Ergonomie: werkhoogte, houding, niet naar voren reiken, hulpmiddelen,
dicht bij lichaam tillen, juist gebruik van hulpmiddelen bijv aantrekken
steunkousen etc
Persoonlijke hygiëne: handen, kleding, haren vast, korte nagels, sierraden
Van boven naar beneden, van droog naar nat, van schoon naar vuil.
Werkkaart: onderhoud-schoonmaak-textiel
Kies een vaardigheid
Maak er een werkkaart van
Demonstratie film van maken: Mag op school
Wat komt erop de werkkaart:
Persoonlijke hygiene
Werkplek hygiene
Duidelijke taal: hoeveelheden
Benodigde materialen
Duidelijk maken wat je verwacht
Volgorde
Niet alles hoeft op de werkkaart, maar wèl in je video!
Overzichtelijk en stapsgewijs
Opruimen
Controle werkplek
Basis info: voorkennis die je doelgroep al heeft! Dan hoef je niet uit te
leggen hoe je uitrolt, zak verwisseld etc.
Oefen voor toets: bij elke casus even langsgaan wat de
schoonmaakwerkzaamheden zijn/kunnen zijn (aanstrepen) ter oefening
Subdoelen:
Legt uit wat reinigen, desinfecteren en steriliseren is en noemt
daarbij voorbeelden .
Beschrijft het belang van hygiëne (reinigen, desinfecteren en
steriliseren) binnen de thuiszorg.
Beschrijft hoe de term ‘zelfredzaamheid’ van de zorgvrager in relatie
staat tot het professioneel schoonmaken van de hulpverlener in de
thuiszorg.
Beschrijft de verbanden tussen schoonmaakfrequentie, soorten
schoonmaakbeurten en de ruimtes in huis.
Maakt een schoonmaakplan op basis van de casus hierin komen de
werkvolgorde en de planning aan de orde.
Herkent de doelgroep in de casus.
Kent de wet- en regelgeving ten aanzien van zorg en past dit toe op
de casus (ZVW, WMO, WLZ, CIZ en PGB).
Kent de begrippen: cure, care, eerste- en tweedelijnszorg, ambulant,
intramuraal en extramuraal, en past dit toe op de casus.
,WORKSHOP 1 + 2
Schoonmaakplan
Wat
Wanneer
Wie
Hoe vaak
LET OP: VOOR TOETS GA GEEN INFO TOEVOEGEN AAN EEN CASUS DIE ER
NIET INSTAAT
LET OP: een boodschappenlijst (als die in de casus staat) hoort ook bij
schoonmaakplan
4 sectoren vd gezondheidszorg:
1. Cure:
curatie (gericht op genezing)
acute en chronische lichamelijke aandoeningen behandelen en
genezen
ook ambulance en ziekenvervoer
klinisch (in bed) en poliklinisch (ambulante pat)
geneesmiddelen
2. Care:
verpleging/verzorging/gehandicaptenzorg
hulpmiddelen (bijv rollators, diabetesmateriaal)
3. GGZ:
voorkomen/behandelen/genezen psychische aandoeningen
hulp bieden aan verwarden/verslaafden die zelf geen hulp zoeken
laten deelnemen aan samenleving
extra-, intra- en semimuraal
4. Maatschappelijke zorg :
Maatschappelijke opvang
dak- en thuislozenopvang
vrouwenopvang en crisisopvang
hulp voor kwetsbaren/rand samenleving
AMV
ambulante zorg op gebied van psychosociale hulpverlening
Eerste- en Tweedelijnszorg:
Eerstelijns:
Tweedelijns: ZH, Verpleeghuis, instelling voor verst. gehandicapten
Ambulante zorg:
gericht op patiënten/cliënten/pupillen in hun maatschappelijke
omgeving en thuissituatie
huisarts, thuiszorg, sph, ambulante verslavingszorg
,Intramuraal:
Zorg geboden in of vanuit een instelling
Opnemen, verzorgen of verplegen van patiënten/cliënten/pupillen
(=centrale doelstelling)
Dit is de tweedelijnsgezondheidzorg
Extramuraal:
Buiten de instellingen
Tandheelkunde, fysio
Is vaak ook ambulante zorg
Semimuraal:
Gezinsvervangend tehuis (woonfunctie, geen behandelfunctie)
ZVW: zorgverzekeringswet
WLZ: wet langdurige zorg
Ouderen/mensen met beperking/psychische stoornis
Beperkt tot groep die 24u/dag zorg in nabijheid en/of permanent
toezicht nodig hebben
CIZ: centrum indicatiestelling zorg
Bepaalt wie recht heeft op WLZ
PGB: (spreekt voor zich)
WMO: wet maatschappelijke ondersteuning
Jeugdzorg, adviesloketten, mantelzorg, sportaccommodaties,
huishoudelijke hulp, woningaanpassing, scootmobiel,
crisisopvang, zorg voor verslaafden etc.
(hoort bij artikel “professioneel handelen”)
WORKSHOP 3:
Subdoelen:
, Benoemt de verschillende micro-organismen en beschrijft welke factoren de
groei van micro-organismen beïnvloeden.
Beschrijft welke nadelige gevolgen de groei van micro-organismen binnen de
thuiszorg heeft en hoe de groei zoveel mogelijk tegengegaan kan worden.
Herkent de doelgroep in de casus.
Kent de wet- en regelgeving ten aanzien van zorg en past dit toe op de casus
(ZVW, WMO, WLZ, CIZ en PGB).
Kent de begrippen: cure, care, eerste- en tweedelijnszorg, ambulant,
intramuraal en extramuraal, en past dit toe op de casus.
als je binnen een onderwijscontext een doelgroep moet duiden dan raden
we je aan om gebruik te maken van de bovenstaande informatie. In het
kort komt het neer op het volgende:
1. Bepaalde leeftijdsgroep.
2. Bepaal of het gaat om een fysieke, geestelijke of sociale beperking.
3 .Bepaal of het gaat om een enkel-of meervoudige beperkingen.
4. bepaal tot slot of het gaat om een chronische beperking.