4.3 Science-based practice in the field of child & adolescent psychopathology
College 1 - Openingscollege
Wat is eigenlijk een scientist-practitioner?
● Achtergrond: ontwikkeling Scientist-Practitioner model van Klinische Psychologie (1949, Boulder (USA)
Conferentie)
● Het is een opleidingsmodel dat leidt tot professioneel handelen waarbij klinisch psychologen zich in hun
dagelijkse praktijk baseren op wetenschappelijke methoden, procedures en onderzoek
● Vanaf dat moment is (klinische) psychologie een academische en op zichzelf-staande studie (daarvoor
was het onderdeel van Filosofie)
● Het doel is dat clinici in hun praktische (dagelijkse) besluitvorming en uitvoering gebruikmaken van
wetenschappelijke methoden
4 kerndoelstellingen scientist-practitioner model
1) Diagnostiek en behandeling: gebruikmaken van meetinstrumenten en behandelingen in
overeenstemming met wetenschappelijke literatuur/protocollen
2) Onderzoek: bijdragen of deelnemen aan practice-based onderzoek en het verbeteren van de kwaliteit
en effectiviteit van de ggz
3) Samenwerken: opbouwen en onderhouden van effectieve samenwerking (netwerken) en andere
(ggz-)professionals en uitwisselen van ‘scientist-practitioner bijdragen’ (intervisie, supervisie,
congressen, bijscholing, accreditatiepunten)
4) Beleid: gebruikmaken van (recente) wetenschappelijke bevindingen bij (ggz)gezondheidszorgbeleid en
-beslissingen
American Psychological Association task forces
1) 1995: APA-task force ‘Well-established’ behandelingen
● Randomized controlled trials (RCTs), minstens 2
● Minstens 2 onafhankelijke onderzoeksgroepen (& settings)
● Resultaatbeoordeling met goede meetmethoden, liefst meerdere
● Resultaat beter dan TAU of placebo
● Repliceerbare behandelprocedures (protocol)
● Treatment integrity (checken of mensen het protocol daadwerkelijk hebben gevolgd)
● Relevante inclusiecriteria (betrouwbaar en valide gemeten)
● Geschikte data-analyse
● Clinical trials
● Toetsing klinische significantie (niet alleen in getallen maar ook in zichtbare verandering)
● Langetermijn-effect (follow-up)
N.B.: nog niet onderzocht ≠ niet-effectief
Evidence-based assessment
● Constructen (selectie) en meetproces gebaseerd op onderzoeksbevindingen en
wetenschappelijke theorieën (mbt psychopathologie en normaal gedrag)
● Gebruik van meetinstrumenten met goede psychometrische kwaliteiten (betrouwbaarheid,
validiteit, klinische bruikbaarheid), voor het doel waarvoor ze gebruikt worden
● Het gehele meetproces moet empirisch onderbouwd zijn
○ Selectie: welk instrument kies je?
○ Gebruik: hoe gebruik je het?
○ Interpretatie: wat betekenen de resultaten, bijv. zijn er geschikte normgroepen?
○ Integratie van meerdere meet-data: bijv. welke bevindingen wegen zwaarder mee
voor de conclusie?
N.B.: Belangrijk om verschil te maken tussen het (evidence-based) meetinstrument (inhoud) en het
(evidence-based) meetproces
1
, 2) 1999: APA-task force Empirisch ondersteunde therapeutische relaties
● Conclusie APA task force: “The therapy relationship accounts for why clients improve (or fail to
improve) at least as much as the particular treatment period
● Relevante factoren zijn o.a. empathie, openheid, congruentie (zijn wie je bent ipv wie je denkt te
moeten zijn), omgaan met tegen-overdracht, etc.
● Bezinning en reflectie op eigen functioneren (in de (therapeut) werkrol en mbt eigen patronen
(automatisme, kwetsbaarheden, valkuilen, drijfveren) is noodzakelijk
3) 2005: APA-task force Evidence-based practice (EBP)
● The integration of: the best available research with clinical expertise in the context of patient
characteristics, culture and preferences
● Scientific evidence (Criteria for Evaluating Treatment Guidelines): evidence moet geëvalueerd
worden op twee dimensies, te weten effectiviteit en klinische bruikbaarheid
1. Effectiviteit: hoe sterk is (de evidentie voor) de causale relatie tussen interventie en
verbetering van de stoornis
2. Klinische bruikbaarheid: aandacht voor o.a. generaliseerbaarheid (mbt patiënten,
therapeuten, settings), robuustheid in varianten, haalbaarheid in real world, kosten, etc.
● Patient characteristics, culture and preference: it is important to know the person who has the
disorder in addition to the disorder the person has
○ Bewezen van invloed: mate van weerstand, niveau van verslechtering, copingstijl,
stages of change, persoonlijkheid, religie/spiritualiteit
○ Nog niet voldoende onderzocht: geslacht, etniciteit/cultuur, behandelvoorkeur,
persoonlijkheidsproblematiek, hechtingsstijl, verwachting tav behandeling
⇒ Protocol niet naar de letter maar naar de geest toepassen
● Klinische expertise: essentieel voor het identificeren en integreren van de beste research
evidentie met klinische data/info mbt patiëntkarakteristieken en -voorkeuren. Naarmate je het
langer doet (expert wordt), word je beter in….
○ Organiseren van info vanuit een dieper begrip waar je mee bezig bent
○ Negeren van irrelevante informatie
○ Sneller ophalen van relevante informatie
○ Herkennen van betekenisvolle patronen
○ Sneller oplossingen vinden
○ Makkelijker aanpassen aan nieuwe situaties (flexibeler)
○ Beter monitoren van jezelf (en je kennis en vaardigheden)
○ Beter weten wanneer je kennis en vaardigheden tekortschieten
○ Jezelf verder ontwikkelen
⇒ Integratie
● Scientific evidence: ken de wetenschappelijke bevindingen
● Klinische expertise: ken jezelf (en je valkuilen) en zet jezelf in
● Patiëntkarakteristieken: ken de ander
Evidence-based practice in field of child & adolescent psychopathology
● Vakgebied van KKJ is relatief jong
● Onderzoek naar behandelingen pas circa 1990
● DSM-5 (2013) voor het eerst aandacht voor ontwikkelingsperspectief van mentale stoornissen
● Van (vrije) speltherapie en praatsessies naar (gestandaardiseerde) protocollen
● Nu wildgroei aan protocollen; onderzoek blijft dus hard nodig
Effectiviteit behandeling
● Effect-grootte uitgedrukt in Cohen’s d:
○ Positieve waarde (meestal tussen 0 en 3): gunstig effect
○ Negatieve waarde (meestal tussen -2 en 0): ongunstig effect
2
, ● Vuistregel: vanaf d = 0.50 zien we behandeling als succesvol, dit is circa 65% succesratio
● Care as usual (CAU/TAU) in KKJ had lange tijd effect-grootte’s van d = 0, of pas positief als er lang werd
doorbehandeld (maar dan dus erg duur en tevens veel uitval)
● Academische protocollen scoorden d = 0.50 tot d = 0.80
● Conclusie: protocollair werken is effectiever dan
‘maatwerk’
● Maar: vanzelfsprekend zijn niet alle protocollen
werkzaam
● Observatie Spielman et al. (2010) mbt
protocolbehandelingen
○ Therapeuten ook vaak onderzoekers
○ Gespecialiseerde training in protocol
○ Supervisie (& intervisie)
○ Tijd om voor te bereiden
Evidentie protocollen
Er worden 4 niveaus onderscheiden (Braet & Bogels + NJI)
1) Overtuigend empirisch bewijs voor goede effectiviteit/effectief volgens
sterke aanwijzingen
2) Sterke indicatie voor goede effectiviteit/effectief volgens goede
aanwijzingen
3) Indicatie voor goede effectiviteit/effectief volgens eerste aanwijzingen
4) Veelbelovend/goed (theoretisch) onderbouwd
Er zijn ook best wel wat protocollen die vallen onder d = 0 → mensen die hiermee
behandeld werden waren er dus slechter aan toe dan voor ze de behandeling
startten
Protocollen KKJ versus Volwassenen
KKJ vergelijkbaar met zorg voor volwassenen mbt
● Individueel versus groep: e-health en face-to-face
● Na eerste 3 tot 5 sessies effect zichtbaar?
○ Onder andere door therapeutische relatie
● Goede diagnose stellen is belangrijk!
● Diagnose-behandel-combinatie (DBC)
● Passend evidence-based protocol (inhoud), doorgaans zo’n 8 tot 16 sessies
● Proces: training in protocol + supervisie (& intervisie) mbt treatment integrity
KKJ anders dan bij zorg met volwassenen mbt
● Wie is focus van behandeling?
○ Op kinderen/adolescenten zelf gericht
○ Geïntegreerde (of aparte) ouder-kind-protocollen
○ Op ouders (soms leerkrachten) gerichte protocollen
● Extra belangrijk om snel en goed te behandelen, want ontwikkeling komt onder druk te staan
● Therapeutische relatie met zowel kind als ouder
● Extra uitdaging: therapie moet ‘leuk’ blijven
3
College 1 - Openingscollege
Wat is eigenlijk een scientist-practitioner?
● Achtergrond: ontwikkeling Scientist-Practitioner model van Klinische Psychologie (1949, Boulder (USA)
Conferentie)
● Het is een opleidingsmodel dat leidt tot professioneel handelen waarbij klinisch psychologen zich in hun
dagelijkse praktijk baseren op wetenschappelijke methoden, procedures en onderzoek
● Vanaf dat moment is (klinische) psychologie een academische en op zichzelf-staande studie (daarvoor
was het onderdeel van Filosofie)
● Het doel is dat clinici in hun praktische (dagelijkse) besluitvorming en uitvoering gebruikmaken van
wetenschappelijke methoden
4 kerndoelstellingen scientist-practitioner model
1) Diagnostiek en behandeling: gebruikmaken van meetinstrumenten en behandelingen in
overeenstemming met wetenschappelijke literatuur/protocollen
2) Onderzoek: bijdragen of deelnemen aan practice-based onderzoek en het verbeteren van de kwaliteit
en effectiviteit van de ggz
3) Samenwerken: opbouwen en onderhouden van effectieve samenwerking (netwerken) en andere
(ggz-)professionals en uitwisselen van ‘scientist-practitioner bijdragen’ (intervisie, supervisie,
congressen, bijscholing, accreditatiepunten)
4) Beleid: gebruikmaken van (recente) wetenschappelijke bevindingen bij (ggz)gezondheidszorgbeleid en
-beslissingen
American Psychological Association task forces
1) 1995: APA-task force ‘Well-established’ behandelingen
● Randomized controlled trials (RCTs), minstens 2
● Minstens 2 onafhankelijke onderzoeksgroepen (& settings)
● Resultaatbeoordeling met goede meetmethoden, liefst meerdere
● Resultaat beter dan TAU of placebo
● Repliceerbare behandelprocedures (protocol)
● Treatment integrity (checken of mensen het protocol daadwerkelijk hebben gevolgd)
● Relevante inclusiecriteria (betrouwbaar en valide gemeten)
● Geschikte data-analyse
● Clinical trials
● Toetsing klinische significantie (niet alleen in getallen maar ook in zichtbare verandering)
● Langetermijn-effect (follow-up)
N.B.: nog niet onderzocht ≠ niet-effectief
Evidence-based assessment
● Constructen (selectie) en meetproces gebaseerd op onderzoeksbevindingen en
wetenschappelijke theorieën (mbt psychopathologie en normaal gedrag)
● Gebruik van meetinstrumenten met goede psychometrische kwaliteiten (betrouwbaarheid,
validiteit, klinische bruikbaarheid), voor het doel waarvoor ze gebruikt worden
● Het gehele meetproces moet empirisch onderbouwd zijn
○ Selectie: welk instrument kies je?
○ Gebruik: hoe gebruik je het?
○ Interpretatie: wat betekenen de resultaten, bijv. zijn er geschikte normgroepen?
○ Integratie van meerdere meet-data: bijv. welke bevindingen wegen zwaarder mee
voor de conclusie?
N.B.: Belangrijk om verschil te maken tussen het (evidence-based) meetinstrument (inhoud) en het
(evidence-based) meetproces
1
, 2) 1999: APA-task force Empirisch ondersteunde therapeutische relaties
● Conclusie APA task force: “The therapy relationship accounts for why clients improve (or fail to
improve) at least as much as the particular treatment period
● Relevante factoren zijn o.a. empathie, openheid, congruentie (zijn wie je bent ipv wie je denkt te
moeten zijn), omgaan met tegen-overdracht, etc.
● Bezinning en reflectie op eigen functioneren (in de (therapeut) werkrol en mbt eigen patronen
(automatisme, kwetsbaarheden, valkuilen, drijfveren) is noodzakelijk
3) 2005: APA-task force Evidence-based practice (EBP)
● The integration of: the best available research with clinical expertise in the context of patient
characteristics, culture and preferences
● Scientific evidence (Criteria for Evaluating Treatment Guidelines): evidence moet geëvalueerd
worden op twee dimensies, te weten effectiviteit en klinische bruikbaarheid
1. Effectiviteit: hoe sterk is (de evidentie voor) de causale relatie tussen interventie en
verbetering van de stoornis
2. Klinische bruikbaarheid: aandacht voor o.a. generaliseerbaarheid (mbt patiënten,
therapeuten, settings), robuustheid in varianten, haalbaarheid in real world, kosten, etc.
● Patient characteristics, culture and preference: it is important to know the person who has the
disorder in addition to the disorder the person has
○ Bewezen van invloed: mate van weerstand, niveau van verslechtering, copingstijl,
stages of change, persoonlijkheid, religie/spiritualiteit
○ Nog niet voldoende onderzocht: geslacht, etniciteit/cultuur, behandelvoorkeur,
persoonlijkheidsproblematiek, hechtingsstijl, verwachting tav behandeling
⇒ Protocol niet naar de letter maar naar de geest toepassen
● Klinische expertise: essentieel voor het identificeren en integreren van de beste research
evidentie met klinische data/info mbt patiëntkarakteristieken en -voorkeuren. Naarmate je het
langer doet (expert wordt), word je beter in….
○ Organiseren van info vanuit een dieper begrip waar je mee bezig bent
○ Negeren van irrelevante informatie
○ Sneller ophalen van relevante informatie
○ Herkennen van betekenisvolle patronen
○ Sneller oplossingen vinden
○ Makkelijker aanpassen aan nieuwe situaties (flexibeler)
○ Beter monitoren van jezelf (en je kennis en vaardigheden)
○ Beter weten wanneer je kennis en vaardigheden tekortschieten
○ Jezelf verder ontwikkelen
⇒ Integratie
● Scientific evidence: ken de wetenschappelijke bevindingen
● Klinische expertise: ken jezelf (en je valkuilen) en zet jezelf in
● Patiëntkarakteristieken: ken de ander
Evidence-based practice in field of child & adolescent psychopathology
● Vakgebied van KKJ is relatief jong
● Onderzoek naar behandelingen pas circa 1990
● DSM-5 (2013) voor het eerst aandacht voor ontwikkelingsperspectief van mentale stoornissen
● Van (vrije) speltherapie en praatsessies naar (gestandaardiseerde) protocollen
● Nu wildgroei aan protocollen; onderzoek blijft dus hard nodig
Effectiviteit behandeling
● Effect-grootte uitgedrukt in Cohen’s d:
○ Positieve waarde (meestal tussen 0 en 3): gunstig effect
○ Negatieve waarde (meestal tussen -2 en 0): ongunstig effect
2
, ● Vuistregel: vanaf d = 0.50 zien we behandeling als succesvol, dit is circa 65% succesratio
● Care as usual (CAU/TAU) in KKJ had lange tijd effect-grootte’s van d = 0, of pas positief als er lang werd
doorbehandeld (maar dan dus erg duur en tevens veel uitval)
● Academische protocollen scoorden d = 0.50 tot d = 0.80
● Conclusie: protocollair werken is effectiever dan
‘maatwerk’
● Maar: vanzelfsprekend zijn niet alle protocollen
werkzaam
● Observatie Spielman et al. (2010) mbt
protocolbehandelingen
○ Therapeuten ook vaak onderzoekers
○ Gespecialiseerde training in protocol
○ Supervisie (& intervisie)
○ Tijd om voor te bereiden
Evidentie protocollen
Er worden 4 niveaus onderscheiden (Braet & Bogels + NJI)
1) Overtuigend empirisch bewijs voor goede effectiviteit/effectief volgens
sterke aanwijzingen
2) Sterke indicatie voor goede effectiviteit/effectief volgens goede
aanwijzingen
3) Indicatie voor goede effectiviteit/effectief volgens eerste aanwijzingen
4) Veelbelovend/goed (theoretisch) onderbouwd
Er zijn ook best wel wat protocollen die vallen onder d = 0 → mensen die hiermee
behandeld werden waren er dus slechter aan toe dan voor ze de behandeling
startten
Protocollen KKJ versus Volwassenen
KKJ vergelijkbaar met zorg voor volwassenen mbt
● Individueel versus groep: e-health en face-to-face
● Na eerste 3 tot 5 sessies effect zichtbaar?
○ Onder andere door therapeutische relatie
● Goede diagnose stellen is belangrijk!
● Diagnose-behandel-combinatie (DBC)
● Passend evidence-based protocol (inhoud), doorgaans zo’n 8 tot 16 sessies
● Proces: training in protocol + supervisie (& intervisie) mbt treatment integrity
KKJ anders dan bij zorg met volwassenen mbt
● Wie is focus van behandeling?
○ Op kinderen/adolescenten zelf gericht
○ Geïntegreerde (of aparte) ouder-kind-protocollen
○ Op ouders (soms leerkrachten) gerichte protocollen
● Extra belangrijk om snel en goed te behandelen, want ontwikkeling komt onder druk te staan
● Therapeutische relatie met zowel kind als ouder
● Extra uitdaging: therapie moet ‘leuk’ blijven
3