Ontstaan via horizontale gen transfer, instulpen van membranen
en opname van andere cellen
Onderscheiden zich van prokaryoten door de aanwezigheid van:
Functionele cytoplasmatische organellen
De nucleaire enveloppe
Een cytoskelet
Cytoskelet: bestaat uit hele reeks eiwitten, geeft structuur aan de
cel en organellen, belangrijk voor gericht transport binnen de cel,
het kan ook de hele cel doen bewegen
Mitochondriën en chloroplasten zijn in de eukaryoten
geïntroduceerd als endosymbionten
ER en de nucleaire enveloppe ontstaan uit instulpende
plasmamembraan
Kern: genetisch materiaal omgeven door membraan
Mitochondria: aërobe bacteria opgenomen via endosymbiose
Chloroplast: fotosynthetiserende bacterie opgenomen door
endosymbiose
Andere endosymbionten: centriolen = spirocheten
Bevatten hun eigen DNA met grote gelijkenis met bacterieel
DNA
Mitochondrien en chloroplasten vermenigvuldigen zich voor een deel op
basis van hun eigen DNA. Dit is cirkelvormig zoals bij prokaryoten. Ze
hebben ook hun eigen ribosomen en kunnen gedeeltelijk instaan voor
hun eigen proteïnesynthese. Merkwaardig is dat een groot deel van
hun genetisch materiaal overgegaan is in de kern van de gastheer.
Mitochondrien delen door splijting maar onder impuls van nucleaire
proteinen.
Beide organellen bezitten een dubbel membraan. De buitenste zou
afkomstig zijn van de plasmamembraan van de gastheer, en de binnenste
van de plasmamembraan van de endosymbiont.
In een aantal gevallen zijn de chloroplasten secundair ingevoerd door de
endosymbiose met een eukaryoot die reeds chloroplasten bevatte. Deze
chloroplasten bevatten dan meer dan twee uitwendige membranen.
Evolutie van de mitose: sporen van verschillende mogelijks
intermediaire mitotische mechanismen: in sommige fungi en protista:
geen oplossen van nucleaire membraan zoals bij planten, dieren en veel
protista: mitose beperkt zich dan tot de kern, pas na kernsplitsing deelt de
rest van de cel.
, 6.1 Eukaryota – 6 supergroepen
Protista eencellig, koloniaal of multicellulaire groepen
Animalia
Plantae compartimentalisatie
Fungi
6.2 Protista
Niet monophyletisch, GEEN rijk
Zes supergroepen bevatten alle protista
6.3 Protista – algemene kenmerken
Alle niet-plant, -dier, -fungi eukaryoten
Komen unicellulair voor, koloniaal en in multicellulaire groepen
Celoppervlak: veel variaties: plasmamembraan + extracellulaire
matrix, een echte celwand, een silica schelp, enkel een
plasmamembraan
Cyste vorming (= slapende vorm van cel met resistente buitenste
beschermende laag)
Voortbeweging: flagella, pseudopodia, axopodia, cilia, filopodia
Voeding:
fototroof – fotosynthese
heterotroof: - fagotroof: voedselvacuole of fagosoom
(+lysosoom)
- osmotroof (opname van voedsel in vloeibare vorm)