1. HEMODYNAMICA
Belangrijkste vergelijkingen
Debiet / Flow
ΔP
F=
R
F = flow/debiet
ΔP = drukverschil (drijvingsdruk)
R = weerstand
Weerstand (Poiseuille)
8 ηl
R= 4
πr
BELANGRIJK: radius heeft grootste effect (macht 4). Kleine daling radius →
enorme stijging weerstand.
Snelheid van bloedstroom
F
v=
A
Grootste snelheid: aorta
Kleinste snelheid: capillairen (grootste totale dwarsdoorsnede)
Reynoldsgetal
Dvρ
ℜ=
η
Turbulentie ontstaat bij:
↑ diameter
↑ snelheid
↓ viscositeit
stenosen/atherosclerose
klepletsels
Gevolg: geruisen, hogere kans op trombusvorming.
Druksoorten
Drijvingsdruk
Druk die bloed doet bewegen.
Δ P=P1−P2
, Transmurale druk
Drukverschil over vaatwand.
Verantwoordelijk voor uitzetting van bloedvat.
Hydrostatische druk
Door zwaartekracht.
Hoofd: lagere druk
Voeten: hogere druk
Daarom bloeddruk meten op harthoogte.
2. BLOEDVATEN
Arteriën versus venen
Arteriën Venen
Distributie Collectie
Hoge druk Lage druk
Weerstandsvat Capaciteitsvate
en n
Dikke wand Dunnere wand
Lage Hoge
compliantie compliantie
Pulsaties Geen pulsaties
Geen kleppen Wel kleppen
De 10 kenmerken van bloedvaten
Ken de belangrijkste
1. Aantal vaten
Meeste vaten = capillairen. Slechts ±25% open in rust.
2. Radius
Kleinste in capillairen.
3. Totale dwarsdoorsnede
Grootst in capillairen.
4. Snelheid
Kleinst in capillairen.
6. Volumeverdeling