT / KPB fosfoliseert belangrijke aptosisinducernde eiwitten →
belangrijk voor overleving cel

Eicosanoïden

- = paracriene hormonen, werken enkel op cellen nabij hun plaats
- Als je van een fosfolipide het vetzuur afknipt kan dat gaan plooien = eicosanoid
- Belangrijk rol bij inflammatie:
o Cyclo oxygenase zorgt voor omzetting arachidonzuur →
prostaglandinen & thromboxanen
o Eicosanoiden spelen een rol bij het op gang brengen van
ontstekingen
o NSAID = non-steroidal anti-inflammatory drug = remt dit proces




H2 : bioenergetica
Inleiding

Información del documento

Estudio
Subido en
9 de septiembre de 2026
Número de páginas
60
Escrito en
2025/2026
Tipo
Resumen
$20.09

¿Documento equivocado? Cámbialo gratis Dentro de los 14 días posteriores a la compra y antes de descargarlo, puedes elegir otro documento. Puedes gastar el importe de nuevo.
Escrito por estudiantes que aprobaron
Inmediatamente disponible después del pago
Leer en línea o como PDF

Vendido
0
Seguidores
0
Artículos
4
Última venta
-



Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes